Procedure : 2014/2964(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0357/2014

Ingediende teksten :

B8-0357/2014

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2014 - 10.22
CRE 17/12/2014 - 10.22
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2014)0103

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 135kWORD 61k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0277/2014
10.12.2014
PE545.606v01-00
 
B8-0357/2014

naar aanleiding van de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de erkenning van Palestina als staat (2014/2964(RSP))


Gianni Pittella, Victor Boştinaru, Nikos Androulakis, Maria Arena, Francisco Assis, Brando Benifei, Nicola Caputo, Miriam Dalli, Tanja Fajon, Ana Gomes, Jude Kirton-Darling, Mary Honeyball, Liisa Jaakonsaari, Afzal Khan, Juan Fernando López Aguilar, Javi López, David Martin, Costas Mavrides, Sorin Moisă, Norbert Neuser, Pier Antonio Panzeri, Gilles Pargneaux, Kati Piri, Isabelle Thomas, Marita Ulvskog, Elena Valenciano, Boris Zala, Richard Howitt namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de erkenning van Palestina als staat (2014/2964(RSP))  
B8‑0357/2014

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over het vredesproces in het Midden-Oosten, met name die van 29 september 2011 over de situatie in Palestina(1) en van 22 november 2012 over de situatie in Gaza(2),

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 22 juli 2014 en 17 november 2014,

–       gezien de opmerkingen van hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini na de zitting van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2014,

–       gezien de verklaringen van hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini over de aanslag op een synagoge in Har Nof op 18 november 2014 en de terroristische aanslag in Jeruzalem op 5 november 2014, en gezien de verklaring van de woordvoerder van de hoge vertegenwoordiger van de EU van 10 november 2014 over de laatste ontwikkelingen in het Midden-Oosten,

–       gezien de opmerkingen van hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini naar aanleiding van haar bijeenkomst met Benjamin Netanyahu, premier van Israël, op 7 november 2014,

–       gezien de verklaring van hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini inzake de meest recente Israëlische mededeling over nederzettingen van 5 november 2014,

–       gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, naar aanleiding van zijn telefoongesprekken met Benjamin Netanyahu, premier van Israël, en Mahmoud Abbas, president van de staat Palestina, van 20 november 2014,

–       gezien de mededeling van de Zweedse regering inzake de formele erkenning van de staat Palestina van 30 oktober 2014,

–       gezien de moties die zijn aangenomen door het Lagerhuis van het Verenigd Koninkrijk op 13 oktober 2014, door de Ierse senaat op 22 oktober 2014, door het Spaanse parlement op 18 november 2014 en door de Franse Nationale Vergadering op 2 december 2014, waarin hun respectieve regeringen ertoe worden aangespoord de staat Palestina te erkennen,

–       gezien het besluit van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 29 november 2012 om Palestina de status van niet-lidstaat met waarnemersstatus toe te kennen,

–       gezien het besluit van de Knesset van 8 december 2014 om buitengewone verkiezingen in Israël te houden op 17 maart 2015,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat het tot stand brengen van een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen, alsook tussen Arabieren en Israëli's in een ruimere context, al meer dan een halve eeuw een grote bron van zorg is voor de internationale gemeenschap, met inbegrip van de Europese Unie;

B.     overwegende dat het initiatief van VS-staatssecretaris John Kerry, dat ondanks alle inspanningen geen tastbare resultaten heeft opgeleverd, en de oorlog in Gaza, ertoe hebben geleid dat het vredesproces opnieuw in een impasse is beland;

C.     overwegende dat in het vacuüm dat is ontstaan als gevolg van het gebrek aan vooruitgang in het vredesproces de spanningen tussen Israëli's en Palestijnen opnieuw oplaaien, met onschuldige burgerslachtoffers tot gevolg; overwegende dat bij de terroristische aanslag op een synagoge in Har Nof op 18 november 2014 vijf mensen om het leven zijn gekomen en diverse anderen gewond zijn geraakt; overwegende dat deze aanslag werd voorafgegaan door andere terreur- en gewelddaden in de afgelopen weken;

D.     overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in november 2012 Palestina de status van "niet-lidstaat met waarnemersstatus" heeft toegekend;

E.     overwegende dat de Zweedse regering op 30 oktober 2014 bekendmaakte Palestina formeel als staat te erkennen; overwegende dat Zweden de eerste EU-lidstaat is die de Palestijnse staat erkent; overwegende dat acht andere lidstaten -Bulgarije, Cyprus, Tsjechië, Hongarije, Malta, Polen, Roemenië en Slowakije- de staat Palestina al hadden erkend voordat zij tot de Europese Unie toetraden;

F.     overwegende dat het Lagerhuis van het VK op 13 oktober 2014 een motie heeft aangenomen met daarin zijn standpunt dat "de regering naast de staat Israël de staat Palestina moet erkennen om zo een bijdrage te leveren aan een via onderhandelingen tot stand gebrachte tweestatenoplossing";

G.     overwegende dat de Ierse senaat op 22 oktober 2014 een motie heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht de staat Palestina formeel te erkennen en op internationaal niveau alles in het werk te stellen om een haalbare tweestatenoplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict tot stand te helpen brengen;

H.     overwegende dat het Spaanse parlement op 18 november 2014 een motie heeft aangenomen waarin de regering ertoe wordt aangespoord Palestina als staat te erkennen, wat het resultaat zou moeten zijn van een onderhandelingsproces tussen de partijen dat borg staat voor vrede en veiligheid voor beide partijen, eerbiediging van de burgerrechten en regionale stabiliteit;

I.      overwegende dat de Franse Nationale Vergadering op 2 december 2014 een motie heeft aangenomen waarin de regering wordt verzocht de staat Palestina te erkennen met het oog op een definitieve oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict op basis van de tweestatenoplossing;

J.      overwegende dat in diverse andere Europese landen, waaronder België, Denemarken, Portugal en Slovenië, vergelijkbare initiatieven zijn genomen;

K.     overwegende dat de erkenning van de staat Palestina onder de bevoegdheden van de lidstaten valt;

L.     overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 29 september 2011 zijn steun heeft toegezegd aan en de EU-lidstaten ertoe heeft opgeroepen eensgezind te reageren op het legitieme verzoek van het Palestijnse volk om als staat in de Verenigde Naties vertegenwoordigd te zijn;

M.    overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 22 november 2012 zijn steun heeft toegezegd aan het verzoek van Palestina betreffende toekenning van de status van niet-lidstaat met waarnemersstatus in de Verenigde Naties, en de EU-lidstaten en de internationale gemeenschap ertoe heeft opgeroepen tot een overeenkomst in deze richting te komen;

N.     overwegende dat de Europese Unie er de afgelopen jaren niet in is geslaagd een politieke rol van betekenis te vervullen als bemiddelaar in het vredesproces tussen Israëli's en Palestijnen; overwegende dat, tijdens de zitting van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2014, de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten hebben besloten steun te verlenen aan nieuwe initiatieven om het vredesproces te hervatten door voort te bouwen op de mogelijkheid om een regionaal kader te scheppen in samenwerking met de VS, de VN-Veiligheidsraad en belangrijke Arabische landen zoals Egypte, Jordanië en Saudi-Arabië;

O.     overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken in zijn conclusies van 17 november 2014 heeft bevestigd dat de toekomstige EU-betrekkingen met zowel de Israëlische als de Palestijnse partners mede zullen afhangen van de mate waarin deze zich inzetten voor een blijvende vrede op basis van de tweestatenoplossing;

1.      dringt er bij alle EU-lidstaten op aan de staat Palestina te erkennen, een besluit dat onder hun nationale bevoegdheden valt, en spreekt zijn volledige steun uit voor de inspanningen van hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter Federica Mogherini om in dit verband een gemeenschappelijke EU-aanpak te bevorderen;

2.      dringt er tevens bij Israël op aan de staat Palestina te erkennen, op voorwaarde dat deze erkenning wordt gevolgd door een akkoord over een definitieve status tussen de Israëli's en de Palestijnen;

3.      spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de toenemende spanningen tussen Israëli's en Palestijnen; veroordeelt in de krachtigste bewoordingen alle terreur- en gewelddaden tegen onschuldige Israëlische en Palestijnse burgers, waaronder de aanslag op een synagoge in Har Nof waarbij vijf mensen om het leven kwamen op 18 november 2014 en de herhaalde gewelddadige botsingen bij de Haram al-Sharif / Tempelberg, en betuigt zijn deelneming aan de families van de slachtoffers; waarschuwt voor de risico's van een verdere escalatie van het geweld bij heilige plaatsen, waardoor het Israëlisch-Palestijnse conflict kan uitmonden in een godsdienstig conflict; verzoekt om een de-escalatie van de situatie en onderstreept eens te meer dat geweldloze middelen de enige manier zijn om een rechtvaardige en duurzame vrede tussen Israëli's en Palestijnen tot stand te brengen; benadrukt dat elke gewelddadige actie het extremisme aan beiden zijden alleen maar kan aanwakkeren;

4.      is ingenomen met het recente bezoek van hoge vertegenwoordiger / vicevoorzitter Federica Mogherini aan Israël en Palestina, en met haar toezegging om proactief deel te nemen aan een positief proces gericht op het doorbreken van de vicieuze cirkel van het conflict tussen Israëli's en Palestijnen en het scheppen van de politieke voorwaarden voor werkelijke vooruitgang in het vredesproces; steunt de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2014 en de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger;

5.      benadrukt dat de erkenning van de staat Palestina door de lidstaten zal bijdragen aan de hervatting van de vredesbesprekingen tussen Israëli's en Palestijnen, op basis van geloofwaardig en serieus engagement van beide partijen, wat zal leiden tot concrete, tastbare resultaten binnen een vastgestelde termijn;

6.      benadrukt opnieuw dat zowel het recht van de staat Israël om binnen veilige grenzen te bestaan, als het recht van de Palestijnen op zelfbeschikking en om over hun eigen staat te beschikken, onbetwistbaar is; blijft in deze geest zijn steun verlenen aan de tweestatenoplossing, met als basis de grenzen van 1967 en Jeruzalem als hoofdstad van beide staten, waarbij de staat Israël en een onafhankelijke, democratische, aangrenzende en levensvatbare Palestijnse staat -bestaande uit de Gazastrook, Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever- in vrede en veiligheid zij aan zij leven; benadrukt dat de tweestatenoplossing gebaseerd is op wederzijdse erkenning door de twee staten en de erkenning van beide staten door de hele internationale gemeenschap; wijst opnieuw op het belang van het Arabisch Vredesinitiatief in dit verband;

7.      verzoekt beide partijen zich te onthouden van ieder optreden dat de levensvatbaarheid en de vooruitzichten van de tweestatenoplossing kan ondermijnen, met name de bouw en uitbreiding van Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jeruzalem, en de voortdurende onteigening van Palestijnse grond en vernietiging van Palestijnse eigendommen door Israël;

8.      is van mening dat de Europese Unie haar verantwoordelijkheid moet nemen en zich als werkelijke politieke speler en bemiddelaar in het vredesproces in het Midden-Oosten moet doen gelden, onder meer door middel van een omvattende Europese strategie en plannen voor het Israëlisch-Palestijnse conflict, die kunnen worden gepresenteerd op een internationale vredesconferentie waaraan wordt deelgenomen door beide partijen en alle belangrijke regionale en internationale spelers;

9.      verzoekt om doorlopende EU-steun en -bijstand voor de opbouw van de Palestijnse institutionele capaciteit; wijst in dit verband eens te meer op het belang van de bestendiging van de autoriteit van de Palestijnse consensusregering en zijn bestuur in de Gazastrook, alsook van de onmiddellijke beëindiging van de Israëlische blokkade van het gebied, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de legitieme veiligheidsbehoeften van Israël; is ervan overtuigd dat de reactivering en mogelijke uitbreiding van de werkingssfeer en het mandaat van de missies EUBAM Rafah en EUPOL COPPS een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan deze inspanningen;

10.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de gezant van het Kwartet voor het Midden-Oosten, de Knesset en de regering van Israël, de president van de Palestijnse Autoriteit, de premier van de Palestijnse nationale consensusregering en de Palestijnse Wetgevende Raad.

 

(1)

PB C56E van 26.2.2013, blz. 104.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0454.

Juridische mededeling - Privacybeleid