Procedure : 2015/2589(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0364/2015

Ingediende teksten :

B8-0364/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.66
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0175

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 145kWORD 75k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0363/2015
27.4.2015
PE555.138v01-00
 
B8-0364/2015

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de tweede herdenking van de instorting van het Rana Plaza-gebouw en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh  (2015/2589(RSP))


Gabriele Zimmer, Anne-Marie Mineur, Paloma López Bermejo, Patrick Le Hyaric, Marie-Christine Vergiat, Pablo Iglesias, Lola Sánchez Caldentey, Malin Björk, Eleonora Forenza, Kateřina Konečná, Rina Ronja Kari, Younous Omarjee, Curzio Maltese, Marisa Matias, Stefan Eck, Fabio De Masi, Josu Juaristi Abaunz, Marina Albiol Guzmán, Lidia Senra Rodríguez, Javier Couso Permuy, Ángela Vallina, Sofia Sakorafa, Kostas Chrysogonos, Helmut Scholz, Martina Michels namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de tweede herdenking van de instorting van het Rana Plaza-gebouw en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh  (2015/2589(RSP))  
B8‑0364/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de gezamenlijke verklaring "Blijvend engagement: Duurzaamheidspact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh", die op 8 juli 2013 in Genève ondertekend werd door vertegenwoordigers van de regering van Bangladesh, de Europese Unie (EU) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO),

–       gezien het technische verslag van de Europese Commissie van 8 juli 2014 betreffende de voortgang van het "Blijvend engagement: Duurzaamheidspact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh",

–       gezien de publicatie van het Internationaal Verbond van Vakverenigingen (International Trade Union Confederation, ITUC) met als titel "A review of the 2013 Bangladesh Labour Act",

–       gezien de follow-upvergadering over het Duurzaamheidspact Bangladesh, die op 20 oktober 2014 in Brussel heeft plaatsgevonden,

–       gezien de gezamenlijke publicatie van het ITUC, UNI Global Union en IndustriALL met als titel "An evaluation of the Bangladesh Sustainability Compact", die in maart 2015 werd bijgewerkt,

–       gezien IAO-verdrag nr. 81 betreffende arbeidsinspecties, IAO-verdrag nr. 87 betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht en IAO-verdrag nr. 98 betreffende de toepassing van de beginselen van het recht zich te organiseren en collectief te onderhandelen, waarbij Bangladesh partij is,

–       gezien de "Overeenkomst over praktische regelingen van betalingen aan de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp en hun families", de zogenaamde Rana Plaza-regeling, waarover in november 2013 overeenstemming werd bereikt,

–       gezien IAO-verdrag nr. 121 betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten,

–       gezien de VN-richtsnoeren betreffende het bedrijfsleven en de mensenrechten en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen,

–       gezien de in mei 2013 ondertekende overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh,

–       gezien de gezamenlijke verklaring die de regeringen van Nederland, Frankrijk, Denemarken, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Italië en Spanje tijdens de OESO-bijeenkomst van 26 juni 2014 in Parijs hebben ondertekend, waarin om meer compensatie voor de slachtoffers van het ingestorte Rana Plaza-gebouw werd gevraagd,

–       gezien het Europees Jaar voor ontwikkeling en het vlaggenschipinitiatief inzake verantwoordelijk beheer in de toeleveringsketen in de kledingsector,

–       gezien het stelsel van algemene preferenties (SAP) van de EU, waarin Bangladesh, als een van de minst ontwikkelde landen, via het "alles behalve wapens"-schema rechtenvrije en quotavrije toegang tot de Europese markt krijgt,

–       gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling,

–       gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014, waarin een internationale werkgroep wordt opgericht om een internationaal juridisch bindend instrument ter regulering van de activiteiten van transnationale ondernemingen te ontwikkelen,

–       gezien zijn vorige resoluties over Bangladesh, in het bijzonder van 17 januari 2013(1), 14 maart 2013(2), 21 november 2013(3), 16 januari 2014(4) en 18 september 2014(5),

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat het op 24 april 2015 twee jaar geleden is dat het Rana Plaza-gebouw in Sayar, Bangladesh instortte, waarbij 1 134 mensen zijn omgekomen en ongeveer 2 500 mensen gewond raakten, van wie velen permanent of tijdelijk gehandicapt zijn ten gevolge van deze ramp; overwegende dat de instorting van het Rana Plaza-gebouw een van de grootste industriële ongevallen ter wereld is, maar desalniettemin niet het eerste fatale industriële ongeval in Bangladesh ten gevolge van een consistent en systematisch gebrek aan eerbiediging van de gezondheids- en veiligheidsnormen en van de rechten van werknemers en vakbonden;

B.     overwegende dat op 31 januari 2015 minstens 13 werknemers zijn omgekomen bij een brand in een plastiekfabriek in Dhaka; overwegende dat op 8 oktober 2014 zeven mensen omkwamen bij een brand in Aswad Composite Mills, dat stof leverde aan andere fabrieken in Bangladesh, waar hiervan kleding werd gemaakt voor Noord-Amerikaanse en Europese klanten zoals Walmart, Gap, H&M en Carrefour; overwegende dat op 24 november 2013 112 mensen omkwamen bij een brand in de fabriek van Tazreen Fashion in de buurt van Dhaka, waarvan onder meer C&A klant was; overwegende dat uit een verslag van de Campagne voor schone kleren en SOMO (Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen) blijkt dat tussen 2006 en het begin van 2013 bijna 600 werknemers zijn omgekomen in 245 branden in kledingfabrieken in Bangladesh;

C.     overwegende dat 29 mondiale merken op het moment van de ramp recente of lopende bestellingen hadden bij kleding- en textielfabrieken in het Rana Plaza-gebouw; overwegende dat volgens UNI Global Union vlak voor 24 april 2013 scheuren in het Rana Plaza-gebouw werden vastgesteld, waardoor het complex tijdelijk werd gesloten; overwegende dat textielwerkers in het Rana Plaza-gebouw gedwongen werden de volgende dag opnieuw aan de slag te gaan;

D.     overwegende dat geld het verdriet van de nabestaanden niet kan compenseren; overwegende dat financiële compensatie voor de families van de overleden werknemers en de ten gevolge van de ramp gewonden en gehandicapten wel essentieel is in hun strijd om economisch te overleven; overwegende dat compensatie twee jaar na de Rana Plaza-ramp nog steeds een heet hangijzer is; overwegende dat het totale bedrag om alle vorderingen te dekken tussen 30 en 40 miljoen USD werd geraamd; overwegende dat in februari 2015 het totale door bijdragen ingezamelde bedrag 21,5 miljoen USD bedroeg, hetgeen betekent dat nog minstens 8,5 miljoen USD ontbreekt;

E.     overwegende dat textielwerkers van Tuba Group in augustus 2014 in hongerstaking zijn gegaan omdat zij gedurende drie maanden niet werden betaald; overwegende dat Tuba Group hetzelfde bedrijf is dat eigenaar was van Tazreen Fashion, dat een fabriek had waar bij een brand in 2012 meer dan 100 werkers zijn omgekomen; overwegende dat deze werknemers nog steeds geen gepaste compensatie hebben ontvangen;

F.     overwegende dat de Rana Plaza-ramp de bestaande tekortkomingen met betrekking tot transparantie en traceerbaarheid doorheen de toeleveringsketens heeft blootgelegd;

G.     overwegende dat in de confectiekledingsector in Bangladesh 4 miljoen personen werkzaam zijn, van wie 80 % vrouwen; overwegende dat de EU de grootste exportbestemming van kleding uit Bangladesh is, gevolgd door de VS;

H.     overwegende dat ten gevolge van de Rana Plaza-ramp en de publieke verontwaardiging daarover verschillende initiatieven werden genomen om de situatie in de confectiekledingsector in Bangladesh te verbeteren; overwegende dat enkele van deze initiatieven zijn het Duurzaamheidspact, dat de EU samen met Bangladesh in juli 2013 heeft ondertekend, de in mei 2013 ondertekende overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid tussen merken en vakbonden en de Overeenkomst over praktische regelingen van betalingen aan de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp en hun families (de Rana Plaza-regeling), die in november 2013 werd ondertekend;

I.      overwegende dat het Duurzaamheidspact voortbouwt op bestaande beloften over de eerbiediging van arbeidsrechten, veiligheid op het werk en steun en bevordering van verantwoord ondernemerschap; overwegende dat de overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid een onafhankelijke, juridisch bindende overeenkomst voor een periode van vijf jaar tussen mondiale merken en detailhandelaren en vakbonden is om een veilige en gezonde confectiekledingsector in Bangladesh op te bouwen; overwegende dat de Rana Plaza-regeling, waarbij de IAO voorzitter is, door vertegenwoordigers van alle belangrijkste belanghebbenden werd ondertekend en de basis vormt voor een geloofwaardig, transparant en onafhankelijk systeem voor steunverlening aan de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp, hun families en verwanten in overeenstemming met de normen van IAO-verdrag nr. 121 betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten; overwegende dat compensatie via het donortrustfonds moet worden betaald;

J.      overwegende dat ondanks de geboekte vooruitgang alle internationale actoren erkennen dat de rechten van werknemers en vakbonden in Bangladesh nog steeds ernstig en systematisch worden geschonden; overwegende dat de amendementen van 2013 op de arbeidswet van Bangladesh zeer beperkt waren en daardoor nog steeds niet voldoen aan de internationale normen met betrekking tot de vrijheid van vereniging, het stakingsrecht en het recht van collectieve onderhandelingen alsook het recht om lid te worden van een vakbond, in het bijzonder wat de exportproductiezones (EPZ) betreft; overwegende dat de regering van Bangladesh de uitvoeringsbepalingen en -regelingen met betrekking tot deze amendementen ondanks meerdere toezeggingen nog altijd niet heeft gepubliceerd; overwegende dat programma's zoals het programma "Beter werk" van de IAO en het opleidingsprogramma in het kader van de overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh, afhankelijk zijn van de publicatie van deze bepalingen en regelingen;

K.     overwegende dat er weliswaar nieuwe arbeidsinspecteurs zijn aangeworven, maar dat de regering haar doel van 200 nieuwe arbeidsinspecteurs tegen het einde van 2013 niet heeft bereikt en dit doel nu nog steeds niet gehaald; overwegende dat verslagen over arbeidsinspecties niet frequent noch volledig zijn;

L.     overwegende dat het ITUC steeds bezorgder is over werkgevers die de oprichting van door het bedrijf of het management geleide vakbonden eerder dan door de werknemers geleide vakbonden aanmoedigen; overwegende dat de vereiste van minimum 30 % leden om een vakbond op te richten nog steeds bestaat; overwegende dat vakbonden de facto verboden blijven in de exportproductiezones, waar ongeveer 400 000 mensen werken; overwegende dat in de huidige ontwerpwetgeving met betrekking tot de exportproductiezones dit verbod in stand wordt gehouden en de exportproductiezones buiten het toepassingsgebied van de nationale arbeidsinspectie blijven;

M.    overwegende dat ondanks de verhoging van het maandelijks minimumloon van 3 000 taka (35 EUR) naar 5 300 taka (62 EUR) in november 2013 de Bengalese textielwerkers nog steeds geen leefbaar loon verdienen, tot de slechtst betaalden ter wereld behoren en moeite hebben om rond te komen; overwegende dat naar schatting 8 900 taka (104 EUR) noodzakelijk zijn om in de basisbehoeften te voorzien; overwegende dat uit verschillende verslagen blijkt dat tussen 40 % en 80 % van de textielfabrieken het huidige wettelijke minimumloon niet betalen;

N.     overwegende dat 2015 het Europees Jaar voor ontwikkeling is en dat Bangladesh, als een van de minst ontwikkelde landen, een begunstigde is van het stelsel van algemene preferenties van de EU, waarin het via het "alles behalve wapens"-schema rechtenvrije en quotavrije toegang tot de Europese markt krijgt;

O.     overwegende dat Bangladesh 136e van 177 landen op de Transparency Index is en overwegende dat corruptie wijdverspreid is in de mondiale textieltoeleveringsketen en dat het politieke establishment en lokale en multinationale ondernemingen erbij betrokken zijn;

P.     overwegende dat volgens het verslag van de Wereldbank het aantal mensen dat in Bangladesh in armoede leeft het voorbije decennium is gedaald; overwegende dat ondanks die officiële daling nog steeds 53 miljoen van de 160 miljoen inwoners in armoede leven; overwegende dat Bangladesh 142e van 187 landen op de menselijke ontwikkelingsindex van de VN is;

Q.     overwegende dat de rechten van werknemers en vakbonden integraal deel uitmaken van de mensenrechten; overwegende dat grote mensenrechtenorganisaties wijzen op een ernstige verslechtering van de mensenrechtensituatie in Bangladesh, vooral sinds de verkiezingen van januari 2014; overwegende dat Bangladesh op de ITUC Global Rights Index de laagste score heeft gekregen, hetgeen wijst op geen effectieve garantie van rechten;

R.     overwegende dat fabrieksbranden, instortingen van gebouwen en andere incidenten op het vlak van gezondheid en veiligheid op het werk niet beperkt zijn tot de confectiekledingindustrie in Bangladesh, maar een bron van ernstige bezorgdheid blijven in andere ontwikkelingslanden en minst ontwikkelde landen met een sterk op de uitvoer gerichte confectiekledingindustrie;

1.      erkent dat reeds lang noodzakelijke stappen in de goede richting zijn ondernomen om de werkomstandigheden en veiligheid op het werk te verbeteren; betreurt het ten zeerste dat blijkbaar een ramp van de orde van Rana Plaza en de publieke verontwaardiging daarover moesten plaatsvinden om de eerste stappen te nemen in de richting van een wijziging in de arbeidsverhoudingen in de confectiekledingindustrie in Bangladesh;

2.      herinnert eraan dat het Rana Plaza-coördinatiecomité het Rana Plaza-donortrustfonds heeft opgericht om de vrijwillige bijdragen van bedrijven en andere donoren in te zamelen om de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp en hun verwanten te compenseren en dat het totale bedrag om alle vorderingen te dekken tussen 30 en 40 miljoen USD werd geraamd; is enorm aangegrepen door het feit dat in februari 2015 het totale door vrijwillige giften van bedrijven aan het donortrustfonds ingezamelde bedrag 21,5 miljoen USD bedroeg, hetgeen betekent dat nog minstens 8,5 miljoen USD ontbreekt;

3.      herinnert aan het standpunt in zijn resolutie van 18 september 2014 dat de vrijwillige aard van de bijdragen van ondernemingen aan het donortrustfonds de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp in de steek heeft gelaten en dat een verplicht mechanisme dringend moet worden ingevoerd;

4.      roept alle merken die in Rana Plaza kleding lieten vervaardigen of die nauwe banden onderhouden met Bangladesh alsook de regering van Bangladesh en de Bangladesh Garment Manufacturers and Export Association (BGMEA) op ervoor te zorgen dat het donortrustfonds minstens 30 miljoen USD ter beschikking zal hebben op het moment van de tweede herdenking van de Rana Plaza-ramp om de overeengekomen compensatie te betalen;

5.      vraagt de Commissie, de Europese Raad en de lidstaten compensatie tot een integraal deel van het Duurzaamheidspact te maken en de tweede herdenking van de instorting van het Rana Plaza-gebouw te benutten om een publieke "name and shame"-campagne te beginnen tegen ondernemingen die in Rana Plaza kleding lieten vervaardigen en hun beloften niet zijn nagekomen om tot het donortrustfonds bij te dragen teneinde aan de slachtoffers van de Rana Plaza-ramp en hun nabestaanden de gepaste compensatie te betalen, die reeds lang betaald had moeten zijn;

6.      vraagt de Europese Raad en de lidstaten ondernemingen en hun dochtermaatschappijen die de mensenrechten en arbeidersrechten in Bangladesh schenden, uit te sluiten uit procedures van openbare aanbestedingen; is van mening dat dit ook moet gelden voor ondernemingen die op het moment van de ramp in Rana Plaza kleding lieten vervaardigen en nog steeds niet hebben bijgedragen tot het donortrustfonds;

7.      vraagt de Commissie haar monitoringsverplichtingen te vervullen en na te gaan of Bangladesh de mensenrechten-, arbeids- en milieuverdragen in het kader van het stelsel van algemene preferenties eerbiedigt en het Parlement tegen de tweede verjaardag van het Duurzaamheidspact over haar bevindingen te informeren met het oog op het ondernemen van de gepaste stappen in geval van ernstige en systematische schendingen van de beginselen van de in deel III van bijlage A bij de SAP-verordening vermelde verdragen;

8.      erkent dat op dit moment bijna 200 mode- en detailhandelsmerken de wettelijk bindende overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid hebben ondertekend en beschouwt dit als een eerste belangrijk resultaat, maar dringt er bij alle merken die de overeenkomst nog niet ondertekend hebben, vooral de merken die in de EU gevestigd zijn, op aan dit zo snel mogelijk te doen;

9.      vraagt de Commissie geloofwaardige en degelijke voorstellen en instrumenten te ontwikkelen om de transparantie en traceerbaarheid doorheen de bevoorradingsketens te verbeteren; is van mening dat het verplicht verstrekken van alle leveranciersgegevens als een voorwaarde voor toegang tot de EU-markt een belangrijke stap op dit vlak moet vormen;

10.    vraagt de Commissie wettelijk bindende en afdwingbare voorstellen te ontwikkelen met betrekking tot zorgvuldigheid in verband met de mensenrechten teneinde de feitelijke en potentiële schendingen in de toeleveringsketens van in de EU gevestigde ondernemingen vast te stellen en in het kader van het vlaggenschipinitiatief inzake verantwoordelijk beheer in de toeleveringsketen in de kledingsector te voorzien in doeltreffende rechtsmiddelen;

11.    vraagt de Commissie, de Europese Raad en de lidstaten een wetgevend voorstel in te dienen voor bindende en afdwingbare mechanismen op het vlak van maatschappelijk verantwoord ondernemen zodat in de EU gevestigde ondernemingen en hun dochtermaatschappijen in derde landen in hun hele toeleveringsketen sociale, arbeids- en milieunormen moeten naleven; betreurt het dat lidstaten tegen de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 26 juni 2014 hebben gestemd, waarin een internationale werkgroep wordt opgericht om een internationaal juridisch bindend instrument ter regulering van de activiteiten van transnationale ondernemingen te ontwikkelen, en dringt er bij de Europese instellingen en de lidstaten op aan nauw samen te werken met de VN om dit doel te bereiken;

12.    stelt vast dat de arbeidswet van Bangladesh in de nasleep van de Rana Plaza-ramp werd gewijzigd; uit echter zijn grote ontevredenheid over het feit dat de regering van Bangladesh de uitvoeringsbepalingen en -regelingen met betrekking tot deze amendementen ondanks meerdere toezeggingen nog altijd niet heeft gepubliceerd; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan deze uitvoeringsbepalingen en -regelingen onverwijld te publiceren en de vereiste van minimum 30 % leden om een vakbond op te richten onmiddellijk te laten vallen; benadrukt dat elk verder uitstel zal worden beschouwd als een indicatie van het feit dat de regering van Bangladesh blijkbaar niet bereid is de nodige stappen te ondernemen om duurzamere arbeidsverhoudingen te bevorderen;

13.    vraagt de regering van Bangladesh haar beloften in het kader van deel I en II van het Duurzaamheidspact tegen de tweede verjaardag van dit pact in juli 2015 na te komen en benadrukt dat de arbeidswetgeving van Bangladesh verder moet worden gewijzigd; staat erop dat de IAO-verdragen nr. 87 en 98 volledig moeten worden nageleefd en dat deze verdragen van toepassing moeten zijn op alle werknemers, met inbegrip van de werknemers in de exportproductiezones, waar vakbonden nog steeds verboden zijn en waarvan geweten is dat de arbeidsomstandigheden en de normen inzake gezondheid en veiligheid er ten zeerste te wensen over laten;

14.    uit zijn grote teleurstelling over het feit dat de regering van Bangladesh er niet alleen niet in is geslaagd de doelstelling om 200 extra inspecteurs aan te werven voor het einde van 2013 te halen, maar in april 2015 deze doelstelling nog steeds niet heeft bereikt; stelt vast dat er ernstige tekortkomingen zijn in de verslaglegging en regelmatige follow-upinspecties, die cruciaal zijn om vooruitgang te boeken en rampen in de toekomst te voorkomen; herhaalt het standpunt van internationale vakbonden, die benadrukken dat bijkomende aanwerving en opleiding van arbeidsinspecteurs en de garantie dat zij onafhankelijk en onbevooroordeeld kunnen functioneren, cruciaal zijn; roept de regering van Bangladesh op het nodige te doen om deze doelstellingen te bereiken;

15.    erkent dat in de confectiekledingindustrie meer vakbonden werden erkend (275 sinds 2013) en uit hierover zijn tevredenheid, maar wijst er ook op dat deze vakbonden slechts een kleine fractie van de meer dan 4 miljoen, voornamelijk vrouwelijke, werknemers in meer dan 5 000 kleding- en textielfabrieken vertegenwoordigen en dat de meeste vakbonden het recht van collectieve onderhandelingen wordt ontzegd; wijst er eveneens op dat het erkenningsproces in 2014 vertraagde en dat 26 % van alle ingediende aanvragen werden afgekeurd wegens schijnbaar willekeurige redenen;

16.    dringt er bij de BGMEA op aan het overeengekomen minimumloon in de sector na te leven en te betalen; is er sterk van overtuigd dat het overeengekomen minimumloon nog steeds niet voldoende is om in de basisbehoeften van de werknemers in de sector te voorzien en nog moet worden verhoogd, zoals de vakbonden ook vragen; vraagt de regering van Bangladesh ervoor te zorgen dat de werkgevers in de kledingsector de uitstaande lonen onmiddellijk betalen;

17.    is ontzet over de wijdverbreide antipathie en intimidatie ten aanzien van vakbonden in Bangladesh, die blijkt uit de goed gedocumenteerde gevallen van wraakacties tegen vakbondsleden, alsook van het fysieke geweld tegen vakbondsleiders en -activisten, waaronder de moord op vakbondsleider Aminul Islam; verdedigt het recht van werknemers in Bangladesh om vrij van angst en intimidatie onafhankelijke vakbonden op te richten, te registreren of hiervan lid te worden, ook in de exportproductiezones; vraagt de regering van Bangladesh om deze grondrechten te garanderen en ervoor te zorgen dat de daders van de moord op Aminul Islam voor het gerecht worden gebracht;

18.    benadrukt dat de voortdurende veronachtzaming van de rechten van werkers en vakbonden karakteristiek is voor de voortdurende en toenemende uitholling van basis- en democratische rechten onder de huidige, door Sheikh Hasina geleide regering; herhaalt zijn veroordeling van de voortdurende hardhandige aanpak van de regering ten aanzien van leden van de politieke oppositie, vakbondsleden, mensenrechtenactivisten en journalisten; benadrukt dat democratische basisrechten, zoals het recht op vrijheid van vergadering en vrijheid van meningsuiting, te allen tijde moeten worden geëerbiedigd;

19.    beschouwt het bestaan van democratische vakbondsstructuren als een onmisbaar instrument in de wereldwijde strijd voor betere gezondheids- en veiligheidsnormen en arbeidsomstandigheden, met inbegrip van de strijd voor hogere lonen; beschouwt de overeenkomsten als fundamenteel belangrijke stappen om een herhaling van de Rana Plaza-ramp en de gevolgen ervan te voorkomen; benadrukt dat dit niet alleen het geval is voor Bangladesh, maar ook voor andere landen die met soortgelijke moeilijke situaties worden geconfronteerd, vooral in de confectiekledingindustrie;

20.    concludeert dat bij de huidige productiewijze en dominantie van multinationale detailhandelaars en merken in de confectiekledingindustrie in Bangladesh en andere landen ernstige vragen kunnen worden gesteld over de duurzaamheid en het gerechtvaardigd zijn van een economisch systeem dat gebaseerd is op de schaamteloze oneerbiediging van de rechten van werknemers en vakbonden, lage lonen en uitbuiting om de omzet en winst te halen die nodig zijn om in een geglobaliseerde kapitalistische economie te overleven; wijst erop dat mondiale oplossingen nodig zijn in de confectiekledingindustrie om te voorkomen dat werknemers tegen elkaar worden uitgespeeld;

21.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Bangladesh, de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de directeur-generaal van de IAO.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0026.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0100.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0516.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA (2014)0045.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0024.

Juridische mededeling - Privacybeleid