Procedure : 2015/2573(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0222/2015

Ingediende teksten :

B8-0222/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/03/2015 - 8.7
CRE 12/03/2015 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0077

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 132kWORD 64k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0215/2015
4.3.2015
PE550.023v01-00
 
B8-0222/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de betrekkingen tussen de EU en de Arabische Liga met het oog op samenwerking in de strijd tegen het terrorisme (2015/2573(RSP))


Knut Fleckenstein, Tanja Fajon, Victor Boștinaru, Richard Howitt, Birgit Sippel, Claude Moraes, Liisa Jaakonsaari, Jeppe Kofod, Marlene Mizzi, Alessia Maria Mosca, Kashetu Kyenge, Victor Negrescu, Viorica Dăncilă namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de betrekkingen tussen de EU en de Arabische Liga met het oog op samenwerking in de strijd tegen het terrorisme (2015/2573(RSP))  
B8‑0222/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn eerdere resoluties over Arabische staten,

–       gezien de resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de mondiale strategie van de Verenigde Naties tegen terrorisme (resoluties 60/288 van 20 september 2006, A/RES/62/272 van 5 september 2008 en 64/297 van 8 september 2010);

–       gezien het Internationaal Verdrag van de VN inzake burgerrechten en politieke rechten, aangenomen in 1966,

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over terrorismebestrijding, in het bijzonder die van februari 2015,

–       gezien de bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de Arabische Liga, met name die in Athene in juni 2014,

–       gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over de strijd tegen extremisme en de bestrijding van terrorisme,

–       gezien het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en het secretariaat-generaal van de Arabische Liga (League of Arab States, LAS), dat op 19 januari 2015 in Brussel werd ondertekend, en de verklaringen van de VV/HV na haar ontmoeting met de secretaris-generaal van de LAS, dr. Nabil El Araby,

–       gezien de op 20 oktober 2014 goedgekeurde EU-strategie inzake terrorismebestrijding/buitenlandse strijders voor Syrië en Irak, met bijzondere aandacht voor buitenlandse terroristische strijders en de mededeling van de EU over de Maghreb,

–       gezien de gezamenlijke mededeling over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak, en over de dreiging die uitgaat van Da'esh,

–       gezien de verklaringen van de leden van de Europese Raad, met name die naar aanleiding van de informele bijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders van 12 februari 2015,

–       gezien de desbetreffende resoluties van de VN-Veiligheidsraad, met name de resoluties 2170 en 2178 (2014),

–       gezien de verklaring van de NAVO-top van 5 september 2014,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat terrorisme en gewelddadig extremisme wereldwijd belangrijke bedreigingen van de veiligheid en vrijheden vormen;

B.     overwegende dat terrorisme niet alleen op de veiligheid van mensen gericht is, maar ook op de vrijheid van meningsuiting en de diversiteit van samenlevingen;

C.     overwegende dat terrorisme een mondiale bedreiging is die op gecoördineerde wijze moet worden aangepakt door nationale regeringen en regionale en internationale organisaties; onderstreept dat alleen een wereldwijde alliantie doeltreffend met deze dreiging kan omgaan, en wel met volledige inachtneming van het internationaal recht, de fundamentele waarden en de internationale mensenrechtennormen;

D.     overwegende dat de veiligheidssituatie in Europa de afgelopen jaren drastisch is veranderd vanwege nieuwe conflicten en omwentelingen in de onmiddellijke nabijheid van de EU, de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën en de verontrustende toename van de radicalisering, die tot geweld en terrorisme leidt, zowel in de EU als in haar buurlanden en op mondiaal niveau;

E.     overwegende dat het externe beleid van de EU moet bijdragen in de strijd tegen de dreiging die van het terrorisme uitgaat en die in bepaalde delen van de Europese nabuurschap, in het bijzonder Syrië en Libië, escaleert; overwegende dat in preventiestrategieën tegen terrorisme moet worden uitgegaan van een veelzijdige benadering gericht op het rechtstreeks tegengaan van de voorbereiding van aanslagen op het EU-grondgebied, maar ook op de aanpak van de fundamentele oorzaken van terrorisme;

F.     overwegende dat op 19 januari 2015 een memorandum van overeenstemming tussen de EDEO en het secretariaat-generaal van de LAS werd ondertekend, onder meer om de samenwerking inzake politieke en veiligheidsvraagstukken te versterken op het gebied van vroegtijdige waarschuwingen en crisisrespons, de bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, en het tegengaan van de verspreiding van massavernietigingswapens;

G.     overwegende dat de EU te maken heeft met een voortdurende en veranderende terreurdreiging, die de afgelopen tien jaar verscheidene lidstaten zwaar heeft getroffen in de vorm van aanslagen op hun burgers, maar ook op de waarden en vrijheden waarop de Unie berust;

H.     overwegende dat de verspreiding van terroristische propaganda wordt vergemakkelijkt door het gebruik van internet en sociale media; overwegende dat terroristische groeperingen dankzij het cyberterrorisme de mogelijkheid hebben om zonder de fysieke hindernis van grenzen banden aan te knopen en te onderhouden, waardoor zij minder op steunpunten en toevluchtsoorden in de landen zijn aangewezen;

I.      overwegende dat de EU te kampen heeft met een ernstige en groeiende dreiging van zogenoemde "buitenlandse strijders uit de EU", namelijk personen die naar een andere staat dan hun land van verblijf of nationaliteit trekken met het oog op het plegen of plannen van terroristische daden, of het verstrekken of ontvangen van een terroristische opleiding, onder meer in verband met gewapende conflicten; overwegende dat naar schatting 3 500 à 5 000 EU-burgers naar aanleiding van het uitbreken van de oorlog en het geweld in Syrië, Irak en Libië hun woonplaats hebben verlaten om buitenlands strijder te worden, wat een enorme uitdaging vormt voor de veiligheid van EU-burgers;

1.      is verheugd over de voortdurende gezamenlijke inspanningen van de EU en de Arabische landen om samen te werken bij de aanpak van zaken van gemeenschappelijk belang, waarbij in dit verband kan worden verwezen naar de regelmatige bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de Arabische Liga alsook naar het memorandum van overeenstemming tussen de EDEO en het secretariaat-generaal van de Arabische Liga;

2.      is verheugd over de instelling van een strategische dialoog EU-LAS, waarin ook van gedachten wordt gewisseld over politieke en veiligheidskwesties, en de regelmatige bijeenkomsten tussen het Politiek en Veiligheidscomité van de EU en de Arabische permanente vertegenwoordigers, en prijst de vooruitgang die is geboekt op het gebied van vroegtijdige waarschuwingen en crisisrespons, met name de volledige uitvoering van het desbetreffende project;

3.      juicht het toenemende aantal initiatieven in Europa toe waarbij verschillende gemeenschappen en religieuze groeperingen bijeenkomen die zich tegen extremisme uitspreken en de fundamentele waarden, de vrijheid en de veiligheid van alle burgers verdedigen, en is verheugd over het memorandum van de EU en de Arabische Liga, waarmee deze dialoog en samenwerking naar een multilateraal niveau wordt getild;

4.      merkt op dat een van de hoofdoorzaken van de huidige terreurdreiging in de EU en de Arabische landen het jihadistische extremisme is; onderschrijft de opvatting dat een beleid gericht op deradicalisering en terreurbestrijding niet doeltreffend kan zijn zonder een actieve inbreng van de moslimgemeenschappen in Europa en een dialoog en nauwe samenwerking met moslimlanden buiten Europa;

5.      benadrukt het belang van samenwerking bij de humanitaire hulpverlening door middel van de uitwisseling van informatie over crisissituaties; onderstreept dat het belangrijk is om, waar van toepassing, evaluaties en goede praktijken te delen en om samen te werken bij het vaststellen van praktische maatregelen voor de aanpak van dreigingen, waaronder het doeltreffender optreden tegen radicalisering, rekrutering en het reizen van terroristen en buitenlandse strijders, alsmede de omgang met terugkerende strijders;

6.      dringt aan op samenwerking bij de bestrijding van de transnationale georganiseerde misdaad, waaronder mensen- en drugshandel, en bij de verbetering van de grensbeveiliging; verzoekt om naleving van resolutie 2133 van de VN-Veiligheidsraad over de betaling van losgeld aan terroristische groeperingen;

7.      wijst opnieuw op het belang van samenwerking tussen de EU en de LAS op het gebied van de mensenrechten en benadrukt dat het van grote betekenis is te blijven werken aan de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de handhaving van alle mensenrechten voor allen, waaronder het recht op economische en sociale ontwikkeling, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst of overtuiging, terwijl tegelijk de waarden van tolerantie jegens andere godsdiensten en hun co-existentie moeten worden bevorderd en uitsluiting, extremisme, het aanzetten tot en de verspreiding van haat en geweld moeten worden verworpen;

8.      spreekt zijn scherpe veroordeling uit over de recente aanslagen van terroristische groeperingen en eenlingen in Europa, het Midden-Oosten en Azië, onderstreept dat terrorisme een rechtstreekse bedreiging vormt voor alle landen en alle mensen, ongeacht hun etnische afkomst, godsdienst of levensovertuiging;

9.      wijst erop dat het noodzakelijk is terrorismebestrijding te mainstreamen in de politieke dialoog van de EU met derde landen, met name in de Arabische wereld en in Afrika, en de internationale samenwerking en de uitvoering van de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad te bevorderen;

10.    herinnert eraan dat de internationale gemeenschap zich heeft verbonden aan de vaststelling van maatregelen die de eerbiediging van de mensenrechten voor allen en de rechtsstaat waarborgen als grondslag van de strijd tegen terrorisme, en wel via de goedkeuring van de mondiale strategie van de Verenigde Naties tegen terrorisme door de Algemene Vergadering in resolutie 60/288, waarin de lidstaten besloten maatregelen te nemen tegen omstandigheden die de verspreiding van terrorisme in de hand werken, waaronder het niet-functioneren van de rechtsstaat en mensenrechtenschendingen, en ervoor te zorgen dat alle antiterreurmaatregelen in overeenstemming zijn met hun verplichtingen volgens het internationaal recht, met name de mensenrechtenwetgeving, het vluchtelingenrecht en het internationaal humanitair recht;

11.    wijst erop dat de EU in haar strijd tegen terrorisme ook goed moet kijken naar en zich moet concentreren op de onderliggende sociaaleconomische en culturele oorzaken van dit fenomeen; pleit met klem voor het onderzoeken van de aard van het politieke bestel in de landen waarmee zij samenwerkt, om de eerbiediging van de beginselen van mensenrechten, rechtsstaat en democratie te waarborgen;

12.    verzoekt de EU in samenwerking met de Arabische Liga een specifiek mechanisme te ontwikkelen om de wapenhandel aan banden te leggen, waarbij met name de landen op de korrel moeten worden genomen waar terrorisme ontstaat of waar terroristen worden opgeleid; verzoekt de EU om wapenexporten nauwkeurig in het oog te houden, met name als het gaat om technologie voor tweeledig gebruik die uiteindelijk door terroristen voor hun doeleinden zou kunnen worden gebruikt;

13.    dringt aan op een gerichte en verbeterde dialoog over beveiliging en terrorismebestrijding met Algerije, Egypte, Irak, Israël, Jordanië, Marokko, Libanon, Saoedi-Arabië, Tunesië en de Samenwerkingsraad van de Golf; vraagt om verdere intensivering van de politieke dialoog met de Arabische Liga, de Organisatie van Islamitische Samenwerking, de Afrikaanse Unie en andere relevante coördinatiestructuren, zoals de Sahel G5;

14.    wenst dat in het kader van de samenwerking bij de terrorismebestrijding de bedreiging die van ISIS uitgaat uitdrukkelijk aan de orde wordt gesteld, want ISIS heeft zich in de door haar gecontroleerde gebieden en daarbuiten ontwikkeld tot een belangrijke voedingsbodem voor terreur; onderstreept dat de bestrijding van terrorisme gelijk staat aan de bestrijding van ISIS overal waar deze beweging actief is;

15.    steunt internationale initiatieven tegen radicalisering en terrorisme, zoals het eerste Internationale Kenniscentrum voor de bestrijding van gewelddadig extremisme ("Hedayah") in Abu Dhabi en het Global Community Engagement and Resilience Fund (GCERF) in Genève; merkt op dat het succesvolle EU-netwerk voor bewustmaking van radicalisering (RAN) deskundigheid biedt om het gesprek aan te gaan met lokale gemeenschappen en met derde landen;

16.    verzoekt de Commissie en de EDEO in samenwerking met de internationale partners terreurdreigingen en bedreigingen voor de veiligheid in te dammen, uitgaande van een globale benadering waarin gebruik wordt gemaakt van een combinatie van instrumenten, namelijk diplomatie, sociaaleconomische maatregelen, ontwikkeling, conflictpreventie , vredesopbouw en crisisbeheer;

17.    dringt aan op een sterkere samenwerking met centrale partners en landen om de financiering van terrorisme tegen te gaan; verzoekt de EU om met de partnerlanden een dialoog aan te gaan over het afsnijden van de financiering van terrorisme, met name van Da'esh, en op dit cruciale punt nauw samen te werken met de partners, ook in de coalitie tegen ISIL;

18.    bevestigt dat de aan radicalisering ten grondslag liggende factoren moeten worden aangepakt door steun te verlenen aan initiatieven in de Arabische wereld op het gebied van jongeren, beroepsopleiding, werkgelegenheid, maatschappelijke organisaties, hervorming van de veiligheidssector en de rol van de vrouw;

19.    onderstreept het belang van een verbetering van de strategische communicatie, de ontwikkeling van een strategie voor het benaderen van de Arabische wereld, mede door het formuleren van een discours met een alternatief voor de terroristische propaganda en een prominente rol voor de fundamentele rechten, en, rekening houdend met het toenemende misbruik van het internet in verband met radicalisering, het benutten van de sociale media en het intensiveren van de communicatie in het Arabisch;

20.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de EDEO, de parlementen van de lidstaten, de Arabische Liga, de Organisatie van Islamitische Samenwerking en de Afrikaanse Unie.

Juridische mededeling - Privacybeleid