Procedure : 2015/2559(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0142/2015

Ingediende teksten :

B8-0142/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/02/2015 - 4.6
CRE 12/02/2015 - 4.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0040

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 139kWORD 64k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0136/2015
9.2.2015
PE549.935v01-00
 
B8-0142/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS (2015/2559(RSP))


Elena Valenciano, Richard Howitt, Josef Weidenholzer, Ana Gomes, Vincent Peillon, Goffredo Maria Bettini, Nikos Androulakis, Gilles Pargneaux, Tonino Picula, Kati Piri, Nicola Caputo, Alessia Maria Mosca, Andi Cristea, Simona Bonafè, Viorica Dăncilă, Victor Negrescu, Marlene Mizzi, David Martin, Arne Lietz, Zigmantas Balčytis, Brando Benifei, Javi López namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS (2015/2559(RSP))  
B8‑0142/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Irak en Syrië,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Irak en Syrië, in het bijzonder die van 15 december 2014,

–       gezien de conclusies van de Europese Raad over Irak en Syrië van 30 augustus 2014,

–       gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–       gezien Resoluties 2139 (2014), 2165 (2014) en 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad en Resolutie S-221 van de VN-Mensenrechtenraad,

–       gezien het VN-rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië van 12 februari 2014: "Rule of Terror: Living under ISIS in Syria" (Terreurheerschappij: leven onder ISIS in Syrië) van 14 november 2014,

–       gezien de verklaringen over Irak en Syrië van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties,

–       gezien de verklaring van de NAVO-top van 5 september 2014,

–       gezien de op 24 juni 2013 goedgekeurde richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–       gezien de conclusies van de internationale conferentie over vrede en veiligheid in Irak, die op 15 september 2014 in Parijs is gehouden,

–       gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, en zijn wetgevingsresolutie van 17 januari 2013 over dat partnerschap(1),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de voortdurende gewelddadige crisis in Syrië tot een humanitaire ramp heeft geleid met een omvang die zijn weerga niet kent in de recente geschiedenis, en dat daarbij meer dan 200 000 mensen – merendeels burgers – omgekomen zijn, meer dan 7,6 miljoen in eigen land ontheemd zijn, en meer dan 12,2 miljoen Syriërs dringend hulp nodig hebben in Syrië zelf; overwegende dat meer dan 3,5 miljoen Syriërs hun land ontvlucht zijn, hoofdzakelijk naar Libanon (1 160 468 vluchtelingen), Turkije (1 623 839), Jordanië (621 773), Irak (235 563) en Egypte/Noord-Afrika (160 772);

B.     overwegende dat de humanitaire situatie in Irak blijft verslechteren en dat de behoeften toenemen; overwegende dat meer dan 5,2 miljoen mensen dringend behoefte hebben aan humanitaire hulp en dat meer dan 2,1 miljoen Irakezen in eigen land ontheemd zijn; overwegende dat 3,6 miljoen mensen in door IS gecontroleerd gebied wonen, waarvan 2,2 miljoen dringend behoefte aan hulp hebben, en dat deze mensen bijzonder moeilijk te bereiken zijn; overwegende dat Irak ook onderdak biedt aan meer dan 233 000 Syrische vluchtelingen;

C.     overwegende dat de Commissie op de humanitaire behoeften reageert door hulp te verlenen aan intern ontheemde Irakezen en Iraakse vluchtelingen in Jordanië, Libanon en Turkije, alsmede aan Syrische vluchtelingen in Irak; overwegende dat de EU en haar lidstaten in 2014 met 163 miljoen EUR aan verleende steun de op een na grootste donor waren; overwegende dat ook het EU-mechanisme voor civiele bescherming is geactiveerd om snel hulp en deskundigen naar de regio te kunnen sturen;

D.     overwegende dat IS/Daesh delen van Noordwest-Irak heeft ingenomen, waaronder de tweede stad van Irak, Mosul, gevolgd door standrechtelijke executies van Iraakse burgers, de invoering van een strenge interpretatie van de shariawetgeving, waarbij wrede en onmenselijke straffen worden opgelegd aan mannen, vrouwen en kinderen, de vernieling van sjiitische, soennitische, christelijke en soefi-gebedshuizen en ‑heiligdommen, en andere wreedheden gericht tegen de burgerbevolking, waarvan vooral vrouwen en kinderen het slachtoffer zijn geworden;

E.     overwegende dat IS/Daesh in Noord-Irak en Syrië begonnen is met systematische etnische zuiveringen en daarbij oorlogsmisdaden begaat tegen etnische en religieuze minderheden, zoals massale illegale executies en ontvoeringen; overwegende dat de VN inmiddels bericht hebben over gerichte moorden, gedwongen bekeringen, ontvoeringen, vrouwenhandel, slavernij van vrouwen en kinderen, aanwerving van kinderen voor zelfmoordaanslagen, seksueel en lichamelijk misbruik en foltering; overwegende dat christenen, jezidi's, Turkmenen, shabak, kaka'i, Sabeeërs en sjiieten het doelwit geworden zijn van IS/Daesh, net als vele soennitische moslims;

F.     overwegende dat de UNHCR bekend heeft gemaakt dat bijna 50 % van alle Syriërs zijn huis heeft moeten verlaten en dat 40 % van de vluchtelingen gedwongen in ondermaatse omstandigheden leeft; overwegende dat volgens de VN driekwart van de Syriërs in armoede leeft en het werkeloosheidspercentage in het land boven de 50 % ligt; overwegende dat twee derde van de Syrische vluchtelingen in Jordanië onder de armoedegrens leeft en dat 55 % van de vluchtelingen in Libanon in ondermaatse opvang leeft; overwegende dat in de gastlanden het geweld tegen en de discriminatie van vluchtelingen zijn toegenomen;

G.     overwegende dat het Midden-Oosten een strenge winter meemaakt en dat de UNHCR zijn winterhulp heeft uitgebreid met een programma ter waarde van 206 miljoen dollar om miljoenen kwetsbare personen in de regio de winter door te helpen; overwegende dat veel vluchtelingen ondanks de pogingen om hulp te bieden, in niet-afgebouwde huizen en ontoereikende noodopvang moeten leven, waarin zij blootstaan aan vorst, zware sneeuwval en harde wind; overwegende dat ongeveer 740 000 in eigen land ontheemde Irakezen een ondermaatse behuizing hebben en dat de UNHCR stappen onderneemt om aan 600 000 ontheemden in Irak winterhulp te verlenen;

H.     overwegende dat UNICEF aan 916 000 van de beoogde 1,3 miljoen kinderen in Syrië, Irak, Libanon, Jordanië en Turkije winterhulp verleent; overwegende dat UNICEF en het Wereldvoedselprogramma (WVP) in januari 2015 een wintercampagne voor financiële bijstand zijn gestart om aan 41 000 kwetsbare vluchtelingenkinderen in de kampen Za'atari en Azraq 14 Jordaanse dinar te verstrekken zodat hun gezin winterkleren voor hen kan kopen;

I.      overwegende dat volgens schattingen van Human Rights Watch uit november 2014 meer dan 3 133 yezidi's, onder wie kinderen, door IS/Daesh zijn ontvoerd en/of gedood sinds IS/Daesh begin augustus zijn aanvallen heeft ingezet; overwegende dat meer dan 50 000 jezidi's ontheemd zijn en dat van de ontvoerden, voornamelijk vrouwen en kinderen, er 300 uit IS-gevangenschap hebben weten te ontsnappen; overwegende dat yezidi-vrouwen het slachtoffer zijn van stelselmatig seksueel geweld en slavernij; overwegende dat volgens recente berichten vrouwen zelfmoord hebben gepleegd na te zijn verkracht of te zijn gedwongen tot een huwelijk met een IS/Daesh-militant;

J.      overwegende dat de internationale gemeenschap ondanks diverse oproepen niet voorziet in de behoeften van de Syriërs en Irakezen en van de landen die de vluchtelingen hebben opgevangen; overwegende dat volgens Kyung-wha Kang, adjunct-secretaris-generaal van de VN voor humanitaire aangelegenheden, de VN-operaties te lijden hebben onder een gebrekkige financiering, omdat slechts 39 % van de vereiste 2,3 miljard dollar ontvangen is; overwegende dat het volgens UNHCR nog altijd erg moeilijk is om in de gebieden op te treden om burgers en vluchtelingen de benodigde hulp te verlenen;

1.      veroordeelt ten sterkste de door IS/Daesh gepleegde systematische en wijdverbreide schendingen van en inbreuken op de mensenrechten in Irak en Syrië, waaronder het doden van gijzelaars en iedere vorm van geweld tegen personen die behoren tot een bepaalde religieuze of etnische gemeenschap, alsook geweld tegen vrouwen en kinderen; spreekt de slachtoffers van de door IS/Daesh begane gruweldaden zijn diepgevoelde medeleven uit en dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van alle gijzelaars;

2.      onderstreept dat IS/Daesh een levensgrote bedreiging vormt voor de mensen in Irak en Syrië en voor het Midden-Oosten in bredere zin; benadrukt de noodzaak van een geïntegreerde benadering met een combinatie van militaire, politieke, humanitaire en op ontwikkeling gerichte middelen, om het hoofd te kunnen bieden aan de bedreiging die van IS/Daesh uitgaat;

3.      is van mening dat het, gegeven het genocidale en expansionistische karakter van IS/Daesh en de bedreiging die er voor de wereld en voor de Europese veiligheid in het bijzonder van uitgaat, geen optie is deze bedreiging alleen in te dammen en dat alle gebieden die momenteel onder controle van IS/Daesh staan, bevrijd moeten worden; steunt daarom de mondiale campagne tegen IS/Daesh en onderstreept dat samenwerking geboden is met alle regionale en lokale actoren die vastbesloten zijn om ISIL/Daesh in het kader van een gemeenschappelijke, veelzijdige langetermijnstrategie te verslaan; benadrukt in dit verband dat bij elke militaire campagne gericht op de bevrijding van de door IS/Daesh gecontroleerde gebieden, het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake mensenrechten strikt in acht moeten worden genomen om te vermijden dat er nog meer mensen hun leven verliezen, hetgeen de extremisten in de kaart zou spelen, en ook om te voorkomen dat er nieuwe golven vluchtelingen en intern ontheemden ontstaan;

4.      is van mening dat het voor de strijd tegen terrorisme binnen de Europese Unie van cruciaal belang is dat het extremistische terreurgevaar dat in het Midden-Oosten en Noord-Afrika en daarbuiten terrein wint, wordt verslagen, omdat de opmars van deze terroristen een voedingsbodem vormt voor radicalisering in eigen land;

5.      benadrukt dat op lange termijn alleen een werkelijk inclusief proces van nationale verzoening tussen de verschillende etnische en religieuze groepen in Syrië en Irak, met inbegrip van de soennitische moslims, tot een situatie kan leiden waarin de steun van de soennitische Arabische bevolking wordt onttrokken aan IS/Daesh, al-Qaeda, al-Nusra en aanverwante extremistische organisaties; dringt er bij de Iraakse autoriteiten en de internationale gemeenschap op aan om geen wraak te nemen op de soennitische bevolking in de momenteel door IS/Daesh gecontroleerde gebieden, wanneer deze gebieden eenmaal van IS/Daesh zijn bevrijd;

6.      onderstreept dat de internationale gemeenschap haar inspanningen op het gebied van humanitaire hulpverlening aan de noodlijdende bevolkingsgroepen moet opvoeren; verzoekt alle donoren hun toezeggingen na te komen en zo snel mogelijk met hulpleveringen te komen; is verheugd over de verplichtingen die de lidstaten zijn aangegaan, aangezien de EU nu en in de toekomst de grootste donor van financiële steun is; dringt aan op verhoging van de bijdragen van de EU aan de humanitaire programma's van de VN en wenst dat de samenwerking met internationale organisaties wordt versterkt;

7.      benadrukt dat de verlichting van het lijden van miljoenen Syriërs en Irakezen die behoefte hebben aan basisgoederen en -diensten, gezien de ongeziene omvang van de crisis, een prioriteit moet zijn van de EU en de internationale gemeenschap als geheel; veroordeelt de stelselmatige tegenwerking van pogingen om humanitaire hulp te verlenen en verzoekt alle bij het conflict betrokken partijen de universele mensenrechten te eerbiedigen, de verlening van humanitaire hulp en bijstand via alle mogelijke kanalen te vergemakkelijken, ook over grenzen en conflictlijnen heen, en de veiligheid van alle medische en humanitaire hulpverleners te garanderen, zoals in de verschillende resoluties van de VN-Veiligheidsraad wordt geëist;

8.      doet een beroep op alle conflictpartijen om het internationaal humanitair recht te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat de burgers worden beschermd, onbelemmerd toegang hebben tot medische voorzieningen en humanitaire bijstand, en gebieden waar geweld heerst, veilig en waardig kunnen verlaten;

9.      is ervan overtuigd dat onmiddellijke humanitaire bijstand en bescherming moeten worden aangevuld met een strategie voor de lange termijn ter ondersteuning van de sociale, economische en culturele rechten en bestaansmogelijkheden van teruggekeerde vluchtelingen en binnenlands ontheemden, een verbeterd leiderschap en participatie, zodat zij in staat worden gesteld duurzame oplossingen te kiezen waaruit ontwikkelingskansen en veiligheid voor de mensen kunnen voortvloeien; is van mening dat er aandacht moet worden gegeven aan de specifieke risico's en behoeften van verschillende groepen vrouwen en kinderen die meervoudige en kruisende vormen van discriminatie ondervinden;

10.    is met name vol afschuw over de toename van alle vormen van geweld jegens vrouwen, die door IS/Daesh-leden worden gevangen genomen, verkracht, seksueel misbruikt en verhandeld; verzoekt Europese Dienst voor extern optreden, de Commissie en de lidstaten specifiek aandacht te besteden aan de behoeften van yezidi-vrouwen die door IS/Daesh als slavinnen worden/zijn gehouden, en met name met een regeling te komen zodat getraumatiseerde vrouwen uit Syrië en Irak een speciale post-traumatische behandeling en op hun situatie toegesneden adviezen kunnen krijgen, ook in de lidstaten; wenst dat er meer druk wordt uitgeoefend op de landen waar sommige van deze vrouwen naartoe zijn gebracht, zoals Saudi-Arabië, om hen vrij te krijgen en over te brengen naar landen waar zij in vrijheid en veiligheid kunnen leven;

11.    is ingenomen met de inspanningen die het kantoor van ECHO (DG van de Commissie voor Humanitaire Hulp en Civiele Bescherming) in Erbil, de hoofdstad van de Iraakse regio Koerdistan, zich getroost om de humanitaire situatie in de regio te verbeteren; benadrukt dat de coördinatie tussen ECHO en het DG van de Commissie voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling (DEVCO) moet worden uitgebreid en verbeterd om de bevolkingsgroepen in nood optimaal en zo effectief mogelijk te helpen;

12.    veroordeelt nogmaals de geweldpleging tegen en het doden van LGBT-personen door IS/Daesh, misdrijven die ook in de verdere regio worden gepleegd en volstrekt onbestraft blijven; wijst erop dat LGTB-personen in de regio in een bijzonder kwetsbare positie verkeren omdat zij slechts weinig steun ontvangen van hun families en van de gemeenschap en door de overheid nauwelijks worden beschermd, en dat hun veiligheid in vluchtelingengemeenschappen en bepaalde gastlanden onvoldoende gewaarborgd wordt; dringt er bij de Iraakse regering, de EU-delegatie in Irak en de ambassades van de lidstaten in de regio op aan LGBT-personen bescherming te bieden en zorg te dragen voor onmiddellijke hervestiging van LGBT-personen die uit veiligheidsoverwegingen gevlucht zijn;

13.    verzoekt de lidstaten te zorgen voor een snellere afhandeling van de asielaanvragen van het toenemende aantal Syrische vluchtelingen dat de conflictgebieden ontvlucht; dringt er bij de EU op aan om werk te maken van het probleem van de vaak dodelijk verlopende reizen over de Middellandse Zee en een gecoördineerde strategie ten uitvoer te leggen om levens te redden en tevens steun te verlenen aan de lidstaten die het zwaarst worden getroffen door het feit dat niet-reguliere migranten en asielzoekers massaal hun kusten bereiken;

14.    moedigt de lidstaten aan om blijk te geven van solidariteit met buurlanden, o.a. door meer levensreddende bijstand aan vluchtelingen te verlenen in de vorm van hervestiging en andere vormen van legale toelating; is van mening dat prioriteit moet worden toegekend aan de meest kwetsbare vluchtelingen en dat hun rechten overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag van 1951 volledig moeten worden gewaarborgd;

15.    staat achter het verzoek van de VN-Mensenrechtenraad aan het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten om dringend een missie naar Irak te sturen die onderzoek moet doen naar misdrijven tegen de menselijkheid en schendingen van en inbreuken op het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten door IS en aanverwante terreurgroepen en de feiten en omstandigheden van die schendingen moet vaststellen, teneinde straffeloosheid te voorkomen en een volledige verantwoordingsplicht te waarborgen;

16.    dringt aan op de opening van het EU-kantoor in Erbil om het praktische optreden van de EU doeltreffender en zichtbaarder te maken, met inbegrip van een betere coördinatie van de humanitaire en ontwikkelingshulp;

17.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, het regionale bestuur van Koerdistan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.

 

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0023.

Juridische mededeling - Privacybeleid