Procedure : 2014/3011(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0044/2015

Ingediende teksten :

B8-0044/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/01/2015 - 11.10
CRE 15/01/2015 - 11.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0014

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 127kWORD 191k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0036/2015
12.1.2015
PE547.467v01-00
 
B8-0044/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de vrijheid van meningsuiting in Turkije: recente arrestaties van journalisten en leidinggevende mediamedewerkers en systematische pressie op media (2014/3011(RSP))


Takis Hadjigeorgiou, Neoklis Sylikiotis, Patrick Le Hyaric, Josu Juaristi Abaunz, Curzio Maltese, João Ferreira, Inês Cristina Zuber, Miguel Viegas, Lidia Senra Rodríguez, Javier Couso Permuy, Paloma López Bermejo, Marina Albiol Guzmán, Ángela Vallina, Kostas Chrysogonos, Georgios Katrougkalos, Kostadinka Kuneva, Sofia Sakorafa, Marie-Christine Vergiat namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de vrijheid van meningsuiting in Turkije: recente arrestaties van journalisten en leidinggevende mediamedewerkers en systematische pressie op media (2014/3011(RSP))  
B8‑0044/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–       gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, en met name artikel 19,

–       gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van 1950, en met name het recht op vrijheid van meningsuiting,

–       gezien het voortgangsverslag 2014 van de Commissie inzake Turkije,

–       gezien de conclusies van de Raad van 16 december 2014,

–       gezien zijn eerdere resoluties over de voortgangsverslagen inzake Turkije en gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over de situatie in Turkije(1),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat bij politiële acties op 14 december 2014 in dertien Turkse steden 31 personen zijn gearresteerd, vooral journalisten, schrijvers en redacteuren, waaronder de hoofdredacteur van de krant Zaman en de voorzitter van de omroep Samanyolu; overwegende dat nog altijd vier personen opgesloten zitten;

B.     overwegende dat deze personen volgens officiële bronnen zijn gearresteerd omdat zij ervan worden verdacht een terroristische organisatie te hebben opgericht of te steunen of lid van een dergelijke organisatie te zijn of ervan worden verdacht propaganda te hebben gemaakt tegen de religieuze gemeenschap Tahsiye in Turkije, door te beweren dat deze organisatie deel zou uitmaken van een terroristische organisatie;

C.     overwegende dat deze arrestaties worden beschouwd als optreden tegen critici van de regering en als onderdrukking van de politieke oppositie;

D.     overwegende dat artikel 125 van de Turkse grondwet op grond waarvan laster strafbaar is gesteld, artikel 301, dat belediging van de Turkse natie strafbaar stelt en betrekking heeft op strafbare feiten gericht tegen de openbare orde en het constitutioneel bestel, en de antiterreurwet en de perswet zijn gebruikt om de vrijheid van meningsuiting te beperken;

E.     overwegende dat kranten die publiceren over de Koerdische kwestie of die in het Koerdisch publiceren voortdurend onder druk worden gezet en dat journalisten die voor deze kranten werken niet meer mogen werken of gevangen worden gezet wegens het verspreiden van terroristische propaganda;

F.     overwegende dat ook buitenlandse journalisten met arrestatie worden bedreigd, meest recentelijk de Nederlandse journaliste Frederike Geerdink, werkzaam vanuit Diyarbakir, die op 6 januari 2015 werd opgepakt wegens "propaganda voor een terroristische organisatie" en Mehmet Ülgur, die bij zijn aankomst op de luchthaven op 7 januari 2015 werd gearresteerd omdat hij een foto had genomen in een rechtbank;

G.     overwegende dat deze voortdurende campagne van intimidatie en ontslag van journalisten vanwege hun vermeende niet-regeringsgezindheid heeft geleid tot zelfcensuur van journalisten en de media;

H.     overwegende dat Turkije een van de landen is met de meeste gevangengenomen of gearresteerde journalisten en dat er volgens statistieken van de OVSE in juni 2014 22 journalisten gevangen zaten;

I.      overwegende dat de arrestaties en de campagne tegen critici van de regering niet gezien moeten worden als losstaand fenomeen, maar verband houden met de algehele teneur van het binnenlands en buitenlands beleid; overwegende dat deze arrestaties zich voordoen op het moment dat het conflict tussen de voormalige bondgenoten Recep Tayyip Erdogan en Fethullah Gülen escaleert en er verschillende corruptiezaken lopen tegen leden van de regering en leden van de familie Erdogan, alsmede de zaak Ergenekon;

J.      overwegende dat de gebeurtenissen die in juni en juli 2013 hebben plaatsgevonden in verband met het Gezi-park niet vergeten moeten worden;

K.     overwegende dat op 6 december 2014 98 werknemers van het Maltepe universitair ziekenhuis in Istanboel zijn ontslagen omdat zij lid waren van de progressieve vakbond voor personeel in de gezondheidszorg;

L.     overwegende dat Turkije als kandidaat-land voor toetreding tot de EU gebonden is aan de criteria van Kopenhagen en verplicht is de democratie te eerbiedigen en te bevorderen en de democratische rechten en vrijheden en de mensenrechten, waaronder de vrijheid van meningsuiting, te versterken;

M.    overwegende dat in het voortgangsverslag 2014 van de Commissie over Turkije uitvoerig en kritisch wordt ingegaan op de situatie met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting in het land en dat de Commissie haar zorgen uitspreekt over deze situatie;

N.     overwegende dat de regering in haar economisch beleid neo-liberale doelen nastreeft die ertoe leiden dat de kloof tussen arm en rijk steeds dieper wordt en er steeds meer mensen tot armoede vervallen;

O.     overwegende dat het regionaal beleid van de president van Turkije aangemerkt kan worden als neo-Ottomaans en duidelijke expansionistische trekken heeft;

P.     overwegende dat Turkije een negatieve invloed heeft op de interne situatie in Syrië, doordat het land geen belemmeringen opwerpt voor de doorvoer van wapens en de doorreis van zogenaamde strijders, onder meer afkomstig uit EU-landen, naar Syrië; overwegende dat Turkije ervan wordt beschuldigd samen te werken met de "Islamitische Staat", met name in het geval van de stad Kobane, waar verdedigers van de stad werden tegengewerkt;

Q.     overwegende dat Turkije opnieuw een Navtex heeft doen uitgaan, waarbij het land zich delen van de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus toe-eigent, hetgeen neerkomt op een inbreuk op de soevereiniteit van Cyprus en leidt tot verdere toename van de spanningen in het oostelijke gedeelte van de Middellandse Zee;

R.     overwegende dat Turkije in strijd handelt met het internationale recht en de goede nabuurschapsbetrekkingen, waaronder die met enkele EU-lidstaten, onder druk zet, dit terwijl het land zelf kandidaat-lid is;

1.      veroordeelt met klem de arrestaties van en campagnes tegen journalisten, schrijvers en redacteuren die ten doel hebben critici van de regering en aanhangers van de oppositie de mond te snoeren, en dringt aan op hun onmiddellijke vrijlating en op de vrijlating van alle politieke gevangenen;

2.      veroordeelt het feit dat de autoriteiten ingrijpen in en druk uitoefenen op het rechtsstelsel en dringt aan op eerbiediging van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

3.      herinnert eraan dat Turkije als kandidaat voor toetreding tot de EU gehouden is te voldoen aan de criteria van Kopenhagen en verzoekt de Raad en de Commissie van Turkije strikte naleving van deze criteria te verlangen;

4.      dringt er bij de Raad en de Commissie op aan niet langer meer gewicht toe te kennen aan economische en handelsbelangen dan aan de eerbiediging van het internationale recht en de mensenrechten en fundamentele vrijheden;

5.      wenst dat de antiterrorismewetgeving wordt ingetrokken;

6.      beschouwt het ingrijpen van Turkije in Syrië als een schending van het internationale recht en verzoekt Turkije daar onmiddellijk mee te stoppen;

7.      veroordeelt het feit dat Turkije opnieuw een Navtex heeft doen uitgaan en eist dat dit bericht onmiddellijk wordt herroepen, dat alle Turkse schepen zich terugtrekken uit de exclusieve economische zone van Cyprus en dat er gewerkt wordt aan goede nabuurschapsbetrekkingen en aan normalisatie van de betrekkingen met alle EU-lidstaten;

8.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de secretaris-generaal van de Raad van Europa, de voorzitter van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en de Grote Nationale Assemblee van de Republiek Turkije.

 

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0277.

Juridische mededeling - Privacybeleid