Procedure : 2015/2512(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0015/2015

Ingediende teksten :

B8-0015/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.8
CRE 15/01/2015 - 11.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0013

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 122kWORD 55k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0006/2015
12.1.2015
PE547.438v01-00
 
B8-0015/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de zaak van de twee Italiaanse mariniers (2015/2512(RSP))


Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Marco Valli, Tiziana Beghin namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de zaak van de twee Italiaanse mariniers (2015/2512(RSP))  
B8‑0015/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in het bijzonder artikel 14 daarvan,

–       gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de aanvullende protocollen bij dit verdrag,

–       gezien de Universele Verklaring van de rechten van de Mens,

–       gezien het VN-Zeerechtverdrag,

–       gezien de opmerkingen van voorzitter Barroso van 29 januari 2014 na zijn vergadering met de Italiaanse premier Enrico Letta en het bezoek van de Italiaanse regering aan de Commissie,

–       gezien de verklaringen van zowel de Commissie als haar vicevoorzitter / de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, over de zaak van de Italiaanse mariniers Massimiliano Latorre en Salvatore Girone,

–       gezien de verklaring van de woordvoerder van de VN Stéphane Dujarric van 6 januari 2015,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat op 15 februari 2012 voor de kust van Kerala in Zuid-India een incident heeft plaatsgevonden waarin twee lokale vissers gedood zijn en twee Italiaanse marineofficieren, Massimiliano Latorre and Salvatore Girone, door de politie van Kerala gerarresteerd zijn;

B.     overwegende dat de twee Italiaanse militairen zich op de Italiaanse olietanker Enrica Lexie bevonden, dienst hadden en hun taken uitvoerden in het kader van een missie tegen piraterij uit hoofde van resoluties 1970 (2011) en 1973 (2011) van de VN-Veiligheidsraad;

C.     overwegende dat dit heeft geleid tot een internationaal incident waarin absolute onzekerheid heerst over de toekomst van de twee Italianen, aangezien bijna drie jaar later geen formele aanklachten in verband met het schietincident ingediend zijn;

D.     overwegende dat op 12 september 2014 de Indiase autoriteiten de heer Latorre toestemming hebben gegeven om voor vier maanden voor een medische behandeling naar Italië terug te keren nadat hij in gevangenschap een beroerte had gehad; overwegende dat de heer Latorre op 6 januari 2015 een hartoperatie heeft ondergaan, maar dat hij nog steeds medische verzorging nodig heeft; overwegende dat de heer Girone momenteel nog in India is;

E.     overwegende dat op 16 december 2014 het Hooggerechtshof in New Delhi de verzoeken van de twee mariniers om versoepeling van de voorwaarden van hun voorlopige vrijlating heeft afgewezen; overwegende dat de heer Latorre verzocht heeft om verlenging van zijn verblijf voor medische behandeling in Italië en dat de heer Girone verzocht heeft om toestemming om de kerstperiode met zijn familie door te brengen;

F.     overwegende dat de ongelofelijke vertraging die het proces heeft opgelopen en het feit dat geen enkele aanklacht tegen de twee Italiaanse marineofficieren ingediend is, schendingen van de mensenrechten en van het recht op een eerlijk proces vormen;

G.     overwegende dat deze zaak ook gevolgen heeft voor de wereldwijde strijd tegen piraterij, waarvoor de EU zich sterk inzet;

H.     overwegende dat op 15 oktober 2014, de toenmalige vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (vv/hv), Catherine Ashton, het gedrag van de Indiase autoriteiten veroordeeld heeft en de Italiaanse regering aangespoord heeft om een snelle en bevredigende oplossing te vinden in overeenstemming met het VN-Zeerechtverdrag en het internationaal recht;

I.      overwegende dat de vv/hv, Federica Mogherini, op 16 december 2014 heeft benadrukt dat deze zaak gevolgen voor de betrekkingen tussen de EU en India kan hebben;

J.      overwegende dat het Parlement op 10 mei 2012 een resolutie heeft aangenomen over zeepiraterij waarin staat dat "op volle zee, overeenkomstig het internationaal recht, in alle gevallen, dus ook bij maatregelen ter bestrijding van piraterij, de nationale jurisdictie van de vlaggenstaat op het schip in kwestie van toepassing is, evenals op de militairen die aan boord werkzaam zijn" en erop gewezen wordt dat "geen andere autoriteiten dan die van de vlaggenstaat kunnen gelasten tot aanhouding of detentie van een schip, zelfs als het een onderzoeksmaatregel betreft";

K.     overwegende dat de Italiaanse regering het gedrag van de Indiase autoriteiten en hun gebrekkige samenwerking sterk heeft bekritiseerd, en overwegende dat op 17 december 2014 de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, Paolo Gentiloni, heeft aangekondigd de Italiaanse ambassadeur in India op korte termijn voor raadpleging te zullen terugroepen;

L.     overwegende dat op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, elke EU-burger rechtstreeks het EU-burgerschap krijgt, en overwegende dat de EU er rechtstreeks belang bij heeft haar burgers te ondersteunen in internationale geschillen zoals het geschil rond de twee Italiaanse EU-burgers Massimiliano Latorre en Salvatore Girone;

M.    overwegende dat de EU een centrale rol speelt wat betreft de eerbiediging van de mensenrechten zowel in Europa als op internationaal niveau;

1.      betreurt het gedrag van de Indiase autoriteiten bij de afhandeling van de zaak van de Italiaanse mariniers en is van mening dat het ontbreken van elke vorm van aanklacht tegen de twee militairen en de ongelofelijke vertraging die het proces heeft opgelopen schendingen van de mensenrechten en van het recht op een eerlijk proces vormen op grond van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, dat India ondertekend heeft;

2.      uit ernstige bezorgdheid over de juridische onzekerheid omtrent de zaak van de twee Italiaanse mariniers; is van mening dat het onacceptabel is dat na drie jaar de militairen nog altijd hun lot niet kennen;

3.      betreurt ten zeerste het besluit van het Hooggerechtshof om de verzoeken van de heer Latorre en de heer Girone om versoepeling van de voorwaarden van hun voorlopige vrijlating af te wijzen; wijst op de gezondheidstoestand van de heer Latorre en op het feit dat hij medische ondersteuning dient te krijgen in het land waarin hij geopereerd is;

4.      ondersteunt de inspanningen van de Italiaanse regering om een oplossing voor de zaak te vinden, maar is van mening dat de EU de plicht heeft om tussenbeide te komen om de rechten van haar burgers te beschermen;

5.      neemt kennis van de bezorgdheid van de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, over het lopende geschil met India en over de gevolgen ervan voor de gezamenlijke inspanningen voor vrede en internationale veiligheid; verzoekt de VN om al haar bevoegdheden in te zetten om een oplossing voor de situatie te bespoedigen;

6.      verzoekt de Indiase autoriteiten om de twee mariniers zo spoedig mogelijk permanent naar Italië te laten terugkeren, onder toepassing van de regel betreffende de nationale jurisdictie van de vlaggenstaat in overeenstemming met het internationaal recht, waarom het reeds heeft verzocht in zijn resolutie van 10 mei 2012;

7.      spoort de vv/hv ertoe aan om alle noodzakelijke maatregelen te nemen die een oplossing van het diplomatieke incident dichterbij kunnen brengen, maar in de eerste plaats ter bescherming van de twee Italiaanse mariniers;

8.      verzoekt de Commissie en de Raad om rekening te houden met de zaak van de twee mariniers bij de onderhandelingen over handelsovereenkomsten met India en om de mogelijkheid te onderzoeken om de lopende onderhandelingen over een vrijhandelsovereenkomst op te schorten en om verdere maatregelen te nemen, waaronder het instellen van handelssancties;

9.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van Italië, de secretaris-generaal van de VN en de regering en het parlement van India.

Juridische mededeling - Privacybeleid