Procedure : 2015/2530(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0122/2015

Ingediende teksten :

B8-0122/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/02/2015 - 9.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0032

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 139kWORD 72k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0122/2015
4.2.2015
PE547.526v01-00
 
B8-0122/2015

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over terrorismebestrijdingsmaatregelen (2015/2530(RSP))


Sophia in ‘t Veld, Javier Nart namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over terrorismebestrijdingsmaatregelen (2015/2530(RSP))  
B8‑0122/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de artikelen 2, 3, 6, 7 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 16, 20, 67, 68, 70, 71, 72, 75, 82, 83, 84, 85, 86, 87 en 88 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 6, 7, 8, 10, lid 1, 11, 12, 21, 47 tot 50, 52 en 53,

–       gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(1),

–       gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA(2),

–       gezien het verslag van Europol voor 2014 over de stand van zaken en de tendensen in verband met het terrorisme in de EU (TE-SAT),

–       gezien de dreigingsevaluatie van Europol voor 2014 inzake door internet gefaciliteerde georganiseerde criminaliteit (Internet Organised Crime Threat Assessment, iOCTA),

–       gezien de dreigingsevaluatie van Europol voor 2013 inzake zware en georganiseerde criminaliteit in de EU (Serious and Organised Crime Threat Assessment, SOCTA),

–       gezien advies 01/2014 van de Werkgroep gegevensbescherming artikel 29 over de toepassing van noodzakelijkheids- en evenredigheidsconcepten en gegevensbescherming binnen de wethandhavingssector,

–       gezien de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 24 september 2014 over terroristische daden die een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid (Resolutie 2178(2014)),

–       gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(3),

–       gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(4),

–       gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(5),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 20 juni 2014 over het laatste verslag over de tenuitvoerlegging van de EU-interneveiligheidsstrategie 2010-2014 (COM(2014)0365),

–       gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over verlenging van de interneveiligheidsstrategie voor de EU(6),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de eerbiediging van de grondrechten en de rechtsstatelijke beginselen van essentieel belang is voor een geslaagd terrorismebestrijdingsbeleid;

B.     overwegende dat de recente tragische gebeurtenissen in Parijs ons eraan hebben herinnerd dat de Europese Unie geconfronteerd wordt met een voortdurende, zich steeds verder ontwikkelende terreurdreiging, die het afgelopen decennium verscheidene lidstaten zwaar heeft getroffen in de vorm van aanslagen, niet alleen op mensen, maar ook op de waarden en vrijheden waarop de Unie gegrondvest is;

C.     overwegende dat veiligheid een van de rechten is die in het Handvest van de grondrechten van de EU worden gegarandeerd, hetgeen een open en transparant debat verdient over de uiteindelijke doelstelling, namelijk ieders veiligheid waarborgen en zorgen voor juridische en publieke aanvaarding van de te nemen maatregelen;

D.     overwegende dat voor de bestrijding van terrorisme en radicalisering die op lange termijn tot geweld leidt, dient te worden uitgegaan van een transversale aanpak op alle niveaus, die o.a. berust op cohesiebevorderende maatregelen, onderwijs en – in bredere zin – sociaaleconomische beleidsmaatregelen;

E.     overwegende dat de terreurdreiging in de EU zowel een interne als een externe dimensie heeft;

F.     overwegende dat de omvang van de uitdaging waarvoor de Unie staat, tot een respons noopt waarbij het meest geschikte en relevante maatregelenniveau duidelijk wordt aangegeven, zonder dat een eventueel noodzakelijk Verdragsaanpassing wordt uitgesloten, en bedacht wordt dat er op alle niveaus instrumenten voor democratische controle moeten bestaan; overwegende dat het ontbreken van een duidelijke definitie van het begrip nationale veiligheid voor de lidstaten regelmatig aanleiding is geweest om beperkingen te stellen aan de bundeling van deskundigheid, het delen van informatie en de versterking van de samenwerking op Europees niveau, met als argument dat de betrokken materie – veiligheid – binnen hun exclusieve bevoegdheid valt;

G.     overwegende dat bij alle aanslagen die de afgelopen tien jaar zijn gepleegd, de daders bekend waren bij diverse inlichtingendiensten en soms ook direct bij wetshandhavingsinstanties, en dat er duidelijke tekortkomingen zijn geconstateerd bij het delen en doorgeven van de beschikbare informatie door autoriteiten, hetzij op nationaal hetzij op Europees niveau; overwegende dat door de versnippering van de informatie die op nationaal vlak beschikbaar is over terroristische bedreigingen, deze informatie niet optimaal kan worden gebruikt;

H.     overwegende dat de verschuiving van de middelen bij inlichtingendiensten, waardoor de nadruk sterker is komen te liggen op het lukraak vergaren van gegevens en het aanleggen van talloze databanken met de resultaten van programma's voor massale gegevensverzameling, van invloed is geweest op de capaciteit van die diensten op het gebied van menselijke inlichtingen – een instrument dat, zo wijzen eerdere aanslagen uit, node is gemist;

I.      overwegende dat door het zich snel ontwikkelende karakter van ernstige grensoverschrijdende misdrijven zoals terrorisme, de grenzen van de Europese capaciteit op het gebied van politiële en justitiële samenwerking vaak duidelijk zijn geworden, hetgeen te wijten is aan een gebrek aan integratie bij de samenwerking inzake wetshandhaving en de beperkte harmonisatie van het justitiële kader, die nodig is om de daders efficiënt te kunnen vervolgen;

J.      overwegende dat in preventiestrategieën tegen terrorisme moet worden uitgegaan van een veelzijdige benadering gericht op het rechtstreeks tegengaan van de voorbereiding van aanslagen op het EU-grondgebied, maar ook op de aanpak van de fundamentele oorzaken van terrorisme, bijvoorbeeld door op te treden tegen radicalisering die tot geweld leidt, door te reageren op terroristische propaganda, door leemten in de maatschappelijke integratie aan te pakken en door kritieke factoren te benoemen;

K.     overwegende dat de terrorismebestrijdingsmaatregelen die sinds de aanslagen van 11 september zijn genomen, soms niet doeltreffend zijn uitgevoerd of wegens de specifieke context waarin ze zijn goedgekeurd, onvoldoende rekening hebben gehouden met het feit dat alle grondrechten moeten worden gewaarborgd en dat eventuele aantasting van deze rechten moet worden ingedamd door ten aanzien van de nagestreefde doelen de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht te nemen; overwegende dat het Hof van Justitie in zijn arrest in gevoegde zaken C-293/12 en C-594/12 de richtlijn gegevensbewaring ongeldig heeft verklaard;

L.     overwegende dat naar goed wetgevingsgebruik de presentatie van nieuwe instrumenten tegen terrorisme vergezeld moet gaan van een grondige evaluatie van de bestaande instrumenten en de toepassing daarvan, om vast te stellen welke hiaten in de uitvoering en mazen in de wet nadere aandacht behoeven;

1.      spreekt zijn medeleven uit met de slachtoffers van de recente terroristische aanslagen in Parijs en hun families en met de slachtoffers van terrorisme overal ter wereld; verzoekt alle lidstaten Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten snel en efficiënt ten uitvoer te leggen;

2.      verzoekt de Commissie en de Raad hun steun te verlenen aan een nieuwe routekaart voor de bestrijding van terrorisme die een doeltreffend antwoord biedt op bestaande dreigingen en daadwerkelijk de veiligheid van allen garandeert en daarbij de rechten en vrijheden waarborgt die de grondbeginselen van het Europese project vormen;

3.      onderstreept in het bijzonder dat de Europese Unie, haar lidstaten en haar partnerlanden hun strategie ter bestrijding van het internationale terrorisme moeten baseren op de regels van de rechtsstaat en op de eerbiediging van de grondrechten; benadrukt bovendien dat de externe acties van de Unie ter bestrijding van het internationale terrorisme zich in de eerste plaats dienen te richten op preventie en onderstreept de noodzaak om tussen verschillende culturen en godsdiensten een dialoog op gang te brengen, de onderlinge verdraagzaamheid te bevorderen en begrip voor elkaar te kweken;

4.      dringt er opnieuw bij de Commissie en de Raad op aan de EU-maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding en daaraan gerelateerde gebieden aan een gedegen beoordeling te onderwerpen, en daarbij met name te bekijken hoe ze in de lidstaten in nationale wetgeving zijn omgezet en in de praktijk ten uitvoer worden gelegd, en in welke mate de lidstaten samenwerken met de relevante EU-agentschappen, meer bepaald Europol en Eurojust, en, middels de procedure zoals bedoeld in artikel 70 VWEU, de resterende leemten te beoordelen, en deze beoordeling gelijktijdig met de Europese veiligheidsagenda te publiceren;

Noodzaak tot het delen van inlichtingen en informatie op EU-niveau

5.      verzoekt om de oprichting van een Europese instantie voor het delen, uitwisselen en proactief doorgeven van informatie afkomstig van nationale inlichtingendiensten, met als langetermijndoelstelling dat het delen van nationale inlichtingen over terroristische bedreigingen verplicht wordt;

6.      wijst erop dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen wetshandhaving en het vergaren van inlichtingen ten behoeve van de nationale veiligheid; wenst dat de oprichting van een dergelijke instantie vergezeld gaat van de invoering van een behoorlijke Verdragsgrondslag en een juridisch kader dat waarborgen voor de rechten van burgers biedt en mechanismen voor democratische controle omvat;

7.      verzoekt de lidstaten optimaal gebruik te maken van bestaande platformen, databanken en waarschuwingssystemen op Europees niveau, zoals het Schengen-Informatiesysteem (SIS), het Europol-Informatiesysteem (EIS), het Europol-Brandpunt reizigers en het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS);

8.      wenst dat er verdere verplichtingen aan de lidstaten worden opgelegd, waardoor zij informatie over ernstige misdrijven en terrorisme via SIS-rapportage verplicht moeten delen en daarmee de efficiëntie van de bestaande instrumenten verbeteren;

9.      wijst erop dat de eventuele goedkeuring in de toekomst van een instrument voor de verzameling, verwerking en opslag van persoonsgegevens voor wetshandhavingsdoeleinden moet passen binnen een duidelijk omschreven, daartoe bestemd globaal kader;

10.    verzoekt de Commissie haar voorstel voor een juridisch kader voor de verzameling van passagiersgegevens in de gehele EU zodanig te herzien dat het in overeenstemming is met het primaire recht van de EU en de meest recente jurisprudentie; dringt aan op snelle en gelijktijdige goedkeuring van het gegevensbeschermingspakket, o.a. door middel van goedkeuring van een algemene oriëntatie in de Raad die aansluit bij de in Richtlijn 95/46/EU vastgelegde minimumnormen;

11.    stelt met klem dat bij elk toekomstig instrument waarbij het gaat om de verzameling van persoonsgegevens, de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid in acht moeten worden genomen;

Verbetering van de capaciteiten voor interne veiligheid en wetshandhaving

12.    ziet in dat de samenwerking tussen de wetshandhavingsautoriteiten en de rol van Europol moeten worden versterkt; maakt in dit verband zijn bereidheid kenbaar om met de Raad samen te werken met het oog op een akkoord over een vernieuwd rechtskader voor Europol;

13.    verzoekt de Commissie een voorstel in overweging te nemen voor de oprichting van een Europees Centrum voor terrorismebestrijding, als pendant van het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3);

14.    wijst erop dat het ook van essentieel belang is dat de nationale wetgeving de professionaliteit van de politie waarborgt en dat er op Europees en nationaal niveau voor wordt gezorgd dat bij politie- en surveillancewerkzaamheden de grondrechten worden geëerbiedigd; is in dit verband verheugd over het voorstel van de Commissie voor een vernieuwd rechtskader voor het Europese Politiecollege (CEPOL);

15.    wenst dat het acquis van Schengen intact blijft en wordt verdedigd tegen pogingen om de huidige veiligheidsdreiging politiek te benutten om de vrijheid van verkeer te ondergraven;

16.    verzoekt de lidstaten ten volle gebruik te maken van alle instrumenten waarover zij reeds beschikken om het Schengengebied en het grondgebied van de Unie te beveiligen, o.a. door aan de buitengrenzen van de EU de reisdocumenten van alle personen – ongeacht hun nationaliteit – te controleren om hun identiteit vast te stellen en door bij elke controle de relevante databanken volgens een flexibele interpretatie van de Schengengrenscode te raadplegen;

17.    onderstreept dat de kwestie van de ouderlijke toestemming voor minderjarigen die het grondgebied van de lidstaat waar zij wonen willen verlaten – momenteel wordt hieraan in de EU op uiteenlopende wijze invulling gegeven – dient ook aan de orde te worden gesteld om na te gaan of een verplichte toestemming op EU-niveau noodzakelijk is;

18.    betreurt de onwil van de Raad om vooruitgang te boeken met de voorgestelde alomvattende strategie voor cyberveiligheid, waarin de visie van de EU is neergelegd op de beste manier om cyberaanvallen te voorkomen en erop te reageren;

Aanpassing van het Europese justitiële kader met het oog op ernstige grensoverschrijdende criminaliteit

19.    onderstreept dat het justitiële kader op Europees niveau moet worden aangepast en verbeterd met het oog op een doeltreffende vervolging van ernstige grensoverschrijdende misdrijven zoals terrorisme; spreekt in dit verband zijn steun uit voor een efficiënt wetgevingsproces dat zonder verdere vertraging moet leiden tot een hervormd Eurojust, waardoor de uitwisseling van informatie over vervolgingen en veroordelingen zou verbeteren;

20.    is van mening dat de mogelijkheid van verplichte melding van vervolgingen op het gebied van terrorisme aan Eurojust moet worden verkend en dat de synergie tussen Eurojust en Europol op hun respectieve bevoegdheidsterreinen moet worden versterkt;

21.    wenst dat de goedkeuring van de versterking van Eurojust parallel moet lopen met het voorstel tot oprichting van een Europees openbaar ministerie;

22.    dringt aan op een breder mandaat voor het Europees openbaar ministerie waaronder ook bepaalde categorieën ernstige grensoverschrijdende misdrijven, zoals terrorisme en georganiseerde misdaad, vallen, zodat justitie efficiënter kan reageren en sterker preventief kan optreden;

23.    is verheugd over de aanstaande goedkeuring op Europees niveau van een geactualiseerd rechtskader voor de bestrijding van witwaspraktijken, een beslissende stap die op alle niveaus moet worden gezet om effect te sorteren en zo een belangrijke geldbron voor terroristische organisaties aan te pakken;

24.    wijst er met klem op dat het toezicht op en de bestrijding van terrorismefinanciering, georganiseerde misdaad en illegale handel moeten worden geïntensiveerd in het kader van een alomvattende strategie die zich richt op de diverse financieringsbronnen waarmee terroristische organisaties en projecten momenteel worden ondersteund;

25.    dringt aan op herziening van de vuurwapenrichtlijn (Richtlijn 91/477/EEG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2008/51/EG) om de informatie-uitwisseling op dit gebied te verbeteren en de Europese respons op dit fenomeen beter te coördineren; is van mening dat het bestrijden van de wapenhandel voor de EU een prioriteit zou moeten zijn in het kader van de aanpak van de zware en de georganiseerde internationale misdaad;

Bestrijding van de fundamentele oorzaken van terrorisme en radicalisering die tot geweld leidt

26.    benadrukt dat intensivering van de veiligheids- en surveillancemaatregelen om terrorisme tegen te gaan, waarover momenteel een debat wordt gevoerd, niet het enige aspect mag zijn dat in een toekomstige Europese respons centraal staat; wijst erop dat de preventie en aanpak van radicalisering die tot geweld leidt van centraal belang is om de langetermijndoelstelling van bescherming van de Europese Unie tegen terroristische bedreigingen te kunnen realiseren;

27.    verzoekt de Commissie de lidstaten steun te verlenen bij de aanpak van de factoren die ten grondslag liggen aan radicalisering en extremisme die tot geweld leiden, en bij het uitstippelen van preventiestrategieën waarin onderwijs, maatschappelijke integratie, anti-discriminatiemaatregelen en de interculturele en interreligieuze dialoog aan bod komen;

28.    dringt aan op goedkeuring van een aanbeveling van de Raad inzake nationale strategieën voor de preventie van radicalisering die tot geweld leidt , waarin wordt ingegaan op de brede scala van factoren die aan radicalisering ten grondslag liggen, en aanbevelingen aan de lidstaten worden gedaan voor het opzetten van reclasserings- en deradicaliseringsprogramma's;

29.    wenst dat er speciale aandacht wordt besteed aan gevangenissen en de detentieomstandigheden en dat er gerichte maatregelen worden genomen tegen radicalisering in die omgeving;

30.    steunt de goedkeuring van een Europese strategie om terroristische propaganda, radicale netwerken en online-aanwerving tegen te gaan, waarbij wordt voortgebouwd op werkzaamheden en initiatieven die al op intergouvernementele en vrijwillige basis zijn ontplooid met het oog verdere uitwisseling van goede praktijken en succesvolle methoden op dit gebied, en een bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van een ander verhaal dat zich richt tot de personen die gewoonlijk door aanwervers worden benaderd;

31.    is er vast van overtuigd dat er in preventiestrategieën ook strategische aandacht moet zijn voor steunverlening aan gemeenschapsleiders die zich inzetten voor deradicalisering, met prioriteit voor maatregelen gericht op het lokale en gemeenschapsniveau, waaronder de ontwikkeling en productie van tegentoespraken en een communicatiestrategie voor bepaalde publieksgroepen;

32.    stelt dat als men wil dat een strategie die zich richt op de fundamentele oorzaken van terrorisme en radicalisering die tot geweld leiden, doeltreffend en geloofwaardig is, dan moet daarin ook op positieve wijze de nadruk worden gelegd op de fundamentele waarden waarop de Unie gegrondvest is; dringt in dit verband aan op de goedkeuring van een EU-pact inzake democratisch bestuur, waarmee een bindend instrument wordt geschapen dat geleidelijk moet zorgen voor daadwerkelijke naleving van de beginselen van democratie en grondrechten binnen de Unie;

33.    verzoekt de Commissie met alle bij het internet betrokken partijen in overleg te treden met het oog op de vaststelling van gemeenschappelijke normen op EU-niveau en de formulering van een antwoord op terrorisme en cybercriminaliteit dat de veiligheid dient, waarbij fragmentering van het internet moet worden voorkomen;

34.    beveelt de oprichting van een uit deskundigen en bedrijfsvertegenwoordigers bestaande stuurgroep aan die een gecoördineerde beleidsrespons moet formuleren op kwesties als toegang, verwijdering van content en samenwerking met politie en justitie, en beveelt aan dat de EU vervolgens gemeenschappelijke normen vaststelt zodat bedrijven het beleid inzake toegang, content en verwijdering op uniforme wijze uitvoeren;

35.    wijst erop dat een strategie voor de omgang met internet moet waarborgen dat de mensenrechten en de fundamentele vrijheden – zoals het recht op een persoonlijke levenssfeer, gegevensbescherming, een eerlijk proces en rechtsmiddelen – zowel online als offline dezelfde bescherming genieten;

Goedkeuring van een externe strategie van de EU voor de bestrijding van het internationale terrorisme

36.    verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een externe strategie van de EU voor de bestrijding van het internationale terrorisme goed te keuren om het vraagstuk van het internationale terrorisme bij de wortel aan te pakken en van de terreurbestrijding een vast onderdeel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid te maken; verzoekt EDEO binnen de EU-delegaties in derde landen de functie van "veiligheidsattaché" te creëren;

37.    verzoekt de Commissie en EDEO een strategie te ontwikkelen voor samenwerking met derde landen bij de terreurbestrijding en daarbij toe te zien op eerbiediging van de internationale mensenrechtennormen, met name het recht op een behoorlijk proces;

38.    dringt er bij EDEO en de lidstaten op aan prioriteit toe te kennen aan de samenwerking met buurlanden, in het bijzonder Turkije, op het gebied van terreurbestrijding, grenscontrole en migratie, met inbegrip van een gezamenlijk Europees visumbeleid tussen de lidstaten en Turkije;

39.    wijst op een nieuw fenomeen, de hybride oorlog, waarvan het door de overheid ondersteunde terrorisme een dimensie is en nieuwe methoden voor de terroristische oorlogvoering deel uitmaken, zoals aanvallen op economische en informatiedoelen en cyberaanvallen;

40.    wijst op het belang van bestrijding van armoede en ongelijkheid op de hele wereld, de bevordering van vreedzame oplossingen voor internationale en nationale crises en de verlichting van menselijk lijden waar het ook voorkomt, en dringt er bij de EU op aan om bij de bevordering van onze waarden en doelstellingen in ons externe beleid niet met twee maten te meten;

41.    steunt de uitvoering van het Verdrag inzake gezamenlijke defensie en economische samenwerking van de Liga van Arabische Staten om het hoofd te bieden aan de gevaren in de Arabische regio als gevolg van de golf van jihadistisch extremisme dat zich verspreidt via Islamitische Staat (IS), de Houthi's in Jemen en andere groeperingen; dringt aan op voortzetting van de pogingen om centrale actoren in de Arabische wereld ertoe te bewegen de oorlogen op afstand in Libië, Syrië, Irak en Jemen op te geven, hun financiële steun aan milities te beëindigen en via onderhandelingen naar oplossingen te streven die de vrede en de stabiliteit in de regio dienen;

42.    dringt aan op grotere inspanningen voor de totstandbrenging van een Europese defensiecapaciteit en de versterking van de samenwerking met de buurlanden en strategische derde landen, met name door het verstrekken van opleidingsondersteuning, technische adviezen in het veld en steun voor de offensieve capaciteit en door met de lokale strijdkrachten rechtstreeks militair actief te worden;

43.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, alsmede aan de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 45.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0418.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.

(5)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0102.

Juridische mededeling - Privacybeleid