Procedure : 2015/2530(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0127/2015

Ingediende teksten :

B8-0127/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 11/02/2015 - 9.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0032

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 147kWORD 210k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0122/2015
4.2.2015
PE547.532v01-00
 
B8-0127/2015

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over terrorismebestrijdingsmaatregelen (2015/2530(RSP))


Birgit Sippel, Jörg Leichtfried, Claude Moraes, Enrique Guerrero Salom, Juan Fernando López Aguilar, Miriam Dalli, Ana Gomes, Christine Revault D'Allonnes Bonnefoy, Viorica Dăncilă namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over terrorismebestrijdingsmaatregelen (2015/2530(RSP))  
B8‑0127/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de artikelen 2, 3, 6, 7 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 4, 16, 20, 67, 68, 70, 71, 72, 75, 82, 83, 84, 85, 86, 87 en 88 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 6, 7, 8, 10, lid 1, 11, 12, 21, 47 tot 50, 52 en 53,

–       gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het terrorismebestrijdingsbeleid van de EU: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(1),

–       gezien zijn resolutie van 10 oktober 2013 over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA(2),

–       gezien advies 01/2014 van de Werkgroep gegevensbescherming artikel 29 over de toepassing van noodzakelijkheids- en evenredigheidsconcepten en gegevensbescherming binnen de wethandhavingssector,

–       gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(3),

–       gezien zijn resolutie van 12 maart 2014 over het surveillanceprogramma van de NSA in de VS, toezichthoudende instanties in verschillende lidstaten en gevolgen voor de grondrechten van EU-burgers en voor de trans-Atlantische samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken(4),

–       gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(5),

–       gezien zijn resolutie van 17 december 2014 over verlenging van de interneveiligheidsstrategie voor de EU(6),

–       gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Het EU-scorebord voor justitie – Een instrument ter bevordering van een doeltreffende justitie en groei" (COM(2013)0160),

–       gezien het EU-corruptiebestrijdingsverslag van de Commissie van 3 februari 2014,

–       gezien de conclusies over terrorismebestrijding van de Raad Buitenlandse Zaken van 19 januari 2015, en in het bijzonder het besluit om de uitwisseling van informatie met partnerlanden te verbeteren en om de versterkte samenwerking met Arabische landen en landen in het gebied van de Middellandse Zee te bevorderen, waaronder middels een Memorandum of Understanding met de Arabische Liga,

–       gezien het strategisch kader en het actieplan voor mensenrechten en democratie van de EU van 25 juni 2012,

–       gezien het arrest van het Hof van Justitie van 8 april 2014 in de gevoegde zaken C‑293/12 en C‑594/12, Digital Rights Ireland ltd and Seitlinger and others, en het advies van de Juridische Dienst van het Parlement over de interpretatie van dit arrest(7),

–       gezien resolutie nr. 2178 (2014) van 24 september 2014 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat terrorisme, radicalisering en gewelddadig extremisme tot de belangrijkste bedreigingen van onze veiligheid en vrijheden behoren; overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben om de EU-burgers te beschermen;

B.     overwegende dat de eerbiediging van de grondrechten van essentieel belang is voor een geslaagd terrorismebestrijdingsbeleid;

C.     overwegende dat de verschillende zware terroristische aanslagen in de EU sinds 11 september, en meest recent in januari 2015, een grote impact gehad hebben op het veiligheidsgevoel van de burgers en inwoners van de EU;

D.     overwegende dat terroristische aanvallen wereldwijd en het verlies van burgerlevens ten gevolge daarvan binnen de EU eveneens een bron van grote bezorgdheid zijn;

E.     overwegende dat de terroristische dreiging tegenwoordig ook uitgaat van een staat gesteund en gesponsord terrorisme, economisch terrorisme, informatieterrorisme en ‑oorlogsvoering en cyberaanvallen;

F.     overwegende dat de toename van racisme, waaronder antisemitisme en islamofobie, het onveiligheidsgevoel van EU-burgers verder aanwakkert;

G.     overwegende dat de EU sinds 11 september 239 terrorismebestrijdingsmaatregelen heeft genomen: 26 actieplannen en strategiedocumenten, 25 verordeningen, 15 richtlijnen, 11 kaderbesluiten, 25 besluiten, 1 gemeenschappelijk optreden, 3 gemeenschappelijke standpunten, 4 resoluties, 111 conclusies van de Raad en 8 internationale overeenkomsten(8);

H.     overwegende dat er dringend behoefte is aan een uniforme juridische definitie van het begrip "terrorisme" om de juridische zekerheid te verhogen;

I.      overwegende dat er dringend behoefte is aan een uniforme juridische definitie van het begrip "profilering", uitgaande van de relevante grondrechten en normen inzake gegevensbescherming, om de onzekerheid te verkleinen over de vraag welke activiteiten verboden zijn en welke niet;

J.      overwegende dat uit cijfers van de Europese Commissie voor de efficiëntie van justitie (CEPEJ) blijkt dat er grote verschillen bestaan op het vlak van de investeringen die de lidstaten doen in hun strafrechtstelsels(9);

1.      spreekt zijn diepe medeleven uit met de slachtoffers van de recente terroristische aanslagen in Parijs, in de regio Ile-de-France en in de rest van de wereld, alsook met hun families;

2.      beklemtoont dat beleid ter bescherming en ondersteuning van de slachtoffers en hun families een essentieel onderdeel van de bestrijding van terrorisme moet zijn; dringt er derhalve bij alle lidstaten op aan Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten correct ten uitvoer te leggen;

3.      veroordeelt zeer krachtig en categoriek alle terroristische daden, de bevordering van terrorisme, de verheerlijking van bij terrorisme betrokken personen en het verdedigen van extremistische gewelddadige ideologieën, waar ter wereld deze ook plaatsvinden of worden verdedigd; benadrukt dat er geen vrijheid kan zijn zonder veiligheid en geen veiligheid zonder vrijheid;

4.      herhaalt dat terrorisme in al zijn vormen en uitingen een van de ernstigste bedreigingen voor de internationale vrede en veiligheid vormt en dat elke terroristische daad, wanneer dan ook en door wie dan ook begaan, crimineel en niet te rechtvaardigen is, wat de beweegredenen ook mogen zijn;

5.      herbevestigt zijn engagement om het fundamentele recht van burgers op veiligheid en vrijheid te waarborgen;

6.      herhaalt zijn toegewijdheid aan het handhaven van de vrijheid van meningsuiting, de grondrechten, democratie, verdraagzaamheid en de rechtsstaat;

7.      onderstreept in het bijzonder dat de EU, haar lidstaten en haar partnerlanden hun strategie ter bestrijding van het internationale terrorisme moeten baseren op de regels van de rechtsstaat en op de eerbiediging van de grondrechten, zoals die zijn verankerd in het Europese acquis over grondrechten en in internationale mensenrechtenwetgeving; benadrukt bovendien dat de externe acties van de Unie ter bestrijding van het internationale terrorisme zich dienen te richten op het voorkomen, tegengaan en vervolgen van terrorisme;

8.      wijst erop dat de daders van terroristische aanslagen vaak reeds bekend zijn bij de veiligheidsautoriteiten en het voorwerp hebben uitgemaakt van onderzoeken en toezichtsmaatregelen; uit zijn bezorgdheid over de mate waarin bestaande gegevens over deze personen hadden kunnen worden uitgewisseld tussen veiligheidsautoriteiten, en waar nodig, met collega's van andere lidstaten; verzoekt de lidstaten de uitwisseling van voor terrorismebestrijding relevante informatie te verbeteren, zowel tussen elkaar als, waar nodig, met derde landen, in het kader van een doeltreffend gebruik van de EU-gegevensbanken en middels betere samenwerking met EU-agentschappen;

9.      vraagt de lidstaten de volledige samenwerking met gespecialiseerde agentschappen, in het bijzonder Eurojust en Europol, te garanderen, om aan lopende onderzoeken naar terroristische aanvallen in Europa de best mogelijke steun te verstrekken; uit zijn bezorgdheid over het feit dat blijkt dat de lidstaten slechts 50 % van hun informatie over terrorisme en georganiseerde misdaad aan Europol en Eurojust overmaken;

10.    dringt er bij de Commissie en de Raad op aan de EU-terrorismebestrijdingsmaatregelen en daaraan gerelateerde maatregelen aan een gedegen beoordeling te onderwerpen, en daarbij met name te bekijken hoe ze in de lidstaten in nationale wetgeving zijn omgezet en in de praktijk ten uitvoer worden gelegd, en in welke mate de lidstaten samenwerken met de relevante EU-agentschappen, meer bepaald Europol en Eurojust, en, middels de procedure zoals bedoeld in artikel 70 VWEU, de resterende leemten te beoordelen, en deze beoordeling in mei 2015 gelijktijdig met de Europese veiligheidsagenda te publiceren; vraagt de Commissie eveneens de eventuele resterende leemten op het vlak van vervolging te onderzoeken;

11.    vraagt dat degelijk democratisch en justitieel toezicht uitgeoefend wordt op terrorismebestrijdingsmaatregelen en inlichtingenactiviteiten; wijst erop dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen wetshandhavingsactiviteiten en inlichtingenactiviteiten; onderstreept dat maatregelen die achteraf niet noodzakelijk, niet doeltreffend en/of niet evenredig blijken, ingetrokken moeten worden, dat mensenrechtenschendingen onderzocht en gecorrigeerd moeten worden en dat nieuwe vormen van democratisch toezicht ontwikkeld moet worden, stoelend op de bevoegdheden die het Verdrag van Lissabon toekent aan het Europees Parlement en de nationale parlementen; benadrukt het standpunt dat de bedoelde maatregelen en overeenkomsten vergezeld moeten gaan van "uitdovings"- of periodieke herbevestigingsclausules;

12.    is van mening dat in de hele EU een geharmoniseerde aanpak moet worden gehanteerd ten aanzien van nieuwe strafbare feiten in verband met het verontrustende verschijnsel van EU-burgers die naar het buitenland reizen om te trainen en te strijden met terroristische organisaties;

Een alomvattende aanpak om radicalisering tegen te gaan en terrorisme te bestrijden

13.    wijst erop dat in elke lidstaat reeds relevante wetgeving op het gebied van terrorismebestrijding en daaraan gerelateerde maatregelen bestaan:

–  het vergelijken van de paspoortgegevens van reizigers met gegevensbanken van bekende criminelen en personen die de EU niet binnen mogen (het systeem voor het op voorhand afgeven van paspoortgegevens (Advance Passenger Information System, APIS));

–  het verifiëren door de wetshandhavingsautoriteiten van de telefoon- en reizigersgegevens van verdachten en zelfs groepen verdachten wanneer zij in verband worden gebracht met een concrete bedreiging, en;

–  het (in het kader van het Schengen Information System) discreet in de gaten houden en snel arresteren en uitzetten van individuen wanneer zij een bedreiging voor de veiligheid vormen, plannen hebben om een strafbaar feit te plegen of ervan verdacht worden reeds een misdrijf te hebben gepleegd;

vraagt dat wetshandhavingsautoriteiten in de EU deze mogelijkheden ten volle benutten en hun samenwerking verbeteren, onder andere door middel van gezamenlijke onderzoeksteams en bijgestaan door EU-agentschappen zoals Europol, Eurojust en de Europese Politieacademie (CEPOL);

14.    is van mening dat het bestrijden van de wapenhandel voor de EU een prioriteit zou moeten zijn in het kader van de aanpak van de zware en de georganiseerde internationale misdaad; vindt dat met name gewerkt moet worden aan het verbeteren van de mechanismen voor het uitwisselen van informatie en het traceren en vernietigen van verboden wapens; is daarnaast van oordeel dat de lidstaten zich strikt moeten houden aan het gemeenschappelijk standpunt inzake het vaststellen van gemeenschappelijke regels voor toezicht op de export van militaire technologie en materieel; wenst dat de vuurwapenrichtlijn (Richtlijn 91/477/EEG, zoals gewijzigd door Richtlijn 2008/51/EG) wordt herzien;

15.    vindt dat strikt de hand gehouden moet worden aan de richtlijnen inzake het aanpakken van witwaspraktijken, teneinde de financiering van terrorisme en criminele netwerken en organisaties in een vroeg stadium te kunnen herkennen;

16.    wijst erop dat personen voor wie het recht van vrij verkeer geldt bij het passeren van de buitengrenzen van de EU ook nu reeds, gedurende een bepaalde periode, of op bepaalde routes, of bij bepaalde grensposten, aan gerichte controles onderworpen kunnen worden, afhankelijk van het dreigingsniveau; dringt er bij de lidstaten op aan volledig en beter gebruik te maken van het Schengen-kader en de hiervoor noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen, in plaats van te proberen opnieuw grenscontroles in te voeren bovenop de bestaande mogelijkheden;

17.    vraagt de Commissie het EU-PNR-voorstel formeel te toetsen aan de criteria die het Hof van Justitie in het arrest betreffende het bewaren van gegevens vastgesteld heeft; draagt zijn Juridische Dienst op uiterlijk zes weken na de aanneming van deze resolutie een vergelijkbare toetsing te verrichten; dringt er bij de lidstaten en de EU-instellingen op aan de systemen voor het verlenen van toegang tot het Schengengebied aan private burgervliegtuigen te herzien;

18.    vraagt de Commissie onderzoek te doen naar de gevaren die uitgaan van de maatregelen van verschillende lidstaten met betrekking tot "gouden visa", waardoor de toegang tot en de vestiging in de EU van criminele organisaties worden vergemakkelijkt en die voor terroristische doeleinden kunnen worden gebruikt;

19.    onderstreept dat maatregelen voor het beperken van de grondrechten op het internet in het kader van terrorismebestrijding noodzakelijk, evenredig en in overeenstemming met de wetgeving van de EU en de lidstaten moeten zijn, en, met name, moeten stoelen op een geëigende definitie van terrorisme, waar het op dit moment evenwel aan ontbreekt; is daarnaast van oordeel dat criminele inhoud op basis van toestemming door een rechtbank moet worden verwijderd en niet op basis van particuliere recherche-activiteiten van internetproviders;

20.    verwerpt het verbieden van versleuteling als een terrorismebestrijdingsmiddel; herhaalt zijn oproep betreffende het bevorderen van het encrypteren van communicatie in het algemeen, met inbegrip van communicatie via e‑mail en sms(10); onderstreept dat het verbieden van versleuteling een nadelige uitwerking op de bescherming van via communicatie overgedragen persoonsgegevens, commerciële en financiële netwerken, en overheids- en kritieke infrastructuursystemen zou hebben, en de deur zou openzetten voor intercepties door bijvoorbeeld criminelen;

21.    dringt aan op een snelle goedkeuring van het gegevensbeschermingspakket, o.a. door middel van goedkeuring van een algemene oriëntatie in de Raad die aansluit bij de in Richtlijn 95/46/EU vastgelegde minimumnormen;

22.    verzoekt de lidstaten de justitiële samenwerking middels de beschikbare EU-instrumenten, zoals het Europees Strafregisterinformatiesysteem (European Criminal Records Information System, Ecris), het Europees arrestatiebevel en het Europees onderzoeksbevel, te verbeteren en daarbij het evenredigheidsbeginsel en de grondrechten te eerbiedigen; verzoekt de lidstaten snel akkoord te gaan met alle maatregelen die in het kader van de routekaart inzake procedurele rechten voorgesteld zijn en in een volgend stadium knopen door te hakken met betrekking tot voorlopige hechtenis en detentievoorwaarden;

23.    benadrukt dat algemeen wordt aanvaard dat radicalisering en extremistische ideeën in de gevangenis worden gevoed en vraagt de lidstaten meer financiële en personele middelen te investeren om ervoor te zorgen dat hun gevangeniswezen (en strafrechtstelsels in het algemeen) gericht zijn op de re-integratie van misdadigers en hen helpen uit de misdaad en het gewelddadig extremisme te stappen in plaats van deze nog meer te omhelzen;

24.    beklemtoont dat economisch en sociaal beleid kunnen helpen bij het bestrijden van uitsluiting en segregatie en het opvangen van de gevolgen van de snelle sociaaleconomische veranderingen, die resulteren in grieven die vaak door gewelddadige extremisten misbruikt worden; vraagt derhalve om politieke oplossingen teneinde nieuwe manieren te vinden ter bevordering van economische en sociale inclusie, integratie en gelijkheid;

25.    vraagt de lidstaten te investeren in onderwijsprogramma's die de eerbiediging van menselijke waardigheid, tolerantie en gelijke kansen bevorderen en sociale discriminatie vanaf een jonge leeftijd verminderen; onderstreept dat dit ook opleidingen voor onderwijzers in maatschappelijke vraagstukken en diversiteit omvat;

26.    waarschuwt ervoor dat het gebrek aan toekomstperspectieven als gevolg van armoede, werkloosheid en sociale exclusie ertoe kan leiden dat mensen zich machteloos voelen en zelfs op destructieve wijze voor zichzelf gaan opkomen door lid te worden van jihadistische organisaties of extreemrechtse bewegingen; vraagt de lidstaten meer te doen op het gebied van het bestrijden van armoede, het bieden van werkgelegenheidsmogelijkheden, en de empowerment en het respecteren van individuen en gemeenschappen;

27.    benadrukt dat discriminatie radicaliserings- en geweldspatronen kan versterken; benadrukt dat gelijkheids- en non-discriminatienormen moeten worden aangevuld met specifieke beleidsstrategieën om alle vormen van racisme, met inbegrip van antisemitisme en islamofobie, en haatzaaiende taal tegen te gaan; vraagt de Commissie derhalve een eventueel noodzakelijke herziening van Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht grondig te onderzoeken teneinde de verspreiding van ernstige vormen van haatzaaiende taal, vooral ten aanzien van religieuze en andere minderheden in de EU, doeltreffender aan te pakken;

28.    vindt het zorgwekkend dat de praktijken die na 11 september ingang hebben gevonden, en met name de "profilering op basis van ras", onevenredige effecten op bepaalde gemeenschappen hebben gehad;

29.    onderstreept dat het initiëren en versterken van samenwerking met de verschillende gemeenschappen in de afzonderlijke lidstaten cruciaal zijn voor het in kaart brengen van specifieke risico's alsook als onderdeel van algemene deradicaliseringsstrategieën; benadrukt dat in dergelijke programma's fors moet worden geïnvesteerd; steunt programma's die etnische en religieuze minderheden in staat stellen een bijdrage te leveren aan het verbeteren van hun sociaaleconomische status, zowel op lokaal als regionaal niveau en op de middellange en lange termijn; wijst er in dit verband op dat in de EU radicalisering niet alleen bij bepaalde etnische of religieuze groeperingen voorkomt;

30.    benadrukt dat meer gespecialiseerde maatregelen moeten worden getroffen ten aanzien van het probleem van EU-burgers die naar het buitenland reizen om voor terroristische organisaties te strijden; bevestigt dat in sommige gevallen rechtsvervolging een uitweg kan bieden, maar dat andere maatregelen moeten worden toegepast om radicalisering te voorkomen, het afreizen van Europese en andere strijders onmogelijk te maken en terugkeerders aan te pakken; vraagt aan de lidstaten en de Commissie beste praktijken te ontwikkelen op basis van de praktijken van lidstaten die op dit vlak geslaagde strategieën, actieplannen en programma's hebben aangenomen;

Externe dimensie

31.    benadrukt dat terrorismebestrijding een mondiale uitdaging is en dat de EU samen met andere belangrijke actoren en regionale partners een drijvende kracht moet zijn achter het wereldwijd aanpakken van deze dreiging;

32.    benadrukt dat een samenhangend, geconsolideerd en proactief gemeenschappelijk buitenlands beleid noodzakelijk is, waarbij sterk de nadruk moet worden gelegd op samenwerking met derde landen die mogelijk waardevolle partners op het vlak van terrorismebestrijding kunnen worden;

33.    onderstreept dat de EU de politieke dialoog met de verschillende religieuze gemeenschappen moet versterken, teneinde iets te doen aan het idee (dat in het publieke debat steeds meer terrein wint) dat er een verband bestaat tussen terrorisme en religie; herhaalt dat de bestrijding van terrorisme nauwer verbonden moet zijn met kwesties als kwetsbaarheid, ontwikkeling en sociale inclusie;

34.    herbevestigt dat wij in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) tot een gemeenschappelijke aanpak moeten komen voor het bestrijden van terrorisme vanaf de ideologische basis ervan, dat wij moeten toezien op de naleving van deze aanpak en dat wij een duidelijk standpunt moeten innemen over de manier waarop terrorismefinanciering moet worden beteugeld; vraagt daarom om nauwere EU-samenwerking op het vlak van justitie en veiligheid en het aanpakken van religieus extremisme doorheen elke externe actie van de EU, met name via het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, het GVDB, ontwikkelingsbeleid, humanitaire hulp en handelsbeleid, op een wijze die strookt met EU-normen en mensenrechtenwetgeving;

35.    benadrukt dat de externe inspanningen op het gebied van capaciteitsopbouw ter voorkoming en bestrijding van radicalisering moeten worden opgevoerd en dat moet worden gewaarborgd dat dit werk integrerend deel uitmaakt van de actieplannen en politieke dialoog tussen de EU en haar partnerlanden door internationale samenwerking op poten te zetten, gebruik te maken van bestaande programma's en capaciteit, en samen te werken met het maatschappelijk middenveld in landen die van belang zijn voor de bestrijding van terrorisme en radicaal propaganda via het internet en andere communicatiemiddelen;

36.    dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de uitwisseling van informatie over illegale wapens op internationaal niveau te verbeteren;

37.    benadrukt dat strategieën ter preventie van radicalisering en gewelddadig extremisme in traditionele middelen en instrumenten van ontwikkelingssamenwerking moeten worden opgenomen, waaronder onderwijsprogramma's, vooral in de landen die met de grootste uitdagingen op het vlak van gewelddadig extremisme worden geconfronteerd;

38.    vraagt de Commissie en de lidstaten te onderzoeken of sancties kunnen worden getroffen tegen de staten en regeringen die verantwoordelijk zijn voor de financiering van terroristen en/of terroristische organisaties;

39.    benadrukt dat de procedures voor besluiten om een persoon of een groep op de EU-terroristenlijst te plaatsen correct en tijdig moeten worden gevolgd; benadrukt dat voor de betrokken personen en organisaties degelijk juridisch beroep tegen deze besluiten moet worden ingevoerd zodat de procedure in overeenstemming wordt gebracht met de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie;

40.    benadrukt dat bij terrorismebestrijdingsmaatreglen ook aandacht moet worden besteed aan de mogelijkheid van terroristische aanvallen op eigendommen van de EU-lidstaten buiten de EU;

41.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 

(1)

PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 45.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0418.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0230.

(5)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0102.

(7)

SJ-0890/14.

(8)

Zie http://secile.eu/catalogue-eu-counter-terrorism-measures/

(9)

Study on the functioning of judicial systems in the Member States, beschikbaar op http://ec.europa.eu/justice/effective-justice/files/cepj_study_scoreboard_2014_en.pdf

(10)

Zie de reeds vermelde resolutie van het Parlement van 12 maart 2014, paragraaf 107.

Juridische mededeling - Privacybeleid