Procedure : 2015/2573(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0223/2015

Ingediende teksten :

B8-0223/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 12/03/2015 - 8.7
CRE 12/03/2015 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0077

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 128kWORD 63k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0215/2015
4.3.2015
PE550.025v01-00
 
B8-0223/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over een memorandum van overeenstemming tussen de EU en de Arabische Liga om samen te werken in de strijd tegen het terrorisme (2015/2573(RSP))


Fabio Massimo Castaldo, Laura Ferrara, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over een memorandum van overeenstemming tussen de EU en de Arabische Liga om samen te werken in de strijd tegen het terrorisme (2015/2573(RSP))  
B8‑0223/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–       gezien de artikelen 2, 3 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–       gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over terrorismebestrijding, in het bijzonder die van 9 februari 2015,

–       gezien de bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie en de Arabische Liga, met name die in Athene in juni 2014,

–       gezien het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Dienst voor extern optreden en het secretariaat-generaal van de Arabische Liga, dat op 19 januari 2015 werd ondertekend,

–       gezien de opmerkingen van de VV/HV op de persconferentie na de Raad Buitenlandse Zaken van 19 januari 2015,

–       gezien Resolutie 2178(2014) van de VN-Veiligheidsraad van 24 september 2014 over terroristische daden die een bedreiging vormen voor de internationale vrede en veiligheid,

–       gezien de terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie van 2005,

–       gezien zijn resolutie van 14 december 2011 over het EU-beleid inzake terrorismebestrijding: belangrijkste resultaten en nieuwe uitdagingen(1),

–       gezien de herziene EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering van terroristen,

–       gezien de interneveiligheidsstrategie van de EU,

–       gezien de EU-strategie inzake terrorismebestrijding/buitenlandse strijders voor Syrië en Irak (goedgekeurd op 20 oktober 2014), met bijzondere aandacht voor buitenlandse terroristische strijders en de mededeling van de EU over de Maghreb,

–       gezien de mededeling van de Europese Commissie met de titel "Radicalisering tot terrorisme en gewelddadig extremisme voorkomen: naar een krachtiger beleidsantwoord van de EU",

–       gezien de informele bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ) van 29 en 30 januari 2015 in Riga,

–       gezien zijn resolutie van 10 februari 2015 over terrorismebestrijdingsmaatregelen, aangezien terrorisme een ernstige bedreiging vormt voor de internationale vrede, veiligheid en democratie met als doel om pluralistische samenlevingen te ondermijnen,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat terrorisme en gewelddadig extremisme een grote bedreiging vormen voor de mondiale veiligheid en vrijheid, en overwegende dat de eerbiediging van de grondrechten een cruciaal onderdeel is van succesvol beleid op het vlak van terrorismebestrijding;

B.     overwegende dat de terrorismedreiging wereldwijd is toegenomen; overwegende dat zowel Europa als de Arabische wereld en leden van de Arabische Liga het doelwit zijn geworden van terroristische aanslagen;

C.     overwegende dat Europa en de Arabische wereld kampen met dezelfde uitdagingen, waaronder de huidige situatie in de Arabische wereld, vooral met betrekking tot Libië, Irak, Syrië, Jemen, het vredesproces in het Midden-Oosten en met name de terroristische dreiging van Da'esch;

D.     overwegende dat de EU te kampen heeft met een ernstige en groeiende dreiging van zogenoemde "buitenlandse strijders uit de EU", namelijk personen die naar een andere staat dan hun lidstaat van verblijf of nationaliteit trekken met het oog op het plegen of plannen van terroristische daden, of het verstrekken of ontvangen van terroristische training, onder meer in verband met gewapende conflicten; overwegende dat naar schatting 3 500 à 5 000 EU-burgers naar aanleiding van het uitbreken van de oorlog en het geweld in Syrië, Irak en Libië hun woonplaats hebben verlaten om buitenlands strijder te worden, wat een enorm gevaar vormt voor de veiligheid van EU-burgers; overwegende dat de recente terreurdaden in Parijs en Kopenhagen waren gepleegd door EU-onderdanen;

E.     overwegende dat de EU en de Arabische Liga gemeenschappelijk belang hebben bij duurzame oplossingen om vrede en stabiliteit in de regio te waarborgen;

F.     overwegende dat er behoefte is aan nauwere samenwerking en een intensievere dialoog over politieke en veiligheidsaangelegenheden, samenwerking op het vlak van terrorismebestrijding, de strijd tegen georganiseerde misdaad, crisisbeheer en een intensievere culturele dialoog tussen de EU en de Arabische Liga;

G.     overwegende dat de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de EU op 19 januari 2015 een ontmoeting had met de secretaris-generaal van de Arabische Liga, en zij bij die gelegenheid een memorandum van overeenstemming over de bevordering van de samenwerking tussen de EDEO en de Arabische Liga hebben ondertekend;

H.     overwegende dat niet alleen Europa, maar ook de Arabische en de moslimwereld te lijden hebben van de gevolgen van terrorisme;

I.      overwegende dat de regio van de Arabische Liga nog steeds geplaagd wordt door ernstige en stelselmatige schendingen van de mensenrechten, zoals een verregaande beknotting van de vrijheid van meningsuiting, massaal staatstoezicht op en intimidatie van mensenrechtenactivisten en oppositiekrachten, wanpraktijken op het vlak van wetshandhaving, en het gebrek aan een onafhankelijke rechterlijke macht en een behoorlijke procesgang;

1.      benadrukt dat de terrorismebestrijding gezien de toenemende dreiging moet worden geïntensiveerd, maar herinnert eraan dat doeltreffende terrorismebestrijdingsmaatregelen en de eerbiediging van de mensenrechten niet in strijd met elkaar zijn maar elkaar juist aanvullen en elkaars doelstellingen kracht bij zetten;

2.      onderstreept in het bijzonder dat de EU, haar lidstaten en haar partnerlanden hun strategie ter bestrijding van het internationale terrorisme moeten baseren op de beginselen van de rechtsstaat en op de eerbiediging van de grondrechten; benadrukt bovendien dat het externe optreden van de Unie ter bestrijding van het internationale terrorisme in de eerste plaats gericht moet zijn op preventie, en onderstreept de noodzaak om de dialoog tussen verschillende culturen en godsdiensten op gang te brengen, de onderlinge verdraagzaamheid te bevorderen en begrip voor elkaar te kweken;

3.      benadrukt dat het terrorisme een internationale en multidimensionale bedreiging vormt en daarom moet worden aangepakt in het kader van een partnerschap met belangrijke bondgenoten en landen; is ingenomen met de ondertekening van het memorandum van overeenstemming tussen de EU en de Arabische Liga op 19 januari 2015, en is van mening dat dit een belangrijke stap in de goede richting is voor bepaalde uitdagingen die deze twee partijen gemeen hebben;

4.      vindt dat er behoefte is aan een alomvattende strategie waarmee interne en externe veiligheid gecombineerd worden in de strijd tegen terrorisme; pleit voor democratisch en gerechtelijk toezicht op het terrorismebestrijdingsbeleid, en is van mening dat het Europees Parlement een rol moet spelen in de tenuitvoerlegging van dat beleid; benadrukt dat repressieve maatregelen geen oplossing vormen en dat discriminatie radicalisering en geweldpatronen in de hand kan werken;

5.      verzoekt de EU en de Arabische Liga om de onderliggende oorzaken van extremisme aan te pakken, die vaak gezocht moeten worden in de sociaal-economische, culturele en politieke situatie van een land, en verder om onderdrukkende tendensen niet aan te moedigen of te steunen, maar juist alles in het werk te stellen om inclusieve, pluralistische en goed functionerende landen te steunen die in staat zijn hun burgers gerechtigheid en veiligheid te bieden en religieus fanatisme aan te pakken op een manier die verenigbaar is met het humanitair recht;

6.      is van mening dat de Arabische Liga samen met de EU een sleutelrol moet spelen bij de bemiddeling van de conflicten die plaatsvinden in de Arabische wereld, en moet samenwerken met haar leden om de spanningen tussen de soennieten en de sjiieten te verminderen;

7.      vindt dat we de verleiding moeten weerstaan om, zoals in het verleden, onder het mom van veiligheid, stabiliteit en de strijd tegen extremisme, met autoritaire regimes in zee te gaan, aangezien dit niet alleen kortzichtig maar ook ondoeltreffend is; vindt het belangrijk dat we ons concentreren op de steun aan de landen en partijen die echt toegewijd zijn ten aanzien van gedeelde waarden en hervormingen, vooral Tunesië;

8.      benadrukt dat dergelijke samenwerking – op het gebied van de uitwisseling van inlichtingen, de beginselen van de rechtsstaat, justitiële hervormingen en strafrechtsplegingsprogramma's – strikt in overeenstemming met het internationaal recht moet verlopen en niet ten koste mag gaan van andere doelstellingen van het extern beleid, met name de bevordering van de mensenrechten, de rechtsstaat en democratisering;

9.      onderstreept in het bijzonder dat de EU, haar lidstaten en haar partnerlanden hun strategie ter bestrijding van het internationale terrorisme moeten baseren op de beginselen van de rechtsstaat en op de eerbiediging van de grondrechten; onderstreept daarnaast dat het extern optreden van de Unie ter bestrijding van het internationale terrorisme in de eerste plaats gericht moet zijn op het voorkomen, tegengaan en vervolgen van terroristische daden;

10.    dringt aan op een intensievere dialoog tussen de ontwikkelings- en veiligheidsdeskundigen van de EU en de Arabische Liga; herinnert eraan dat het cruciaal is om de onderliggende factoren van geweld en instabiliteit aan te pakken, zoals conflicten, armoede, de verspreiding van wapens en kwetsbare staten, waardoor terroristische groeperingen kunnen gedijen; benadrukt dat de actieplannen en de politieke dialoog tussen de EU en de Arabische Liga gericht moeten zijn op het voorkomen en tegengaan van radicalisering, en dat er beleid moet worden ontwikkeld waarmee sociale uitsluiting wordt vermeden en integratie wordt vergemakkelijkt om radicaliseringsprocessen te voorkomen, onder andere door samen te werken met het maatschappelijk middenveld bij de bestrijding van terrorisme en radicale propaganda;

11.    is ingenomen met de intentie van de Raad om terrorismebestrijding volledig te integreren in het buitenlandbeleid van de EU; wenst dat alle daaraan gerelateerde initiatieven zo snel mogelijk worden uitgevoerd, maar wel altijd in overeenstemming met de mensenrechten en de resoluties van de VN-Veiligheidsraad;

12.    is van mening dat de uitwisseling van informatie cruciaal is voor terrorismebestrijding, mits de normen van het internationaal recht en de mensenrechten worden nageleefd; is verheugd over de intensievere samenwerking tussen de EU en de Arabische Liga, en verzoekt de EDEO, de Commissie en alle EU-agentschappen om kaders te ontwikkelen voor de uitwisseling van gegevens en methodes waarmee de EU-agentschappen op strategischere wijze en in overeenstemming met de conclusies van de Raad over terrorismebestrijding met de landen in de regio kunnen samenwerken;

13.    verzoekt de VV/HV een verslag op te stellen over door de diensten van de Commissie uitgevoerde beoordelingen voor- en achteraf van de gevolgen van haar terrorismebestrijdingsprogramma's met de landen van de Arabische Liga voor de mensenrechten en voor de waarborgen die in deze programma's zijn ingebouwd om toe te zien op de naleving van mensenrechtennormen;

14.    vindt het cruciaal om het financieren van terrorisme tegen te gaan in samenwerking met belangrijke partijen, waaronder de Arabische Liga en haar leden; verzoekt de EU sancties op te leggen aan alle partijen (regeringen en publieke of particuliere ondernemingen) die betrokken zijn bij het vervoer, de verwerking, de raffinage en de verhandeling van olie die is gewonnen in door Da'esch gecontroleerde gebieden, in combinatie met strenge controles op financiële stromen om elke vorm van economische activiteit en benutting van belastingparadijzen door Da'esch te voorkomen; verzoekt de Arabische Liga meer te doen zodat partijen in haar lidstaten niet indirect terroristische groeperingen financieren en om te controleren of haar lidstaten zich houden aan Resoluties 2161 (2014) en 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad waarin elke vorm van directe of indirecte handel met IS en daarmee verbonden groepen wordt veroordeeld;

15.    verzoekt de Arabische Liga samen te werken met haar leden om directe of indirecte invloeden tegen te gaan die het de partijen bij het conflict in Libië, Syrië, Irak en Jemen moeilijker maken om tot een politieke oplossing te komen; benadrukt dat oorlogen op afstand tegen elke prijs voorkomen moeten worden;

16.    is van mening dat persoonsgegevens van passagiers (PNR) een nuttig extra instrument kunnen zijn bij de bestrijding van terrorisme zolang het wordt ingezet zonder inbreuk te maken op de grondrechten, en zolang hiermee de regels voor gegevensbescherming volledig in acht worden genomen en de privacy van burgers niet in het gedrang komt;

17.    denkt dat vooruitgang in het vredesproces in het Midden-Oosten de hele regio ten goede zou komen en vindt dat de EU en de Arabische Liga moeten samenwerken om een tweestatenoplossing mogelijk te maken, in aansluiting op zijn resolutie van 17 december 2014 over de erkenning van de Palestijnse staat;

18.    verzoekt de EU en de Arabische Liga samen te werken om de "botsing tussen samenlevingen" van de islamitische wereld en het westen tegen te gaan, een concept dat het in zich heeft om jongeren te radicaliseren en hen aan terroristische organisaties te binden; pleit in dit verband voor nauwere samenwerking om beleid en programma's op het vlak van sociale integratie en inclusie te formuleren en daarmee de interculturele dialoog op gang te brengen;

19.    is van mening dat de EU nauw moet samenwerken met de moslimgemeenschap als geheel en met andere belangrijke partijen, zoals de Samenwerkingsraad van de Golf, de Afrikaanse Unie en de Organisatie van Islamitische Samenwerking;

20.    is ingenomen met het besluit om veiligheidsattachés te benoemen in de delegaties van de Europese Unie in de desbetreffende landen en met het besluit om de communicatie met de Arabisch sprekende bevolking te verbeteren; is in dit verband van mening dat het van cruciaal belang is om samen te werken met het maatschappelijk middenveld in de Arabische wereld teneinde te luisteren naar de boodschappen die uit de Arabische wereld komen;

21.    is ervan overtuigd dat in elk samenwerkingsverband en alle initiatieven tussen de EU en de Arabische Liga de eerbiediging van de mensenrechten, de beginselen van de rechtsstaat en de desbetreffende VN-resoluties centraal moeten staan;

22.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Arabische Liga.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0577.

Juridische mededeling - Privacybeleid