Procedure : 2014/3011(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0036/2015

Ingediende teksten :

B8-0036/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.10
CRE 15/01/2015 - 11.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0014

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 129kWORD 57k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0036/2015
12.1.2015
PE547.459v01-00
 
B8-0036/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de vrijheid van meningsuiting in Turkije: recente arrestaties van journalisten en leidinggevende mediamedewerkers en systematische pressie op media (2014/3011(RSP))


Kati Piri, Knut Fleckenstein, Victor Boștinaru, Tanja Fajon, Miroslav Poche, Victor Negrescu, Richard Howitt, Alessia Maria Mosca, Goffredo Maria Bettini, Alessandra Moretti, Liisa Jaakonsaari, Sorin Moisă, Tonino Picula, Javi López, Marlene Mizzi, Nicola Caputo, Pier Antonio Panzeri, Michela Giuffrida, Arne Lietz, Zigmantas Balčytis, Afzal Khan namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de vrijheid van meningsuiting in Turkije: recente arrestaties van journalisten en leidinggevende mediamedewerkers en systematische pressie op media (2014/3011(RSP))  
B8‑0036/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Turkije,

–       gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken van 16 december 2014,

–       gezien de verklaring van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 15 december 2014,

–       gezien de gezamenlijke verklaring van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie en de commissaris voor het Europees Nabuurschapsbeleid en Uitbreidingsonderhandelingen van 14 december 2014,

–       gezien het voortgangsverslag over Turkije 2014 van 8 oktober 2014,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de Turkse politie op 14 december 2014 journalisten en leidinggevende mediamedewerkers hebben gearresteerd, waaronder Ekrem Dumanlı, hoofdredacteur van de krant 'Zaman', en Hidayet Karaca, directeur van de omroeporganisatie Samanyolu; overwegende dat in een door een rechter in Istanbul uitgevaardigd arrestatiebevel staat dat zij het voorwerp van een strafrechtelijk onderzoek zijn wegens de vorming van een organisatie die "door middel van pressie, intimidatie en bedreigingen heeft getracht de staatsmacht naar zich toe te trekken" en daarbij gebruik heeft gemaakt van "leugens, vrijheidsberoving en valsheid in geschrifte";

B.     overwegende dat de politie-invallen en de arrestatie van een aantal journalisten en mediavertegenwoordigers niet stroken met de mediavrijheid; overwegende dat degenen die zijn aangehouden "verwachten dat het beginsel van het vermoeden van onschuld zal zegevieren en herinneren aan het onvervreemdbare recht op een onafhankelijk en transparant onderzoek in geval van veronderstelde onregelmatigheden, onder volledige eerbiediging van de rechten van de verdachten";

C.     overwegende dat een aantal van de in december 2014 gearresteerde personen inmiddels is vrijgelaten; overwegende dat een rechtbank in Istanbul op 19 december 2014 bekend maakte dat Ekrem Dumanlı voorwaardelijk zou worden vrijgelaten en dat voor hem een reisverbod zou gelden hangende het strafrechtelijke onderzoek, maar dat Hidayet Karaca in hechtenis zou blijven totdat het onderzoek is afgerond; overwegende dat een rechtbank in Istanbul op 31 december 2014 het bezwaar van een officier van justitie tegen de vrijlating van Ekrem Dumanlı en zeven andere personen heeft verworpen;

D.     overwegende dat de intimiderende verklaringen van politici en de gerechtelijke stappen tegen kritische journalisten in combinatie met de eigendomsstructuur van de mediasector hebben geleid tot wijdverbreide zelfcensuur van media-eigenaren en journalisten, alsmede tot het ontslag van journalisten;

E.     overwegende dat de media grotendeels in handen zijn van concerns wier belangen veel verder gaan dan de vrije informatiestroom;

F.     overwegende dat de reactie van de regering op de beschuldigingen van corruptie in december 2013 ernstige twijfels doet rijzen omtrent de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht, en heeft aangetoond dat de onverdraagzaamheid ten aanzien van politieke oppositie, openbaar protest en kritische media toeneemt;

G.     overwegende dat de Turkse regering prioriteit moet verlenen aan het vraagstuk van de mediavrijheid en moet voorzien in een adequaat juridisch kader dat pluriformiteit garandeert, overeenkomstig de internationale normen; herinnert aan de pogingen van de regering om de toegang tot de sociale media te blokkeren, aan haar restrictieve benadering van de vrijheid van meningsuiting en aan de pressie die op media en journalisten wordt uitgeoefend;

1.      veroordeelt de recente politie-invallen en de hechtenis van een aantal journalisten en mediavertegenwoordigers in Turkije; herinnert eraan dat een vrije en pluriforme pers een essentieel element van een democratie vormt, net als een reguliere rechtsgang en onafhankelijkheid van de rechter; benadrukt daarom dat het noodzakelijk is dat, wat betreft deze laatste ronde van arrestaties, in alle zaken a) uitvoerige en transparante informatie wordt verschaft inzake de beschuldigingen tegen de verdachten, b) de verdachten volledige toegang krijgen tot belastend bewijsmateriaal evenals het volledige recht op verdediging, en c) een deugdelijke afhandeling van de zaken wordt gewaarborgd teneinde onverwijld en buiten gerede twijfel te verifiëren of de beschuldigingen op waarheid berusten; benadrukt dat door dit optreden de eerbiediging van de vrijheid van de media, een kernbeginsel van de democratie, op losse schroeven komt te staan;

2.      uit zijn bezorgdheid over de terugval op het gebied van democratische hervormingen en met name over de afnemende tolerantie van de regering ten opzichte van publiekelijk protest en kritische media; onderstreept het belang van persvrijheid en eerbiediging van de democratische waarden voor het EU-uitbreidingsproces en bekrachtigt zijn overtuiging dat het nodig is de toetredingsonderhandelingen met Turkije voort te zetten;

3.      benadrukt dat een aantal bepalingen uit het Turkse rechtskader en de interpretatie ervan door leden van de rechterlijke macht een hinderpaal blijven vormen voor de vrijheid van meningsuiting, met inbegrip van de mediavrijheid; herinnert eraan dat vrijheid van meningsuiting en pluriformiteit van de media, ook de digitale en sociale media, centrale Europese waarden zijn, en dat een onafhankelijke pers essentieel is voor een democratische samenleving, aangezien zij burgers in staat stelt geïnformeerd deel te nemen aan de collectieve besluitvorming en daardoor de democratie versterkt;

4.      uit zijn ernstige bezorgdheid over het aantal journalisten dat in voorlopige hechtenis zit, en dringt er bij de gerechtelijke autoriteiten van Turkije op aan deze zaken zo spoedig mogelijk te toetsen en te behandelen;

5.      onderstreept dat er een einde moet komen aan rechtszaken tegen journalisten en auteurs, alsmede aan de talloze ontslagen en de intimidatie, pesterijen en andere vormen van pressie ten aanzien van kritische media en journalisten; benadrukt dat dergelijke acties journalisten belemmeren bij het uitvoeren van hun professionele taken, zoals het inlichten van het publiek over gevallen van corruptie en andere kwesties die van publiek belang zijn, en hen beletten hun recht op vrije meningsuiting uit te oefenen, met als gevolg wijdverbreide zelfcensuur bij media-eigenaren en journalisten; herinnert eraan dat het recht om informatie te verspreiden, te delen en te ontvangen is verankerd in het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Turkije partij is;

6.      roept de Turkse autoriteiten op de bepalingen van het juridisch kader die worden gebruikt om de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering en het recht op toegang tot informatie te beperken, aan een herziening te onderwerpen en deze in overeenstemming te brengen met de internationale normen; dringt er bovendien op aan een einde te maken aan de pressie en intimidatie ten aanzien van kritische media en journalisten;

7.      merkt op dat een verbod op een website vaak een onevenredige reikwijdte heeft, zoals blijkt uit het feit dat er in augustus 2014 meer dan 50 000 sites in Turkije niet toegankelijk waren, terwijl er slechts 6 000 op last van de rechtbank waren verboden;

8.      constateert dat het actieplan ter voorkoming van schendingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet voorziet in een herziening van alle relevante bepalingen in de antiterreurwet of het wetboek van strafrecht die zijn gebruikt om de vrijheid van meningsuiting te beknotten; benadrukt dat de hervorming van deze wetten de hoogste prioriteit moet genieten;

9.      is van mening dat de recente ontwikkelingen waarbij de mediavrijheid en de vrijheid van meningsuiting worden beknot, laten zien dat er meer en niet minder engagement nodig is tussen Turkije en de EU, met name wat betreft de rechtsstaat en hervormingen op het gebied van grondrechten;

10.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie en de regering en het parlement van Turkije.

Juridische mededeling - Privacybeleid