Procedure : 2015/2530(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0125/2015

Ingediende teksten :

B8-0125/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/02/2015 - 9.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0032

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 144kWORD 63k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0122/2015
4.2.2015
PE547.530v01-00
 
B8-0125/2015

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over terrorismebestrijdingsmaatregelen (2015/2530(RSP))


Laura Ferrara, Ignazio Corrao, Tiziana Beghin, Fabio Massimo Castaldo, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over terrorismebestrijdingsmaatregelen (2015/2530(RSP))  
B8‑0125/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–      gezien de artikelen 2, 3 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–       gezien de desbetreffende artikelen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–       gezien resolutie 2178(2014) van de VN-Veiligheidsraad van 24 september 2014 over terroristische daden die een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid,

–       gezien de terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie van 2005(1),

–       gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het EU-beleid inzake terrorismebestrijding: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(2),

–       gezien de herziene EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering van terroristen(3),

–       gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht,

–       gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA(4),

–       gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(5),

–       gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(6),

–       gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(7),

–       gezien de interneveiligheidsstrategie van de EU,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat veel Europeanen de bloedige aanslag van 7 januari 2015 op het satirische weekblad Charlie Hebdo hebben aangevoeld als een aanval op hun waarden en hun levenswijze, en overwegende dat deze aanslag een grote weerslag heeft gehad op de perceptie van de openbare veiligheid door de burgers van de EU;

B.     overwegende dat terrorisme een ernstige bedreiging vormt voor de internationale vrede, veiligheid en democratie, met als doel pluralistische samenlevingen te ondermijnen;

C.     overwegende dat racisme en vreemdelingenhaat een rechtstreekse schending vormen van de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, beginselen waarop de EU is gegrondvest en die de lidstaten gemeen hebben;

D.     overwegende dat de strijd tegen terrorisme hoofdzakelijk een nationale bevoegdheid is en dat in alle lidstaten al wetgeving en maatregelen inzake terrorismebestrijding bestaan;

E.     overwegende dat het er niet op aankomt nieuwe maatregelen ter bestrijding van terrorisme in te voeren maar wel beter gebruik te maken van de bestaande regels, mechanismen en maatregelen; overwegende dat wetshandhavingsinstanties de bestaande mogelijkheden maximaal moeten benutten en nauwer moeten samenwerken, onder meer door de justitiële en politiële samenwerking te versterken middels de oprichting van gezamenlijke onderzoeksteams en met de hulp van EU-agentschappen zoals Europol, Eurojust en de Europese Politieacademie (Cepol);

F.     overwegende dat de eerbiediging van de grondrechten van essentieel belang is voor een geslaagd terrorismebestrijdingsbeleid; overwegende dat veel maatregelen die ter bestrijding van terrorisme getroffen zijn, gebonden zouden moeten zijn aan de eerbiediging van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de rechtsstatelijke beginselen, en in geen geval burgers hun burgerlijke vrijheden en hun recht op democratisch toezicht mogen ontnemen;

G.     overwegende dat het beleid en maatregelen ter bestrijding van terrorisme in de eerste plaats gericht moeten zijn op het beschermen en versterken van de structuur van democratische samenlevingen door de burgerlijke vrijheden en de democratische controle te versterken, de veiligheid van de bevolking te waarborgen, de uitvoerders van terreurdaden te identificeren en te vervolgen, de gevolgen van terroristische aanslagen te ondervangen en de nadruk te leggen op de preventie van gewelddadig extremisme en escalaties;

H.     overwegende dat een brede strategie voor terrorismebestrijding maatregelen moet omvatten om sociale integratie te versterken, gedrag dat aanzet tot geweld of haat te veroordelen en te bestraffen, maatregelen te ontwikkelen en uit te voeren die radicalisering voorkomen en tegengaan, grensoverschrijdende justitiële en politiële samenwerking te versterken, en een uniforme juridische definitie van het begrip "profilering" op te stellen, uitgaande van de desbetreffende grondrechten en normen inzake gegevensbescherming;

I.      overwegende dat de doeltreffendheid van het terrorismebestrijdingsbeleid aan de voormelde doelen moet worden afgemeten,

1.      spreekt zijn medeleven uit met de slachtoffers van de recente terroristische aanslagen in Parijs, met hun families en met de slachtoffers van terrorisme overal ter wereld;

2.      vraagt de lidstaten Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten correct ten uitvoer te leggen;

3.      herhaalt zijn toegewijdheid aan het handhaven van de vrijheid van meningsuiting, de grondrechten, democratie, verdraagzaamheid en de rechtsstaat;

4.      wijst er nogmaals op dat doeltreffende terrorismebestrijding en de eerbiediging van de mensenrechten elkaar niet uitsluiten maar veeleer complementaire en elkaar versterkende doelstellingen zijn;

5.      onderstreept in het bijzonder dat de EU, haar lidstaten en haar partnerlanden hun strategie ter bestrijding van het internationale terrorisme moeten baseren op de regels van de rechtsstaat en op de eerbiediging van de grondrechten; benadrukt bovendien dat het externe optreden van de Unie ter bestrijding van het internationale terrorisme in de eerste plaats gericht moet zijn op preventie, en onderstreept de noodzaak om tussen verschillende culturen en godsdiensten een dialoog op gang te brengen, de onderlinge verdraagzaamheid te bevorderen en begrip voor elkaar te kweken;

6.      wijst erop dat, net als bij eerdere aanslagen, de daders van de aanslagen in Parijs reeds bekend waren bij de veiligheidsautoriteiten en het voorwerp hadden uitgemaakt van onderzoeken en toezichtsmaatregelen; beklemtoont dat hieruit blijkt dat veiligheids- en wetshandhavingsdiensten nauwer moeten samenwerken middels een betere uitwisseling van gegevens en informatie waarover zij reeds beschikken, in het kader van een doeltreffend gebruik van de EU-databanken, en middels samenwerking met EU-agentschappen;

7.      dringt er bij de Commissie en de Raad op aan de EU-maatregelen op het gebied van terrorismebestrijding en daaraan gerelateerde gebieden aan een gedegen beoordeling te onderwerpen, en daarbij met name te bekijken hoe ze in de lidstaten in nationale wetgeving zijn omgezet en in de praktijk ten uitvoer worden gelegd, en in welke mate de lidstaten samenwerken met de relevante EU-agentschappen, meer bepaald Europol en Eurojust, en, middels de procedure zoals bedoeld in artikel 70 VWEU, de resterende leemten te beoordelen, en deze beoordeling gelijktijdig met de Europese veiligheidsagenda te publiceren;

8.      eist dat er democratisch en gerechtelijk toezicht wordt gehouden op het terrorismebestrijdingsbeleid, en benadrukt dat maatregelen ter bestrijding van terrorisme die achteraf gezien onnodig, ondoeltreffend en onevenredig blijken, moeten worden ingetrokken; benadrukt ook dat schendingen van de grondrechten moeten worden onderzocht en rechtgezet, en dat er nieuwe vormen van democratisch toezicht moeten worden ontwikkeld op grond van de bevoegdheden die het Verdrag van Lissabon toekent aan het Europees Parlement en de nationale parlementen;

Een alomvattende aanpak om radicalisering tegen te gaan en terrorisme te bestrijden

9.      vraagt om bij de inspanningen ter voorkoming dat mensen zich bij terreurnetwerken aansluiten, de klemtoon te leggen op het belang van sociale samenhang en de sociale, psychologische en economische factoren die tot sociale uitsluiting en marginalisering bijdragen, te onderzoeken en naar behoren aan te pakken;

10.    verzoekt de lidstaten te investeren in onderwijsbeleid en -programma's die gelijke kansen eerbiedigen en sociale discriminatie vanaf de eerste schooljaren verminderen, onder meer door leerkrachten te scholen in sociale zaken en diversiteit;

11.    waarschuwt ervoor dat het gebrek aan toekomstperspectieven als gevolg van armoede en werkloosheid ertoe kan leiden dat mensen zich machteloos voelen en zelfs op destructieve wijze voor zichzelf gaan opkomen door lid te worden van jihadistische organisaties dan wel extremistische bewegingen;

12.    roept de lidstaten op meer inspanningen te leveren om armoede te bestrijden, een minimuminkomen te garanderen, werkgelegenheidsperspectieven te bieden, mensen autonomer te maken en te eerbiedigen, belemmeringen voor werkgelegenheid te verminderen en discriminatie op de arbeidsmarkt aan te pakken;

13.    onderstreept dat discriminatie radicaliserings- en geweldpatronen in de hand kan werken; benadrukt dat gelijkheids- en non-discriminatienormen moeten worden aangevuld met specifieke beleidsstrategieën om alle vormen van racisme, met inbegrip van antisemitisme en islamofobie, tegen te gaan;

14.    spreekt zijn steun uit voor programma's die etnische en religieuze minderheden leren het heft in eigen hand te nemen om de sociale en economische status van hun respectieve gemeenschappen op middellange en lange termijn te helpen verbeteren;

15.    is van mening dat het bestrijden van de illegale wapenhandel voor de EU een prioriteit zou moeten zijn in het kader van de aanpak van de zware en de georganiseerde internationale misdaad; vindt met name dat gewerkt moet worden aan het verbeteren van de mechanismen voor het uitwisselen van informatie en het traceren en vernietigen van verboden wapens; beklemtoont daarnaast dat de lidstaten zich strikt zouden moeten houden aan het gemeenschappelijk standpunt inzake het vaststellen van gemeenschappelijke regels voor het toezicht op de export van militaire technologie en materieel;

16.    dringt aan op de snelle tenuitvoerlegging van de onlangs vastgestelde antiwitwasrichtlijn en op de uitvoering van belangrijke instrumenten, zoals het netwerk van de financiële-inlichtingeneenheden van de EU en het programma van de EU en de VS voor het traceren van terrorismefinanciering;

17.    dringt er bij de lidstaten op aan volledig en beter gebruik te maken van de bestaande instrumenten in het kader van Schengen en de nodige middelen voor Frontex uit te trekken om ervoor te zorgen dat de buitengrenzen van de EU doeltreffend worden beheerd;

18.    vraagt de Commissie het EU-PNR-voorstel te toetsen aan de criteria die het Hof van Justitie in het arrest over de richtlijn gegevensbewaring vastgesteld heeft;

19.    onderstreept dat maatregelen voor het beperken van de grondrechten op het internet in het kader van terrorismebestrijding noodzakelijk en evenredig moeten zijn, en met name moeten stoelen op een geëigende definitie van terrorisme, waar het op dit moment evenwel aan ontbreekt; benadrukt voorts dat het verwijderen van criminele inhoud plaats moet vinden op basis van toestemming door een rechtbank en niet op basis van particuliere 'recherche-activiteiten' van internetproviders, anders loert het gevaar om de hoek dat ook tal van andere uitdrukkingsvormen die niets met terrorisme te maken hebben, worden geblokkeerd; wijst erop dat dictatoriale regimes in derde landen de EU-aanpak ongetwijfeld zullen trachten over te nemen;

20.    dringt aan op snelle goedkeuring van het gegevensbeschermingspakket, o.a. door middel van goedkeuring van een algemene oriëntatie in de Raad met inachtneming van de in Richtlijn 95/46/EU vastgelegde minimumnormen;

21.    verzoekt de lidstaten de onderlinge justitiële samenwerking middels de beschikbare EU-instrumenten, zoals het Europees Strafregisterinformatiesysteem (European Criminal Records Information System, Ecris), het Europees arrestatiebevel en het Europees onderzoeksbevel, te verbeteren en daarbij het evenredigheidsbeginsel en de grondrechten te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten snel akkoord te gaan met alle maatregelen die in het kader van de routekaart inzake procedurele rechten voorgesteld zijn en in een volgend stadium knopen door te hakken met betrekking tot voorlopige hechtenis en detentievoorwaarden;

22.    beklemtoont dat het doel van onze strafrechtsystemen moet zijn mensen herop te voeden en weer in de samenleving te integreren; verzoekt de lidstaten een beleid uit te stippelen om gedetineerden de nodige technische vaardigheden bij te brengen om hun toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen en hun re-integratie in de maatschappij te vergemakkelijken en te ondersteunen;

Externe dimensie

23.    vindt dat we de verleiding moeten weerstaan om, zoals in het verleden, onder inroeping van veiligheid, stabiliteit en de strijd tegen extremisme, met autoritaire regimes in zee te gaan, aangezien dit niet alleen kortzichtig maar ook ondoeltreffend is;

24.    dringt aan op betere veiligheidssamenwerking met derde landen en met name de zuidelijke buurlanden; benadrukt dat dergelijke samenwerking – gaande van de uitwisseling van inlichtingen tot de rechtsstaat, justitiële hervormingen en strafrechtsplegingsprogramma's – strikt in overeenstemming met het internationaal recht moet verlopen en niet ten koste mag gaan van andere doelstellingen van het extern beleid, met name de bevordering van de mensenrechten, de rechtsstaat en democratisering;

25.    roept de EU op haar strategie voor de landen aan de zuidkant van de Middellandse Zee (in het kader van de lopende evaluatie van het Europees nabuurschapsbeleid) tegen het licht te houden en zich te concentreren op het verlenen van steun aan die landen die er blijk van geven onze waarden te delen en bereid zijn tot hervormingen;

26.    verzoekt de EU de fundamentele oorzaken van extremisme aan te pakken en daarbij geen repressieve trends te bevorderen of te ondersteunen maar haar inspanningen op te voeren ter ondersteuning van inclusieve, pluralistische en goed functionerende landen die hun burgers gerechtigheid en veiligheid kunnen bieden en religieus extremisme kunnen aanpakken op een wijze die strookt met de mensenrechtenwetgeving;

27.    dringt aan op meer transparantie, verantwoording en wettigheid bij besluiten op het gebied van buitenlands beleid met betrekking tot terrorismebestrijding;

28.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 

(1)

Document van de Raad nr. 14469/2005.

(2)

PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 45.

(3)

Document van de Raad nr. 15175/2008.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0418.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0173.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.

(7)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

Juridische mededeling - Privacybeleid