Procedure : 2014/2952(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0359/2015

Ingediende teksten :

B8-0359/2015

Debatten :

PV 29/04/2015 - 21
CRE 29/04/2015 - 21

Stemmingen :

PV 30/04/2015 - 10.6
CRE 30/04/2015 - 10.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0182

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 157kWORD 222k
22.4.2015
PE555.117v01-00
 
B8-0359/2015

naar aanleiding van de verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over het voortgangsverslag 2014 over Bosnië en Herzegovina (2014/2952(RSP))


Cristian Dan Preda namens de Commissie buitenlandse zaken

Resolutie van het Europees Parlement over het voortgangsverslag 2014 over Bosnië en Herzegovina (2014/2952(RSP))  
B8‑0359/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO) tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten enerzijds en Bosnië en Herzegovina anderzijds, die op 16 juni 2008 werd ondertekend, en door alle EU-lidstaten en Bosnië en Herzegovina is geratificeerd,

–       gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 over de Westelijke Balkan en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloniki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–       gezien de conclusies van de Raad van 20 oktober, 17‑18 november en 15‑16 december 2014,

–       gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2014‑2015" van 8 oktober 2014 (COM(2014)0700), samen met het werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2014)0305) getiteld "Bosnia and Herzegovina 2014 Progress Report", alsmede het indicatieve strategiedocument over Bosnië en Herzegovina (2014‑2017) dat op 15 december 2014 is goedgekeurd,

–       gezien de schriftelijke belofte met betrekking tot de EU-integratie van het presidentschap van Bosnië en Herzegovina van 29 januari 2015 waaraan de parlementaire vergadering van Bosnië en Herzegovina op 23 februari 2015 zijn goedkeuring heeft verleend,

–       gezien het besluit van de Raad van 19 januari 2015 om Lars‑Gunnar Wigemark tot speciale vertegenwoordiger van de EU en hoofd van de delegatie voor Bosnië en Herzegovina te benoemen,

–       gezien zijn eerdere resoluties over het land,

–       gezien de werkzaamheden van Cristian Dan Preda als de vaste rapporteur over Bosnië en Herzegovina van de Commissie buitenlandse zaken,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de EU herhaaldelijk ondubbelzinnig heeft verklaard zich te willen inzetten voor het Europees perspectief van Bosnië en Herzegovina en de territoriale integriteit, soevereiniteit en eenheid van het land;

B.     overwegende dat de EU Bosnië en Herzegovina een nieuwe mogelijkheid heeft geboden op grond van een gecoördineerde aanpak die is ontwikkeld om het land te helpen bij de hervatting van het hervormingsproces, de verbetering van de sociale en economische situatie en het dichterbij de Europese Unie te brengen; overwegende dat nu een even ondubbelzinnige inzet en betrokkenheid van de politieke elites van het land is vereist; overwegende dat toetreding tot de EU een inclusief proces is dat het hele land aangaat en alle burgers, en een nationale consensus over de hervormingsagenda vereist;

C.     overwegende dat de uitermate complexe en inefficiënte institutionele architectuur, het gebrek aan voldoende samenwerking en coördinatie tussen de politieke leiders van Bosnië en Herzegovina en alle bestuurslagen, de afwezigheid van een gemeenschappelijke visie en een politieke wil, en etnocentrische attitudes de vooruitgang ernstig hebben belemmerd; overwegende dat meningsverschillen op politiek en etnisch gebied uiterst negatieve gevolgen hebben gehad voor de werkzaamheden van de vergaderingen op nationaal niveau;

D.     overwegende dat de voortdurende politieke patstelling een ernstige belemmering vormt voor de stabilisering en ontwikkeling van het land en dat de burgers een veilige en voorspoedige toekomst wordt onthouden; overwegende dat politieke inertie, werkeloosheid en een zeer hoge mate van corruptie en ontevredenheid over de politieke elites in februari 2014 tot maatschappelijke onrust hebben geleid die zich vanuit Tuzla verspreidde over het hele land;

E.     overwegende dat de EU van de rechtsstaat het kernpunt van het uitbreidingsproces heeft gemaakt; overwegende dat krachtige politieke steun van cruciaal belang is om op deze gebieden vooruitgang te boeken;

F.     overwegende dat de corruptie wijdverbreid is, het openbaar bestuur gefragmenteerd is, de vele verschillende rechtsstelsels een uitdaging vormen, de samenwerkingsmechanismen met het maatschappelijk middenveld nog steeds zwak zijn, het medialandschap gepolariseerd is, en gelijke rechten voor alle constituerende bevolkingsgroepen en burgers niet gewaarborgd zijn;

G.     overwegende dat meer dan 50 % van de staatsinkomsten van Bosnië en Herzegovina wordt besteed aan de instandhouding van de administratie op tal van niveaus; overwegende dat Bosnië en Herzegovina op grond van indicatoren voor "gemakkelijk zakendoen" van de Wereldbank de laagste score van de Europese landen behaalt en behoort tot de landen met de laagste scores op de Corruption Perception Index (corruptieperceptie-index); overwegende dat Bosnië en Herzegovina het hoogste percentage jeugdwerkloosheid in Europa kent (59 % van de beroepsbevolking tussen 15 en 24 jaar);

1.      is verheugd over het feit dat de Raad heeft gereageerd op zijn oproep om de aanpak van de EU ten aanzien van Bosnië en Herzegovina opnieuw te bekijken; dringt er bij de nieuwe leiders van Bosnië en Herzegovina op aan zich volledig in te zetten voor de uitvoering van de noodzakelijke institutionele, economische en sociale hervormingen om het leven van de burgers van Bosnië en Herzegovina te verbeteren en om vooruitgang in de richting van het EU-lidmaatschap mogelijk te maken; wijst erop dat aanzienlijke vooruitgang bij de uitvoering van de hervormingsagenda, met inbegrip van het "Pact voor groei en banen", noodzakelijk zal zijn opdat de aanvraag van het EU-lidmaatschap in aanmerking wordt genomen; onderstreept het feit dat Bosnië en Herzegovina, zoals elke (potentiële) kandidaat-lidstaat, moet worden beoordeeld op zijn eigen verdiensten, en dat de snelheid en kwaliteit van de noodzakelijke hervormingen het tijdspad voor de toetreding bepalen;

2.      benadrukt dat de Commissie bijzondere aandacht moet besteden aan de tenuitvoerlegging van het vonnis in de zaak Sejdić-Finci, wanneer de Raad haar vraagt een advies voor te bereiden over de aanvraag van het EU-lidmaatschap; verzoekt de Commissie bereid te zijn zich in te zetten voor een overeenkomst over de tenuitvoerlegging ervan om de gelijke rechten van alle burgers te garanderen, alsook om een actieve rol te spelen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de EU-agenda, met inbegrip van een functioneel systeem voor goed bestuur, democratische ontwikkeling en economische welvaart, en eerbiediging van de mensenrechten;

3.      steunt de Europese integratie van Bosnië en Herzegovina ten zeerste en is ervan overtuigd dat de versterkte aanpak van de EU onder meer moet focussen op sociaaleconomische kwesties, het ondernemingsklimaat, het institutioneel kader, de rechtsstaat en het bestuur, het wetshandhavingsbeleid, de rechterlijke macht, het maatschappelijk middenveld en de jeugd, en tegelijkertijd de EU-voorwaarden voor toetreding onveranderd moet houden; vraagt de HV/VV, de Commissie en de lidstaten een gecoördineerd, consistent en coherent EU-standpunt aan te houden en te tonen dat de EU-integratie van Bosnië en Herzegovina een prioriteit is van het buitenlands beleid van de EU; benadrukt dat de EU moet trachten alle financiële donoren samen te brengen ter ondersteuning van de efficiënte uitvoering van de nieuwe aanpak van de EU en de schriftelijke belofte;

4.      uit zijn tevredenheid over de schriftelijke belofte om te integreren in de EU, die werd gedaan door het presidentschap van Bosnië en Herzegovina, en die op 23 februari 2015 werd ondertekend door alle in het parlement vertegenwoordigde politieke partijen en ondersteund door het parlement zelf, over maatregelen om institutionele functionaliteit en efficiëntie in te voeren, hervormingen in alle bestuurslagen te starten, en om het verzoeningsproces te versnellen en de administratieve capaciteit te versterken; erkent dat de schriftelijke belofte de weg heeft vrijgemaakt voor de overeenkomst in de Raad op 16 maart 2015 om over te gaan tot sluiting en de inwerkingtreding van de stabilisatie- en associatieovereenkomst (SAO); vraagt alle politieke leiders volledig mee te werken aan de zorgvuldige en snelle uitvoering van de schriftelijke belofte met name wat betreft de versterking van de rechtsstaat en de bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad; herinnert eraan dat politiek engagement en oprechte verantwoordelijkheid voor het hervormingsproces van essentieel belang zijn; vraagt de nieuwe leiders van Bosnië en Herzegovina met de EU een stappenplan af te spreken voor een brede en inclusieve hervormingsagenda om het land vooruit te brengen op de weg naar Europese integratie; roept op tot transparantie in het proces van de planning en uitvoering van de hervormingen en verzoekt dringend het maatschappelijk middenveld bij het hervormingsproces te betrekken;

5.      verzoekt de nieuwe politieke leiders dringend zich te onthouden van tweedracht zaaiende nationalistische en separatistische retoriek die leidt tot polarisatie in de samenleving en zich serieus in te spannen voor hervormingen die het leven van de burgers in Bosnië en Herzegovina verbeteren, een democratische inclusieve en functionerende staat creëren en het land dichter bij de EU brengen;

6.      verzoekt de politieke leiders voorrang te geven aan het opzetten van een doeltreffend EU-coördinatiemechanisme, door instellingen op alle bestuursniveaus op efficiënte wijze aan elkaar te koppelen, om ervoor te zorgen dat het acquis in het hele land geharmoniseerd wordt omgezet en gehandhaafd met het oog op de algehele welvaart van de burgers; benadrukt dat zonder een dergelijk mechanisme het EU-toetredingsproces in een impasse zal blijven, aangezien de huidige organisatie van het land te inefficiënt en disfunctioneel is; benadrukt dat Bosnië en Herzegovina door de oprichting van een dergelijk mechanisme ten volle van de beschikbare fondsen zal kunnen profiteren; benadrukt dat met het oog op de hervorming concrete stappen moeten worden gezet en dat het land en de burgers een duidelijke richting moet worden geboden;

7.      benadrukt dat de aanpak van de sociaaleconomische behoeften van burgers prioriteit moet hebben; acht het echter ook van essentieel belang dat er naast politieke hervormingen aandacht blijft voor de democratisering van het politieke systeem; onderstreept het feit dat economische voorspoed alleen mogelijk is als deze gebaseerd is op een democratische en inclusieve samenleving en staat; benadrukt tevens dat Bosnië en Herzegovina geen succesvolle kandidaat voor het EU-lidmaatschap zal zijn zolang nog er geen passende institutionele omstandigheden zijn verwezenlijkt; merkt op dat een constitutionele hervorming die gericht is op consolidering, stroomlijning en versterking van het institutionele kader nog steeds van essentieel belang is voor de transformatie van Bosnië en Herzegovina tot een effectieve, inclusieve en volledig functionerende staat; herinnert eraan dat bij de toekomstige constitutionele hervorming ook rekening moet worden gehouden met de beginselen van federalisme, decentralisatie, subsidiariteit en legitieme vertegenwoordiging om te zorgen voor een efficiënt en soepel integratieproces van Bosnië en Herzegovina in de EU; dringt er bij alle politieke leiders op aan werk te maken van het doorvoeren van de nodige wijzigingen;

8.      is tevreden over de initiatieven van de Commissie om de door het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) gefinancierde projecten sneller uit te voeren en het economische bestuur te versterken; betreurt het dat het gebrek aan daadkracht gevolgen kan hebben voor de toewijzing van EU-middelen aan de politieke en sociaaleconomische ontwikkeling in het kader van IPA‑II; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan overeenstemming te bereiken over nationale strategieën per sector, in het bijzonder voor prioritaire terreinen als vervoer, energie, milieu en landbouw, aangezien dit de voornaamste vereiste is om ten volle van IPA-financiering te kunnen genieten;

9.      spreekt zijn lof uit over het feit dat de verkiezingen van oktober 2014 goed zijn verlopen; stelt echter vast dat het verkiezingsproces voor de tweede maal op rij plaats had zonder dat elke burger zich voor elke functie kandidaat kon stellen; benadrukt dat alle nieuwe parlementaire organen en regeringen op alle niveaus dringend moeten worden ingesteld; spoort de nieuwe leiders aan het beginsel van algemeen, gelijk en rechtstreeks kiesrecht na te leven, zich open te stellen voor de bevolking, het gesprek aan te gaan met het maatschappelijk middenveld, en onverwijld verantwoorde antwoorden op hun legitieme bekommernissen te formuleren; roept de bevoegde autoriteiten op een onderzoek te starten naar de zeer ernstige beschuldigingen tegen de premier van de Republika Srpska (RS), die betrokken zou zijn bij het kopen van de stemmen van twee parlementariërs die geen lid van haar partij zijn, om een meerderheid te verwerven in de parlementaire vergadering van de RS (RSNA);

10.    is verheugd over de overrompelende nationale en internationale solidariteit, met inbegrip van het EU-programma voor herstel na overstromingen, naar aanleiding van de natuurrampen van 2014; is tevreden dat de EU op verzoek van Bosnië en Herzegovina onmiddellijk aanzienlijke reddings- en hulpverleningsmaatregelen heeft getroffen en in juli 2014 een donorconferentie heeft georganiseerd, onder auspiciën van de Commissie, samen met Frankrijk en Slovenië; onderstreept dat de Commissie Bosnië en Herzegovina heeft gevraagd deel uit te maken van het mechanisme voor civiele bescherming van de Unie; vraagt op alle niveaus doeltreffende en gecoördineerde preventiemaatregelen te treffen om de gevolgen van de huidige rampen aan te pakken en dergelijke rampen in de toekomst te voorkomen; is verheugd over de vele positieve voorbeelden van zeer nauwe interetnische samenwerking en steun na de overstromingen, een teken dat verzoening mogelijk is; is van mening dat regionale samenwerking en nauwe betrekkingen met buurlanden fundamenteel zijn voor een snelle reactie op dit soort rampen in de toekomst;

11.    herinnert eraan dat een professioneel, effectief en op verdiensten gebaseerd openbaar bestuur voor Bosnië en Herzegovina en ieder ander land dat lid van de EU wil worden, de ruggengraat van het integratieproces vormt; is uiterst bezorgd dat het openbaar bestuur, dat geacht wordt Bosnië en Herzegovina op weg te helpen naar EU-lidmaatschap en de levensomstandigheden van zijn burgers te verbeteren, gefragmenteerd, gepolitiseerd en disfunctioneel blijft; blijft bezorgd over de betaalbaarheid en over het feit dat het gebrek aan politieke wil voor de hervorming van het ambtelijk apparaat gevolgen kan hebben voor de openbare dienstverlening; verzoekt alle bevoegde actoren een nieuwe strategie voor de hervorming van het openbaar bestuur en een nieuw actieplan voor na 2014 aan te nemen om de complexe institutionele structuur te vereenvoudigen, de kosten te rationaliseren en de staat beter te laten functioneren;

12.    dringt er bij de autoriteiten op aan van corruptiebestrijding een absolute prioriteit te maken, omdat het nog niet tot bevredigende verbeteringen heeft geleid en alle sectoren ermee te maken hebben, met inbegrip van gezondheidszorg en onderwijs, die de meest kwetsbare mensen treffen, en het pessimisme onder burgers toeneemt en hun vertrouwen in de instellingen wordt aangetast; dringt aan op doeltreffende anti-corruptiemechanismen, onafhankelijke gerechtelijke afhandeling en inclusieve raadplegingen met alle belanghebbenden, waardoor een tijdige goedkeuring van een hernieuwd strategisch kader voor 2015‑2019 moet worden gewaarborgd; dringt in het algemeen aan op efficiënte tenuitvoerlegging van anti-corruptiemaatregelen; is verheugd dat op staatsniveau een aantal anti-corruptiewetten werd aangenomen, met inbegrip van de bescherming van klokkenluiders en dat, op federaal niveau, preventie-organen werden opgericht; veroordeelt pogingen om de bestaande beginselen van de rechtsstaat te ondermijnen en uit zijn bezorgdheid over het feit dat de wet inzake belangenconflicten het juridisch kader verzwakt en een stap achteruit betekent voor de preventie van belangenconflicten, omdat het risico op politieke inmenging er door toeneemt en ambtenaren niet worden gestimuleerd om de regels na te leven; dringt aan op het versterken van parlementaire organen ter preventie van belangenconflicten; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan in ophefmakende corruptiezaken voor doeltreffende onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen te zorgen, in het bijzonder in het kader van overheidsopdrachten en privatisering;

13.    blijft uiterst bezorgd over de inefficiëntie van het rechtsstelsel, het risico op politieke inmenging in rechtszaken, de politisering van benoemingsprocedures, de gefragmenteerde begrotingsprocedure op het vlak van de rechterlijke macht en het openbaar ministerie, en het risico op belangenconflicten in het rechtsstelsel; dringt er bij de nieuwe leiders van het land op aan structurele en institutionele hervormingen door te voeren en zo onder meer de harmonisering van de vier verschillende rechtsstelsels aan te pakken; nodigt hen uit de aanbevelingen van de Commissie te volgen, zoals bv. de institutionele hervorming van het rechtsstelsel op nationaal niveau, met inbegrip van de goedkeuring van een wet op rechtbanken van Bosnië en Herzegovina; dringt er bij de komende ministerraad op aan de reeds voorbereide nieuwe hervormingsstrategie voor het rechtsstelsel aan te nemen; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de instelling van een Ombudsman; merkt op dat in de grondwet van de Republika Srpska nog steeds een moratorium op de doodstraf van kracht is en spoort de autoriteiten van de Republika Srpska aan de doodstraf met onmiddellijke ingang af te schaffen;

14.    vindt het zorgwekkend dat de toegang tot gratis rechtsbijstand slechts zeer beperkt is en dat het recht daarop nog steeds niet volledig wettelijk is vastgelegd in heel Bosnië en Herzegovina, waardoor het recht op toegang tot de rechter voor de meest kwetsbare mensen beperkt is; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan op staatsniveau een wet inzake gratis rechtsbijstand goed te keuren en de rol van het maatschappelijk middenveld bij het verstrekken daarvan duidelijk vast te leggen;

15.    is tevreden dat de gestructureerde dialoog over justitie tussen de EU en Bosnië en Herzegovina werd uitgebreid naar bijkomende kwesties betreffende de rechtsstaat, in het bijzonder corruptie en discriminatie, en dat deze uitbreiding positieve resultaten heeft opgeleverd op het vlak van regionale samenwerking, de vervolging van oorlogsmisdaden, en de professionalisering en doeltreffendheid van het rechtsstelsel; is ingenomen dat het maatschappelijk middenveld een rol heeft toebedeeld gekregen in het proces; stelt vast dat de omstandigheden in verschillende rechtbanken in de entiteiten zijn verbeterd, met inbegrip van de bescherming van getuigen;

16.    is bezorgd dat in bepaalde verklaringen de legitimiteit van de veroordelingen van het Internationaal Straftribunaal voor het voormalige Joegoslavië (ICTY) ter discussie werd gesteld, waardoor de rechtbank in Den Haag wordt ondermijnd; dringt aan op stappen om de bescherming van slachtoffers te verbeteren en het werk van het kantoor van de aanklager van Bosnië en Herzegovina te verbeteren door de behandeling van oorlogsmisdaden van categorie II te herzien; is verheugd over de vorderingen bij het wegwerken van de achterstand bij de afhandeling van oorlogsmisdaden; stelt vast dat de vervolging van oorlogsmisdaden waarbij seksueel geweld werd gebruikt, is verbeterd en verzoekt dit proces voort te zetten; benadrukt dat de bevoegde autoriteiten het nog steeds niet goedgekeurde programma op nationaal niveau ter verbetering van het statuut van slachtoffers van dergelijke oorlogsmisdaden moeten goedkeuren, met inbegrip van het recht op compensatie, en ervoor moeten zorgen dat zij daadwerkelijk toegang krijgen tot de rechter, en dat zij de bepalingen van het strafrecht van Bosnië en Herzegovina inzake seksueel geweld in overeenstemming moeten brengen met internationale normen;

17.    spreekt zijn zorg uit over het onverminderd hoge aantal vermiste personen en de geringe voortgang op dat gebied; verzoekt de autoriteiten een intensieve vorm van samenwerking tussen de twee entiteiten tot stand te brengen en de inspanningen bij de opsporing van vermiste personen op te voeren;

18.    herdenkt alle slachtoffers van de genocide in Srebrenica in 1995 en betuigt zijn diepste gevoelens van medeleven aan de betrokken families en overlevenden; spreekt zijn steun uit voor organisaties zoals "Moeders van Srebrenica en Zepa", met het oog op de cruciale rol die zij hebben vervuld om de aandacht hiervoor te vergroten en een bredere basis te creëren voor verzoening tussen alle burgers van het land; roept alle burgers van Bosnië en Herzegovina op de herdenking van de massamoord in Srebrenica twintig jaar geleden aan te grijpen als een kans om een verdere impuls te geven aan verzoening en samenwerking, twee elementen die voor alle landen uit de regio de belangrijkste voorwaarden vormen voor vervolgstappen op weg naar toetreding tot Europa;

19.    stelt bezorgd vast dat er in Bosnië en Herzegovina 84 500 binnenlandse ontheemden en 6 853 vluchtelingen zijn; is bezorgd over de schending van de rechten van teruggekeerde vluchtelingen in de Republika Srpska; is echter verheugd dat het parlement van de Federatie nieuwe maatregelen heeft aangenomen waardoor personen die terugkeren uit de Republika Srpska (RS), in de Federatie toegang hebben tot pensioenuitkeringen en gezondheidszorg, maar benadrukt dat het van belang is dat alle burgers gelijke toegang hebben tot sociale voorzieningen; verzoekt instanties op alle bestuurlijke niveaus, en in het bijzonder de autoriteiten van de Republika Srpska, de terugkeer van binnenlandse ontheemden en vluchtelingen te bespoedigen door alle daartoe benodigde wettelijke en bestuurlijke maatregelen te treffen en ten uitvoer te leggen; dringt aan op samenwerking op dit gebied en om de juiste voorwaarden te scheppen voor hun vreedzame en duurzame reïntegratie; vraagt dat de herziene strategie met betrekking tot bijlage VII van het vredesakkoord van Dayton effectief wordt uitgevoerd; vraagt de goede regionale samenwerking in het kader van het proces van de verklaring van Sarajevo voort te zetten; dringt aan op een alomvattende aanpak om de resterende problemen op te lossen om het land tegen 2019 te ontmijnen;

20.    spreekt nogmaals zijn steun uit voor de visumliberalisering die tot zichtbare positieve effecten heeft geleid voor de burgers van Bosnië en Herzegovina; herhaalt zijn toezegging om het recht op visumvrij reizen voor de burgers van de Westelijke Balkan te waarborgen; dringt daarnaast aan op maatregelen op nationaal niveau, in het bijzonder sociaaleconomische maatregelen voor de meest kwetsbare groepen, alsmede op actieve maatregelen ter verbetering van de samenwerking en informatie-uitwisseling bij de aanpak van netwerken van de georganiseerde misdaad, op strengere grenscontroles en op voorlichtingscampagnes; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de integriteit van de regeling voor vrijstelling van visumplicht te waarborgen en in samenwerking met de lidstaten mogelijk misbruik van het asielsysteem van de EU aan te pakken;

21.    merkt op dat de bestrijding van de georganiseerde misdaad en corruptie van fundamenteel belang is om pogingen tot criminele infiltratie in politieke, juridische en economische systemen tegen te gaan; stelt vast dat enige vooruitgang werd geboekt op het vlak van de bestrijding van georganiseerde misdaad en terrorisme; wijst erop dat het van belang is te voldoen aan de GRECO-aanbevelingen; neemt met zorg kennis van meldingen over toenemende radicalisering van jongeren in Bosnië en Herzegovina, die zich in betrekkelijk groten getale bij de terroristische strijders van IS aansluiten; dringt er bij de autoriteiten op aan het wetboek van strafrecht te wijzigen zodat het strafbaar stellen van de financiering van terrorisme wordt versterkt; is verheugd over de wijziging van het wetboek van strafrecht die behelst dat het lid worden van buitenlandse paramilitaire groeperingen wordt verboden en bestraft om religieuze radicalisering te voorkomen; benadrukt tevens dat het belangrijk is om alle vormen van extremisme en geweldsverheerlijkende radicalisering te voorkomen; is eveneens tevreden over grootschalige politieacties in heel Bosnië en Herzegovina, waarbij personen werden gearresteerd op verdenking van het organiseren, steunen en financieren van terroristische activiteiten, waaronder buitenlandse strijders; dringt erop aan in het wetboek van strafrecht van de Federatie van Bosnië en Herzegovina een bepaling over haatdelicten op te nemen; prijst de relevante agentschappen van Bosnië en Herzegovina voor hun inspanningen en vastberadenheid om de toenemende veiligheidsdreigingen op professionele wijze te bestrijden; verzoekt de Commissie om de bevoegde autoriteiten assistentie te verlenen bij het tegengaan van alle bedreigingen van de veiligheid en terroristische dreigingen;

22.    stelt vast dat Bosnië en Herzegovina nog steeds fungeert als een land van herkomst, doorreis en bestemming voor mensenhandel; beveelt aan dat de autoriteiten doeltreffende maatregelen treffen, met inbegrip van wetgevingsmaatregelen, om drugshandel en mensenhandel te bestrijden en bescherming te bieden aan de slachtoffers daarvan;

23.    vindt dat de rol van het maatschappelijk middenveld moet worden versterkt door deze de belangen van de burgers te laten verwoorden, met name van jongeren, zoals vorig jaar tijdens de plenaire vergaderingen aan de orde werd gesteld; wijst erop dat het maatschappelijk middenveld een bijdrage kan leveren aan de ontwikkeling van sociale cohesie en democratie in de samenleving, door het verlenen van sociale diensten van vitaal belang; merkt op dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol moeten spelen in het EU-integratieproces; dringt er bij de Commissie op aan Europese middelen ter beschikking te blijven stellen aan organisaties van het maatschappelijk middenveld; merkt op dat de institutionele mechanismen voor de samenwerking met het maatschappelijk middenveld zwak blijven en de ontwikkeling van een meer participerende, inclusieve en ontvankelijke democratie in het hele land belemmeren; dringt derhalve aan op de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van transparante en inclusieve mechanismen van openbare raadpleging waarbij alle publieke belanghebbenden worden betrokken, op de vaststelling van een kader voor openbaar debat over belangrijke wetgevingsbesluiten, en op de goedkeuring van een nationale strategie voor het maatschappelijk middenveld; spreekt zijn zorg uit over het aantal gemelde gevallen van intimidatie tijdens de sociale onrust van vorig jaar;

24.    vindt dat in Bosnië en Herzegovina een inclusieve en tolerante samenleving moet worden bevorderd en dat de rechten van minderheden en kwetsbare groepen moeten worden beschermd en bevorderd; herinnert eraan dat het niet uitvoeren van het vonnis in de zaak Sejdić-Finci tot openlijke discriminatie van burgers van Bosnië en Herzegovina leidt; dringt erop aan dat er stappen worden ondernomen om de rol van de Ombudsman voor de mensenrechten te versterken en dat er op nationaal niveau in samenwerking met het maatschappelijk middenveld een strategie tegen alle vormen van discriminatie wordt ontwikkeld; vraagt de bevoegde autoriteiten de wetgeving verder te harmoniseren met het EU-acquis, en daarbij in het bijzonder aandacht te schenken aan handicaps en leeftijd als gronden van discriminatie, zoals onderstreept in de gestructureerde dialoog; vraagt het Ministerie van Mensenrechten en Vluchtelingen van Bosnië en Herzegovina onverwijld een werkgroep in te stellen voor het opstellen van wijzigingen in de antidiscriminatiewet van Bosnië en Herzegovina; is bezorgd over het feit dat haatdragende taal, haatdelicten, bedreigingen, pesterijen en discriminatie ten aanzien van LGBTI wijdverbreid blijven; moedigt de autoriteiten aan bewustmakingsacties over de rechten van LGBTI te organiseren onder de rechterlijke macht, rechtshandhavingsinstanties en het grote publiek; is bezorgd dat nog steeds gevallen van discriminatie op grond van religie worden gemeld;

25.    betreurt ten zeerste de voortdurende marginalisering en discriminatie van Roma; prijst de vorderingen die zijn geboekt op het gebied van de huisvestingsbehoeften van Roma, maar moedigt verdere stappen ter verbetering van de leefomstandigheden van Roma aan door hun toegang tot werkgelegenheid, gezondheidszorg en onderwijs te verbeteren;

26.    merkt op dat er wettelijke bepalingen ter waarborging van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid bestaan, maar dat in de uitvoering van deze bepalingen slechts beperkte vooruitgang is geboekt; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan zich proactief in te spannen om de deelname van vrouwen aan de politiek en de arbeidsmarkt te verhogen, om de discriminatie van vrouwen op de arbeidsmarkt op grond van zwangerschap en ouderschapsverlof te bestrijden, hun sociale en economische situatie te verbeteren, en hun rechten te bevorderen, beschermen en versterken, en in het algemeen, het publiek ervan bewust te maken en de mensen te doen inzien wat vrouwenrechten behelzen; verzoekt de autoriteiten met klem een strategie aan te nemen voor de uitvoering van het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van de Raad van Europa en een geharmoniseerd systeem in te stellen voor toezicht op en gegevensverzameling over gevallen van geweld tegen vrouwen;

27.    dringt er bij Bosnië en Herzegovina op aan zo snel mogelijk een verwijzing naar seksuele oriëntatie en genderidentiteit op te nemen in de wet inzake haatmisdrijven, om het aldus mogelijk te maken dat mensen die verschillende vormen van repressie wegens seksuele oriëntatie of genderidentiteit uitoefenen, worden veroordeeld;

28.    stelt vast dat er juridische bepalingen werden ingevoerd inzake de vrijheid van meningsuiting; uit echter zijn bezorgdheid over de politieke en financiële druk op de media en de intimidatie en bedreigingen van journalisten en uitgevers, ook in de periode voorafgaand aan de verkiezingen; veroordeelt pogingen om de bestaande regels te ondermijnen, die schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid, ook online; benadrukt dat gebeurtenissen als de inval van de politie in de kantoren van Klix.ba in Sarajevo of de recente goedkeuring door de Nationale Vergadering van de Republika Srpska (RSNA) van de controversiële wet inzake openbare orde en vrede aanleiding geven tot ernstige bezorgdheid over de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid in het land, inclusief in de sociale media; benadrukt dat media zonder vrees moeten kunnen functioneren in een gezonde democratie; dringt erop aan dat de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid volledig moeten worden geëerbiedigd en dat journalisten informatie moeten kunnen inwinnen over zaken van openbaar belang; onderstreept dat stabiele en duurzame financiering, redactionele onafhankelijkheid, uitzending in alle officiële talen en pluralisme van essentieel belang zijn voor publieke media; verzoekt de autoriteiten alle mazen in de wet te dichten die de volledige transparantie van de eigendom van de media systematisch belemmeren en regelgeving te initiëren om te waarborgen dat er geen sprake is van ongepaste politieke invloed; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan de politieke, institutionele en financiële onafhankelijkheid van de openbare omroepen te waarborgen en de wetten van de entiteiten over publieke omroepen op één lijn te brengen met de wetgeving op nationaal niveau; benadrukt dat de directeur van de Regelgevende Autoriteit voor communicatie op basis van verdiensten moet worden aangeduid;

29.    blijft bezorgd over het feit dat in openbare scholen in kinderen nog steeds op basis van afkomst worden gescheiden; merkt op dat een gemeenschappelijke, inclusieve en objectieve bestudering van de gemeenschappelijke geschiedenis en recente historische gebeurtenissen wordt verhinderd doordat er sprake is van drie verschillende curricula; dringt bij de autoriteiten aan op een effectieve uitvoering van de beginselen van inclusief onderwijs met betrekking tot kinderen met een handicap; dringt er bij de nieuwe leiders van het land op aan onverwijld in beide entiteiten en het Brčko District een inclusief en niet-discriminatoir onderwijssysteem te bevorderen, de scheiding tussen de verschillende etnische groepen op te heffen en verder te werken aan onderwijshervormingen gericht op betere onderwijsnormen en de invoering van een gemeenschappelijk curriculum; verzoekt ook om haast te maken met de uitvoering van het actieplan voor de onderwijsbehoeften van Roma-kinderen en hun integratie in het onderwijssysteem;

30.    herinnert eraan dat de bevolking van Bosnië en Herzegovina met de straatprotesten in februari 2014 een duidelijke roep om sociaal-economische hervormingen heeft laten horen; is ervan overtuigd dat de tenuitvoerlegging van maatregelen in de zes belangrijkste hervormingsgebieden van het "Pact voor groei en banen" de vastgelopen sociaaleconomische hervormingen opnieuw zal stimuleren, ook op het vlak van groei en werkgelegenheid en overheidsopdrachten; vraagt de nieuwe regeringen op nationaal, entiteits- en kantonnaal niveau nauw met elkaar samen te werken om van economisch bestuur en het Pact een belangrijke hervormingsprioriteit te maken; benadrukt de noodzaak van de verdere ontwikkeling en uitvoering van een economisch hervormingsprogramma;

31.    is van mening dat Bosnië en Herzegovina weinig vooruitgang heeft geboekt in zijn groei naar een functionerende markteconomie; benadrukt dat het van belang is het hoofd te bieden aan concurrentiedruk en marktwerking; is bezorgd dat aanzienlijke gebreken op het vlak van bedrijfsklimaat negatieve gevolgen blijven hebben voor de ontwikkeling van de privésector en buitenlandse directe investeringen; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan de zwakke handhaving van de rechtsstaat, de grote informele sector en de hoge corruptie aan te pakken, omdat deze het bedrijfsklimaat belemmeren; dringt aan op harmonisering met de Solvabiliteit II-richtlijn;

32.    benadrukt dat de gefragmenteerde socialezekerheidsstelsels moeten worden hervormd en geharmoniseerd op basis van de behoeften van de burgers om allen een gelijke behandeling te bieden, de armoede te verminderen en een sociaal vangnet te ontwikkelen dat beter is afgestemd op arme en sociaal uitgesloten mensen; onderstreept het feit dat economische voorspoed en het uitzicht op een baan, met name voor jongeren, van essentieel belang zijn voor de ontwikkeling van het land; verzoekt de regeringen de arbeidsmarkt te hervormen om iets aan de zeer hoge werkloosheid te doen, met de focus op jeugd-, vrouwen- en langetermijnwerkloosheid; merkt op dat de arbeids- en vakbondsrechten nog steeds beperkt zijn; verzoekt de autoriteiten de relevante wetten in het hele land verder te verbeteren en te harmoniseren; benadrukt dat onderwijs en opleiding verbeterd moeten worden om de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden aan te pakken en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt vooral onder jongeren te verbeteren;

33.    benadrukt het belang van de harmonisering en verbetering van geldende vakbondsrechten en voorschriften voor arbeidsvoorwaarden, die zich op dit moment niet binnen alle sectoren op hetzelfde niveau bevinden; merkt voorts op dat sociale uitkeringen en pensioenen niet gelijk worden verdeeld onder iedereen;

34.    merkt op dat weinig vorderingen zijn geboekt op het gebied van het milieu en de klimaatverandering en vraagt de autoriteiten om een betere milieubescherming in overeenstemming met EU-normen; dringt er bij Bosnië en Herzegovina op aan al zijn contractuele verplichtingen uit hoofde van de Energiegemeenschap en de SAO na te leven, en te zorgen voor een adequate en snelle toenadering tot het milieu-acquis van de EU, inclusief het voorkomen van excessieve luchtverontreiniging; benadrukt dat Bosnië en Herzegovina zijn verplichtingen in het kader van het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo, 1991) en het Protocol betreffende strategische milieu-effectrapportage (Kiev, 2003), en andere internationale verdragen volledig moet gaan naleven, in het bijzonder met betrekking tot de activiteiten in het stroomgebied van de Neretva en de Trebišnjica; verzoekt Bosnië en Herzegovina zich aan te passen aan de milieunormen van de EU, in het bijzonder met betrekking tot de verontreiniging door de olieraffinaderij in Bosanski Brod;

35.    is verheugd over de constructieve en proactieve houding van Bosnië en Herzegovina ten aanzien van regionale samenwerking; prijst de regelmatige gezamenlijke grenscontroles met buurlanden; onderstreept het cruciale belang van goede betrekkingen met de buurlanden; nodigt de nieuwe leiders uit de inspanningen voor een oplossing van de openstaande grens- en eigendomsgeschillen met de buurlanden voort te zetten en op te voeren; moedigt Bosnië en Herzegovina aan het demarcatieproces met Montenegro te goeder trouw op basis van de in mei 2014 bereikte overeenkomst af te ronden;

36.    betreurt het dat er uiteenlopende standpunten over het buitenlands beleid van Bosnië en Herzegovina blijven bestaan, waardoor de aanpassing aan de EU-standpunten laag is (52 %); wijst op het cruciale belang van een uniform buitenlands beleid van Bosnië en Herzegovina; maakt zich zorgen over de gevolgen van de verwerping door Rusland van de standaardformuleringen van de Vredesimplementatieraad over de territoriale integriteit van Bosnië en Herzegovina en de negatieve bewoordingen van dat land over de EU-aspiraties van Bosnië en Herzegovina; is ingenomen met de voortgezette aanwezigheid van operatie Althea, als onderdeel van een hernieuwd VN-mandaat, die is gericht op capaciteitsopbouw en opleiding;

37.    verzoekt de recentelijk gekozen instellingen van Bosnië en Herzegovina gebruik te maken van de hernieuwde benadering van de EU om de overeenkomst te sluiten over de aanpassing van de interimovereenkomst/SAO, rekening houdend met de toetreding van Kroatië tot de EU en met de instandhouding van de traditionele handel;

38.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de HV/VV, de Raad, de Commissie, het presidentschap van Bosnië en Herzegovina, de ministerraad van Bosnië en Herzegovina, de Parlementaire Vergadering van Bosnië en Herzegovina en de regeringen en parlementen van de Federatie van Bosnië en Herzegovina, Republika Srpska en de regeringen van tien provincies/kantons.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid