Procedure : 2015/2590(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0347/2015

Ingediende teksten :

B8-0347/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 15/04/2015 - 16.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0094

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 131kWORD 56k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0342/2015
13.4.2015
PE555.099v01-00
 
B8-0347/2015

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide (2015/2590(RSP))


Knut Fleckenstein, Victor Boștinaru, Richard Howitt, Vincent Peillon, Arne Lietz, Gilles Pargneaux, Sylvie Guillaume, Nikos Androulakis, Demetris Papadakis, Nicola Caputo, Tonino Picula, Marlene Mizzi, Zigmantas Balčytis, Ana Gomes, Tanja Fajon, Siôn Simon, Goffredo Maria Bettini, Andrejs Mamikins, Miroslav Poche, Neena Gill, Soraya Post, Elisa Ferreira, Liisa Jaakonsaari, Pier Antonio Panzeri namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide (2015/2590(RSP))  
B8‑0347/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn resolutie van 28 september 2005 over de start van de onderhandelingen met Turkije(1),

–       gezien het VN-Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide,

–       gezien zijn resolutie over een politieke oplossing voor de Armeense kwestie van 18 juni 1987(2),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de wil tot verhindering van nieuwe oorlogen en misdaden tegen de menselijkheid in Europa een van de voornaamste drijfveren is geweest achter het streven naar Europese eenwording en tot de fundamentele waarden van de Europese Unie is gaan behoren;

B.     overwegende dat het regime van het Comité voor Eenheid en Vooruitgang in 1915, kort voordat het Ottomaanse Rijk aan Wereldoorlog I zou gaan deelnemen, in het kader van een centraal geplande operatie bevel gaf tot en uitvoering gaf aan de massale deportatie en vernietiging van meer dan een miljoen Ottomaanse Armeniërs en de uitroeiing van hun cultuur; overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 18 juni 1987 heeft erkend dat deze gebeurtenissen een genocide waren in de zin van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide;

C.     overwegende dat het in 2015 honderd jaar geleden is dat de Armeense genocide in het Ottomaanse Rijk werd gepleegd;

D.     overwegende dat tegelijkertijd honderdduizenden Ottomaanse moslims tijdens Wereldoorlog I omkwamen als slachtoffers van hongersnood, ziekten en gerichte moorden; overwegende dat dit geen afbreuk doet aan het feit dat de massale vernietiging van de Ottomaanse Armeniërs de grootste gruweldaad van Wereldoorlog I was;

E.     overwegende dat de stichter van de Turkse republiek, Mustafa Kemal Atatürk, zelf de massale wreedheden tegen de Ottomaanse Armeniërs heeft erkend, en ze een "beschamende daad" heeft genoemd; overwegende dat de Turkse republiek geen gevolg heeft gegeven aan deze erkenning en de zwarte bladzijden van haar geschiedenis niet onder ogen heeft willen zien, en zich in plaats daarvan heeft overgegeven aan verschillende vormen van officiële ontkenning en is doorgegaan met het vernietigen van het Armeense culturele erfgoed; overwegende dat de ontkenning van de genocide de laatste fase ervan vormt;

F.     overwegende dat de veranderingen in de Turkse samenleving sinds het begin van de 21e eeuw en de hervormingen die de weg hebben geëffend voor het openen van onderhandelingen over toetreding tot de EU, de voorwaarden hebben gecreëerd voor een opener en vrijer debat over historische kwesties in Turkije, ook over de Armeense kwestie; overwegende dat zich als gevolg daarvan tal van initiatieven van maatschappelijke organisaties en culturele uitwisselingen tussen Turkije en Armenië hebben ontwikkeld; overwegende dat een aantal Turkse ngo's en intellectuelen zich voorbereiden om in het openbaar te herdenken dat de Armeense genocide 100 jaar geleden in Istanbul plaatsvond;

G.     overwegende dat Turkije en Armenië een proces van diplomatieke normalisering hebben aangevat en in 2009 in Genève protocollen hebben ondertekend over het aangaan en ontwikkelen van betrekkingen en ook over het openen van de grens; overwegende dat dit proces intussen echter is stilgevallen;

H.     overwegende dat de Turkse president, Recep Tayyip Erdoğan, zijn deelneming heeft betuigd aan de families van de slachtoffers van de Armeense genocide, en de massamoorden "onmenselijk" heeft genoemd; overwegende dat de Turkse premier, Ahmet Davutoğlu, heeft verklaard dat Turkije "meeleeft met het lijden van de Armeniërs", heeft opgeroepen om de taboes rond "het grote trauma dat de tijd in 1915 heeft bevroren" te doorbreken, en zich ertoe heeft verbonden "het Armeense culturele erfgoed in Turkije de nodige erkenning te geven";

I.      overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 2 april 2009 heeft beklemtoond dat het belangrijk is de gedachtenis aan het verleden levend te houden omdat verzoening zonder waarheid, herdenking en gerechtigheid niet mogelijk is;

1.      neemt in een geest van solidariteit en gerechtigheid deel aan de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide, en brengt hulde aan de nagedachtenis van de onschuldige slachtoffers van deze genocide; roept Commissie en Raad op aan de honderdjarige herdenking deel te nemen; dankt al diegenen die hebben bijgedragen tot het onderzoek naar en de erkenning en herdenking van de Armeense genocide;

2.      onderstreept dat tijdige preventie en daadwerkelijke bestraffing van genocides en misdaden tegen de menselijkheid tot de hoofdprioriteiten van de internationale gemeenschap en de Europese Unie moeten behoren;

3.      verwelkomt de verklaringen van president Erdoğan en premier Davutoğlu waarin zij hun medeleven betuigen en erkennen dat er wreedheden tegen de Ottomaanse Armeniërs zijn begaan, als een stap in de goede richting; moedigt Turkije aan om de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide aan te grijpen als een belangrijke gelegenheid om verdere inspanningen te leveren om zijn verleden onder ogen te zien, de Armeense genocide te erkennen en zo de weg te effenen voor een echte verzoening tussen het Turkse en het Armeense volk;

4.      is ervan overtuigd dat het open en vrije debat in de Turkse samenleving over historische kwesties, met inbegrip van de Armeense genocide, onlosmakelijk verbonden is met het democratiseringsproces, omdat een gezonde, volwassen democratie niet op de ontkenning van historische feiten en verantwoordelijkheden gebaseerd kan zijn; erkent in dit verband dat het begin van het EU-toetredingsproces een essentiële rol heeft gespeeld bij het bevorderen van de democratisering van Turkije; vraagt daarom dat het onderhandelingsproces met de EU nieuw leven wordt ingeblazen als belangrijke katalysator voor een opener en vrijer debat over historische kwesties, waaronder de vernietiging van de Ottomaanse Armeniërs;

5.      vraagt zowel Turkije als Armenië opnieuw te proberen hun betrekkingen te normaliseren door de protocollen over het aanknopen van diplomatieke betrekkingen onvoorwaardelijk te ratificeren en de grens open te stellen; wijst op de voordelen op maatschappelijk, menselijk, cultureel en economisch vlak die de normalisering van de betrekkingen tussen Turkije en Armenië zou opleveren voor het Turkse en het Armeense volk, onder meer door hun wederzijdse vooroordelen uit de weg te ruimen;

6.      steunt ten volle de werkzaamheden van Turkse en Armeense academici, ngo's en culturele persoonlijkheden die dialoog en verzoening tussen de Turken en de Armeniërs stimuleren; vraagt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) deze werkzaamheden stelselmatig en proactief te steunen;

7.      vraagt de Turkse autoriteiten, politici en media zich te onthouden van opruiende uitspraken over minderheden, met inbegrip van Armeniërs, en er alles aan te doen om haatpropaganda en vooroordelen tegen minderheden te bestrijden, onder meer door alle denigrerende en discriminerende taal uit schoolboeken te verwijderen en alomvattende anti-discriminatiewetgeving vast te stellen, waaronder een verbod op discriminatie op grond van etnische en religieuze identiteit;

8.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU- lidstaten, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de president en het parlement van Armenië en de president en het parlement van Turkije.

 

(1)

PB C 227 E van 21.9.2006, blz. 163.

(2)

PB C 190 van 20.7.1987, blz. 119.

Juridische mededeling - Privacybeleid