Procedure : 2015/2589(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0366/2015

Ingediende teksten :

B8-0366/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 29/04/2015 - 10.66
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0175

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 131kWORD 67k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0363/2015
27.4.2015
PE555.140v01-00
 
B8-0366/2015

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de herdenking van de fabrieksbranden in Bangladesh en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh (2015/2589(RSP))


Tiziana Beghin, David Borrelli namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de herdenking van de fabrieksbranden in Bangladesh en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh (2015/2589(RSP))  
B8‑0366/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien zijn vorige resoluties over Bangladesh, met name die van 23 mei 2013 over arbeidsomstandigheden en gezondheids- en veiligheidsnormen naar aanleiding van de recente fabrieksbranden en de instorting van een fabrieksgebouw in Bangladesh(1), van 17 januari 2013 over de recente slachtoffers door branden in textielfabrieken, met name in Bangladesh(2), en van 14 maart 2013 over de situatie in Bangladesh(3) en over duurzaamheid in de mondiale waardeketen voor katoen(4),

–       gezien de gezamenlijke verklaring van 8 juli 2014 van de voormalige eurocommissaris voor handel Karel de Gucht en de voormalige commissaris voor werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie László Andor over de eerste herziening van het Duurzaamheidspact Bangladesh,

–       gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Volksrepubliek Bangladesh inzake partnerschap en ontwikkeling(5),

–       gezien het Stimuleringskader voor veiligheid en gezondheid op het werk (2006, C-187) en het Verdrag betreffende arbeidsveiligheid, gezondheid en het arbeidsmilieu (1981, C‑155) van de IAO, die niet zijn geratificeerd door Bangladesh, en de respectieve aanbevelingen daarbij (R-197), gezien het Verdrag betreffende de arbeidsinspectie (1947, C-081), dat door Bangladesh werd ondertekend, en de aanbevelingen daarbij (R‑164),

–       gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(6) en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(7),

–       gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een vernieuwde EU-strategie 2011‑2014 ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen" (COM(2011)0681) en gezien het laatste Multi-Stakeholder Forum over maatschappelijk verantwoord ondernemen, dat op 3 en 4 februari 2015 heeft plaatsgevonden,

–       gezien de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, waarin voor zowel regeringen als bedrijven een kader is vastgelegd om mensenrechten te beschermen en te eerbiedigen, en die in juni 2011 door de Mensenrechtenraad zijn onderschreven,

–       gezien de campagne voor schone kleren,

–       gezien de overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid (de Overeenkomst),

–       gezien het programma "Beter werk" van de IAO en de Internationale Financieringsmaatschappij (IFC),

–       gezien het nationale driepartijenactieplan inzake gebouwen- en brandveiligheid voor de confectiekledingsector in Bangladesh,

–       gezien de conclusies van de IAO-missie op hoog niveau die van 1 tot 4 mei 2013 in Bangladesh heeft plaatsgevonden,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat er bij de instorting van de kledingfabriek in het Rana Plaza-gebouw in Dhaka, de hoofdstad van Bangladesh, op 24 april 2013 meer dan 1 100 mensen om het leven zijn gekomen en ongeveer 2 500 anderen gewond zijn geraakt, waarmee dit de ergste tragedie is in de geschiedenis van de mondiale kledingproductie;

B.     overwegende dat de eigenaar van het Rana Plaza en 40 eigenaren van fabrieken die in het gebouwencomplex gevestigd waren, strafrechtelijk worden vervolgd omdat het gebouw illegaal was neergezet en enorme structurele mankementen vertoonde, maar de werknemers ondanks hun vrees ten aanzien van de veiligheid gedwongen werden door te werken;

C.     overwegende dat de Europese markt de grootste rechtenvrije en quotavrije uitvoerbestemming is voor kleding en textielproducten uit Bangladesh, die ongeveer 90 % van de totale EU‑import uit dat land uitmaken, en dat Bangladesh onder de gunstigste regeling van het stelsel van algemene preferenties valt, namelijk het "alles behalve wapens"‑initiatief;

D.     overwegende dat vóór het ongeluk ongeveer drie miljoen mensen werkzaam waren in de kledingindustrie in Bangladesh, meer dan in elke andere industrietak in dit land met 160 miljoen inwoners, en dat na de instorting van het gebouw 29 fabrieken permanent werden gesloten, hetgeen ernstige gevolgen had voor de rechten van de werknemers en de werkloosheid in het land;

E.     overwegende dat de afschaffing van de kinderarbeid in 1994, de blijvende toename van de uitvoer na de uitdoving van de MVR-quota en de wereldwijde recessie duidelijk aantonen dat de regering zich inzet om verandering in de situatie te brengen;

F.     overwegende dat tot dusver 21,5 miljoen dollar in het Rana Plaza-donorfonds is gestort, met bijdragen van kopers, het fonds van de premier van Bangladesh en andere particuliere donoren, maar dat ten minste 30 miljoen dollar nodig is om alle vorderingen voor schadevergoeding te dekken; overwegende dat eisers tot dusver slechts maximaal 70 % van de verschuldigde schadevergoeding hebben ontvangen en dat verdere betalingen zijn uitgesteld omdat de merken de noodzakelijke 8,5 miljoen dollar voor de uitvoering van de regeling niet hebben betaald;

G.     overwegende dat het bestaande compensatiefonds niet volstaat voor de dekking van de medische kosten van de slachtoffers die langdurige medische zorg nodig hebben, noch voor de bijkomende betalingen bestemd voor overleden en gewonde werknemers;

H.     overwegende dat de Rana Plaza-ramp de EU ertoe heeft gebracht om in juli 2013, samen met de regering van Bangladesh, de VS en de IAO, het "Pact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh" (Duurzaamheidspact) te sluiten, waarin Bangladesh zich verplicht tot het nemen van maatregelen om de arbeidsnormen en -omstandigheden in de confectiekledingindustrie van het land te verbeteren;

I.      overwegende dat het Duurzaamheidspact Bangladesh in oktober 2014 voor het eerst is getoetst en dat daarbij is geconcludeerd dat er weliswaar voortgang is geboekt, maar dat de regering van Bangladesh nog verdere belangrijke stappen moet zetten, met name bij het verbeteren en ten uitvoer leggen van de arbeidswetgeving, het verbeteren van de arbeidsrechten, met name de vrijheid van vereniging, en het aanstellen van meer arbeidsinspecteurs;

J.      overwegende dat het Duurzaamheidspact Bangladesh in het najaar van 2015 aan een tweede toetsing zal worden onderworpen, en dat van de regering verdere inspanningen worden verwacht om de rechtsstaat te handhaven, met name wat betreft de discriminatie van vakbonden en het aanstellen van nieuwe arbeidsinspecteurs, nu de regering er niet in is geslaagd het gestelde doel van 200 inspecteurs voor het einde van 2013 te bereiken;

K.     overwegende dat de regering van Bangladesh anderhalf jaar na vaststelling van de arbeidswet nog steeds de bijbehorende tenuitvoerleggingsregels en ‑verordeningen niet heeft uitgevaardigd; overwegende dat de tenuitvoerlegging van de wet een absolute voorwaarde vormt om in aanmerking te komen voor het programma "Beter werk" van de IAO alsook voor de werking van de Overeenkomst;

L.     overwegende dat sinds de inwerkingtreding van het Duurzaamheidspact 291 nieuwe vakbonden zijn geregistreerd in de kledingsector; overwegende dat in 2014 66 aanvragen, dat wil zeggen 26 % van alle ingediende aanvragen, werden afgewezen; overwegende dat sinds de inwerkingtreding van het Duurzaamheidspact ten minste 45 ernstige gevallen van antivakbondsacties zijn gemeld;

M.    overwegende dat de regering twee particuliere ondernemingen (TÜV-Süd en VEC) de opdracht heeft gegeven om vóór april 2015 inspecties uit te voeren in het kader van het nationale actieplan; overwegende dat 20 % van de vastgestelde veiligheidsproblemen in de corrigerende actieplannen van fabrieken die onder de Overeenkomst vallen is verholpen;

N.     overwegende dat op dit moment bijna 200 mode- en detailhandelsmerken de Overeenkomst hebben ondertekend, en dat het hierbij gaat om een wettelijk bindende overeenkomst tussen merken en vakbonden die betrekking heeft op bijna de helft van alle voor de exportmarkt producerende fabrieken in Bangladesh en op twee miljoen werknemers; overwegende dat 26 Noord-Amerikaanse bedrijven zoals Walmart en Gap zich hebben aangesloten bij de Alliantie voor de veiligheid van werknemers in Bangladesh, een unilaterale overeenkomst die erop gericht is de veiligheid in fabrieken te verbeteren, maar die niet voorziet in een rol voor de vakbonden of een vereiste dat merken sanering ondersteunen;

O.     overwegende dat de regering van Bangladesh en de IAO een initiatief ter waarde van 24,21 miljoen dollar hebben gelanceerd om de arbeidsomstandigheden in de confectiekledingindustrie in Bangladesh te verbeteren, waaronder het "Beter werk"-programma; overwegende dat het over drieënhalf jaar lopende initiatief "Verbetering van de arbeidsomstandigheden in de confectiekledingsector" erop gericht is het brand- en instortingsgevaar in confectiekledingfabrieken te beperken en de rechten en veiligheid van werknemers te waarborgen;

P.     overwegende dat Bangladesh belangrijke stappen heeft gezet om de verschillen tussen mannen en vrouwen in de samenleving te verkleinen, en daarmee de derde VN‑millenniumdoelstelling voor ontwikkeling inzake gendergelijkheid met succes heeft verwezenlijkt; overwegende dat vrouwen ongeveer 90 % van de 4 miljoen werknemers in de kledingsector uitmaken;

Q.     overwegende dat het minimumloon voor textielarbeiders dankzij regeringshervormingen tijdens de voorbije 5 jaar met 219 % aanzienlijk is verhoogd;

1.      herinnert bij de tweede herdenking van de Rana Plaza-ramp aan de tragische dood van de slachtoffers, die voorkomen had kunnen worden; betuigt zijn medeleven met degenen die gewond zijn geraakt of gehandicapt zijn geworden en met de rouwende families, en veroordeelt degenen die er niet in zijn geslaagd deze ramp te voorkomen;

2.      verwelkomt de aanhoudende inspanningen van Bangladesh om de internationale arbeidsnormen die zijn neergelegd in de basisverdragen van de ILO daadwerkelijk in de wet en in de praktijk toe te passen, en om het algemene regelgevingskader op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk te verbeteren;

3.      dringt erop aan dat een aantal internationaal bekende merken die ter plaatse actief waren of met fabrieken in het Rana Plaza-gebouw gelieerd waren, onverwijld de nodige betalingen in het Rana Plaza-compensatiefonds storten, om het tekort van 8,5 miljoen dollar dat voor de uitvoering van de regeling nodig is, aan te vullen;

4.      doet een beroep op het verantwoordelijkheidsgevoel van bekende merken zoals Benetton, Walmart, Mango en The Children's Place om passende bijdragen te leveren aan het fonds, en daarbij niet bij de verwachtingen achter te blijven;

5.      stelt voor dat de EU een proefproject opzet voor de invoering van een etiketteringsregeling in Bangladesh, waarbij kleding die volgens strengere normen is geproduceerd een specifiek label zou krijgen, zodat Europese consumenten en producenten met kennis van zaken kunnen beslissen;

6.      wijst erop dat de inspecties bij alle onder de Overeenkomst en de Alliantie vallende fabrieken zijn afgerond; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan deze acties aan te vullen door zo snel mogelijk inspecties uit te voeren bij de fabrieken die onder haar verantwoordelijkheid vallen en door adequate corrigerende maatregelen te treffen; spoort de Overeenkomst en de Alliantie aan hun samenwerking te verbeteren en systematisch verslagen van fabrieksinspecties uit te wisselen teneinde dubbel werk en het meten met twee maten te voorkomen; dringt er bij de Alliantie op aan haar verslagen te publiceren en met foto's te illustreren, zodat zij voor iedereen in het land toegankelijk zijn;

7.      verwelkomt de recente verhoging van het minimumloon in de confectiekledingsector en dringt erop aan dat deze verhoging in de praktijk algemeen wordt toegepast; dringt er bij de regering van Bangladesh op aan bedrijven die zich niet aan het minimumloon houden te bestraffen; vraagt de regering en de bedrijven het minimumloon verder te herzien om dit tot een leefbaar niveau op te trekken en beter in overeenstemming te brengen met de eindprijs van het product;

8.      dringt erop aan dat de nodige stappen worden ondernomen om, met steun van de IAO, verbetering te brengen in de uitoefening van de vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen, en ervoor te zorgen dat de arbeidswet wordt toegepast op de exportproductiezones, waar meer dan 400 000 werknemers actief zijn in de kleding- en schoenenindustrie, onder meer door te verzekeren dat de inspecteurs en andere regelgevende instanties van het Ministerie van Arbeid volledig bevoegd zijn om inspecties uit te voeren; verzoekt de regering regelmatig enquêtes te houden onder de werknemers om na te gaan of de arbeidswet naar behoren wordt toegepast, en de uitwisseling van gegevens met de inspecteurs van het Ministerie van Arbeid en andere stakeholders, zowel uit de publieke als de privésector, te vergemakkelijken;

9.      onderstreept dat het belangrijk is in aanmerking te komen voor het "Beter werken"-programma om de naleving van de arbeidsnormen te verbeteren en de concurrentiepositie van het land in de wereldwijde toeleveringsketens voor confectiekleding en breigoederen te bevorderen;

10.    verwelkomt de registratie van 291 textielvakbonden sinds de inwerkingtreding van het Duurzaamheidspact en vraagt dat de herziene arbeidswet van 2013 daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, met inbegrip van de bestrijding van de buitensporige discriminatie van vakbondsleiders, die het slachtoffer zijn van gewelddadige represailles van bedrijfsleiders of hun vertegenwoordigers; pleit voor een meer open en actieve rol van de vakbonden en organisaties van het maatschappelijk middenveld in het politieke debat in Bangladesh en met name in het debat over de arbeidsmarkt en arbeidsnormen;

11.    dringt erop aan dat verder werk wordt gemaakt van de opwaardering van de Dienst van de hoofdinspecteur van fabrieken en bedrijven tot een volwaardig Directoraat met 800 inspecteurs en een passende jaarlijkse begroting, en van de ontwikkeling van de nodige infrastructuur voor de behoorlijke werking ervan, die van essentieel belang is voor de veiligheid en het toezicht op de arbeidsomstandigheden van 4 miljoen werknemers; verzoekt de regering de inspecteurs bevoegdheid te verlenen om schendingen van het arbeidsrecht te bestraffen;

12.    juicht het toe dat meer dan 70 grote mode- en detailhandelsmerken die confectiekleding uit Bangladesh betrekken de overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid hebben ondertekend om hun inspanningen ter verbetering van de veiligheid in de fabrieken van hun leveranciers in Bangladesh te coördineren; spoort andere bedrijven, waaronder KMO's, aan blijk te geven van de nodige betrokkenheid, zich bij de Overeenkomst aan te sluiten en tot de effectieve uitvoering ervan bij te dragen;

13.    verzoekt de Commissie zich actief in te zetten voor strengere en wettelijk bindende instrumenten voor EU-ondernemingen die in het buitenland actief zijn, en er in het bijzonder voor te zorgen dat de fundamentele arbeidsrechten in de praktijk in alle toeleveringsketens worden geëerbiedigd;

14.    verlangt dat in toekomstige EU-handelsovereenkomsten met derde landen veiligheid en gezondheid op het werk een belangrijkere plek innemen als onderdeel van de agenda voor waardig werk, en dat de EU technische bijstand biedt voor de tenuitvoerlegging van deze bepalingen zodat zij geen belemmering voor handel vormen;

15.    wijst er op dat het "alles behalve wapens"-initiatief een belangrijke rol heeft gespeeld bij de economische ontwikkeling van Bangladesh en heeft bijgedragen tot de verbetering van de materiële omstandigheden van miljoenen mensen, met name vrouwen; is er evenwel van overtuigd dat indien er geen sprake is van duidelijke voorwaarden op het gebied van mensenrechten en arbeidsrechten, het "alles behalve wapens"-initiatief en het stelsel van algemene preferenties de lage normen op het gebied van werknemersbescherming nog dreigen te verslechteren en waardig werk dreigen te ondermijnen;

16.    hoopt dat het Duurzaamheidspact in Bangladesh een voorbeeld kan zijn voor andere landen waarmee de Unie onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten en/of investeringsovereenkomsten voert of wil voeren, en waar de IAO-normen en arbeidsomstandigheden onvoldoende worden nageleefd;

17.    verzoekt VV/HV Mogherini en commissaris Malmström de ratificatie van belangrijke IAO‑normen, gezondheids‑ en veiligheidsinspecties en de vrijheid van vereniging in de gesprekken met Bangladesh en andere landen over continuele preferente handel aan de orde te blijven stellen; verwelkomt in dit verband de aanbevelingen van de Commissie om mee te werken aan het Initiatief ter bevordering van fundamentele arbeidsrechten en -praktijken in Myanmar/Birma;

18.    verzoekt de Europese mode en kledingmerken, KMO's en andere particuliere ondernemingen die in Bangladesh actief zijn, alle mogelijke maatregelen te nemen om het risico op rampen zoals de Rana Plaza-tragedie te beperken;

19.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van Bangladesh, en de directeur-generaal van de IAO.

 

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0230.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0027.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0100.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA (2013)0099.

(5)

PB L 118 van 27.4.2001, blz. 48.

(6)

PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 31.

(7)

PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.

Juridische mededeling - Privacybeleid