Procedure : 2015/2649(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0393/2015

Ingediende teksten :

B8-0393/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 30/04/2015 - 10.3
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0179

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 147kWORD 69k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0375/2015
27.4.2015
PE555.167v01-00
 
B8-0393/2015

naar aanleiding van vragen voor mondeling antwoord B8‑0115/2015 en B8‑0116/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh (2015/2649(RSP))


Michèle Alliot-Marie, Andrea Bocskor, Lara Comi, Raffaele Fitto, Elisabetta Gardini, Marc Joulaud, Giovanni La Via, Barbara Matera, Alessandra Mussolini, Claude Rolin, Tokia Saïfi, Michaela Šojdrová, Davor Ivo Stier, Dubravka Šuica, Pavel Svoboda, Giovanni Toti, Sabine Verheyen, Elissavet Vozemberg, Theodoros Zagorakis, Tomáš Zdechovský, Bogdan Andrzej Zdrojewski, Joachim Zeller, Milan Zver, Roberta Metsola namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh (2015/2649 (RSP)).  
B8‑0393/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien artikel 167 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarin wordt bepaald dat ‘het optreden van de Unie erop [is] gericht de samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen’, met name op het gebied van ‘instandhouding en bescherming van het cultureel erfgoed van Europees belang’ en dat ‘de Unie en de lidstaten de samenwerking met derde landen [bevorderen] en met de inzake cultuur bevoegde internationale organisaties’,

–       gezien Verordening (EG) nr. 116/2009 van 18 december 2008 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen(1),

–       gezien Verordening (EG) nr. 1210/2003 van 7 juli 2003 van de Raad betreffende bepaalde specifieke restricties op de economische en financiële betrekkingen met Irak en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2465/96(2),

–       gezien Verordening (EU) nr 1332/2013 van de Raad van 13 december 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië(3), aangenomen op basis van Besluit 2013/760/GBVB van de Raad van 13 december 2013 houdende wijziging van Besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië(4),

–       gezien gemeenschappelijk optreden van de Raad 2001/555/GBVB van 20 juli 2001 betreffende de oprichting van een satellietcentrum van de Europese Unie(5), geamendeerd door gemeenschappelijk optreden van de Raad 2009/834/GBVB(6),

–       gezien de resolutie van de Raad van oktober 2012 over het opzetten van een informeel netwerk van wetshandhavingsautoriteiten en expertise op het gebied van cultuurgoederen (EU-Cultnet),

–       gezien het Unesco-Verdrag van 14 mei 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, ´s-’s-Gravenhage,

–       gezien het Unesco-Verdrag van 14 november 1970 inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen,

–       gezien het Unesco-Verdrag van 16 november 1972 inzake de bescherming van het cultureel en natuurlijk erfgoed van de wereld,

–       gezien het Unesco-Verdrag van 17 oktober 2003 inzake de bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed,

–       gezien het Unesco-Verdrag van 20 oktober 2005 inzake de bescherming en bevordering van de verscheidenheid van culturele uitdrukkingsvormen,

–       gezien het Unidroit-Verdrag van 24 juni 1995 inzake de internationale terugkeer van gestolen en onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen,

–       gezien resolutie 2199 van de VN-Veiligheidsraad van 12 februari 2015 over de bedreiging van de internationale vrede en veiligheid als gevolg van terroristische daden door Al-Qaida(7),

–       gezien het Handvest van Venetië voor de restauratie en het behoud van monumenten en cultureel erfgoed van 1964, dat een internationaal kader schept voor de restauratie en het behoud van historische gebouwen,

–       gezien het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof als aangenomen op 17 juli 1998, en met name artikel 8, lid 2, letter b) onder ix), waarin wordt bepaald dat "het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, historische monumenten, ziekenhuizen en plaatsen waar zieken en gewonden worden samengebracht, voorzover deze niet worden gebruikt voor militaire doeleinden" wordt beschouwd als een oorlogsmisdaad,

–       gezien zijn resolutie van 12 maart 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake, waarin wordt bepaald, in paragraaf 211, dat "het opzettelijk vernietigen van cultureel en artistiek erfgoed, zoals thans gebeurt in Irak en Syrië, dient vervolgd te worden als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid"(8),

–       gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da’esh (O-000031/2015 – B8‑0115/2015 en O‑000032/2015 – B8‑0116/2015),

–       gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat diverse archeologische, religieuze en culturele monumenten in Syrië, Irak en Tunesië onlangs het doelwit zijn geworden van gerichte vernielingsacties door extremistische groeperingen die voornamelijk gelieerd zijn aan de Islamitische Staat in Irak en Syrië (ISIS/Da'esh), en dat deze stelselmatige aanvallen op het cultureel erfgoed door Irina Bokova, directeur-generaal van Unesco zijn bestempeld als "culturele zuivering";

 

B.     overwegende dat volgens de Unesco de term "culturele zuivering" verwijst naar een bewuste strategie die erop gericht is culturele verscheidenheid te vernietigen door het gemunt te hebben op personen vanwege hun culturele, etnische of religieuze achtergrond, in combinatie met opzettelijke aanvallen op de plaatsen waar zij hun geloof belijden, hun monumenten en scholen, en dat de strategie van culturele zuivering die kan worden gadegeslagen in Irak en Syrië zich manifesteert in aanvallen op cultureel erfgoed, dat wil zeggen zowel op fysieke, tastbare en gebouwde cultuuruitingen zoals monumenten en gebouwen, als op minderheden en abstracte cultuuruitingen zoals gewoontes, tradities en geloofsovertuigingen(9);

C.     overwegende dat sommige acties waarbij cultureel erfgoed werd vernield onder bepaalde omstandigheden beschouwd zijn als misdaden tegen de menselijkheid(10); met name wanneer zij gericht zijn tegen leden van een religieuze of etnische minderheid, kunnen zij gelijkgeschakeld worden aan een misdaad van vervolging als bedoeld in artikel 7, lid 1, letter h) van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof;

D.     overwegende dat dergelijke acties waarbij culturele en historische locaties en voorwerpen worden vernield niet nieuw zijn en niet alleen plaatsvinden in Irak en Syrië en dat volgens de Unesco “cultureel erfgoed een belangrijke component is van de culturele identiteit van gemeenschappen, groepen en individuen, en van sociale cohesie, en dat de opzettelijke vernieling ervan negatieve gevolgen heeft voor de menselijke waardigheid en de mensenrechten”(11); overwegende dat, zoals is verklaard door o.a. de Unesco, de opbrengst van het plunderen en smokkelen van culturele en religieuze goederen en voorwerpen in Irak en Syrië, met name door ISIS/Da'esh wordt gebruikt om de terreurdaden van ISIS/Da'esh te helpen ondersteunen, met als gevolg dat artistieke en culturele goederen ‘oorlogswapens’ worden;

 

E.     overwegende dat de Unesco, dankzij de financiering die wordt geboden door de Europese Unie, tezamen met andere strategische partners op 1 maart 2014 het driejarige project "Emergency Safeguarding of the Syrian Heritage" is gestart, dat met name gericht is op de dringende bescherming van het Syrische culturele erfgoed;

F.     overwegende dat de Europese Unie het op 20 oktober 2005 ondertekende Unesco-Verdrag inzake de bescherming van de verscheidenheid van culturele inhoud en kunstzinnige expressie heeft geratificeerd; overwegende dat dit het eerste internationale rechtsinstrument is waarin wordt erkend dat cultuurgoederen een tweeledige economische en culturele aard hebben en daarom “niet alleen mogen worden beschouwd als goederen met louter handelswaarde”;

 

G.     overwegende dat het Unesco-Verdrag inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van culturele goederen te verbieden en te verhinderen van de Unesco van 14 november 1970 en het Unidroit-Verdrag inzake gestolen of onrechtmatig uitgevoerde cultuurgoederen van 24 juni 1995 essentiële rechtsinstrumenten zijn voor een krachtiger bescherming van het mondiale culturele erfgoed;

H.     overwegende dat illegale handel in cultuurgoederen nu de op twee na belangrijkste illegale handel is, na die in drugs en wapens, en dat deze illegale handel wordt gedomineerd door netwerken van de georganiseerde misdaad en dat de huidige nationale en internationale mechanismen noch voldoende zijn toegerust noch voldoende worden ondersteund om deze problematiek aan te pakken(12);

I.      overwegende dat de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen niet een specifieke bevoegdheid is van de Europese Unie, in zoverre dat zij niet is verankerd in de Verdragen, maar wel valt onder verschillende bevoegdheidsterreinen van de EU, zoals de interne markt, de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid (RVVR), cultuur en het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB);

J.      overwegende dat de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen dringend beter moet worden gecoördineerd en dat er meer moet worden samengewerkt om de bewustwording te bevorderen, informatie te delen en het wettelijk kader te versterken; overwegende dat er in de Conclusies van de Raad van december 2011 over de voorkoming en bestrijding van misdaden tegen cultuurgoederen onder meer is aanbevolen dat de lidstaten de samenwerking tussen de wetshandhavingsinstanties, culturele autoriteiten en particuliere organisaties intensiveren;

K.     overwegende dat in oktober 2012 met een resolutie van de Raad een informeel netwerk is gecreëerd van wetshandhavingsautoriteiten en experts op het gebied van cultuurgoederen (EU-Cultnet), met als hoofddoel de informatie-uitwisseling met betrekking tot de preventie van illegale handel in cultuurgoederen te verbeteren en informatie te identificeren en te delen over criminele netwerken die ervan worden verdacht bij de illegale handel betrokken te zijn;

L.     overwegende dat Irina Bokova, directeur-generaal van de Unesco op 28 maart in Bagdad de campagne #Unite4Heritage is gestart om wereldwijd steun te verwerven voor de bescherming van cultureel erfgoed, door gebruik te maken van sociale netwerken;

1.      veroordeelt de vernieling van culturele, archeologische en religieuze monumenten door ISIS in Syrië en Irak ten zeerste;

2.      verzoekt de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) passende maatregelen te nemen op politiek niveau, in overeenstemming met resolutie 2199 van de VN-Veiligheidsraad van 12 februari 2015, om een eind te maken aan de illegale handel in cultureel eigendom dat afkomstig is van het grondgebied van Syrië en Irak tijdens periodes van conflict in deze contreien, zodat deze eigendommen niet kunnen worden gebruikt als financieringsbron voor terreurdaden;

3.      verzoekt de vv/hv culturele diplomatie en interculturele dialoog in te zetten als een hulpmiddel om de verschillende gemeenschappen met elkaar te verzoenen en vernielde monumenten opnieuw op te bouwen;

4.      stelt de Commissie in dit verband voor om zich in overeenstemming met paragraaf 17 van resolutie 2199 van de VN-Veiligheidsraad van 12 februari 2015 te concentreren op de bestrijding van de illegale handel in culturele kunstwerken, en dan met name voorwerpen die deel uitmaken van het cultureel erfgoed die sinds 6 augustus 1990 op illegale wijze zijn weggehaald uit Irak en sinds 15 maart 2011 uit Syrië; is van mening dat de Commissie voor een gecoördineerde benadering moet zorgen ter bestrijding van die illegale handel, waarbij er moet worden samengewerkt met degenen die op nationaal niveau verantwoordelijk zijn in de opsporingsdiensten, en in nauwe samenwerking met de Unesco en overige internationale organisaties zoals de ICOM (International Council of Museums), het International Committee of the Blue Shields (ICBS) van de ICOM, Europol, Interpol, Unidroit (International Institute for the Unification of Private Law) en de WCO (World Customs Organisation);

5.      dringt er bij de Commissie op aan om de vv/hv te verzoeken het satellietcentrum van de Europese Unie in Torrejón in te schakelen, dat de Unie ondersteunt in de besluitvorming over het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid door materiaal te verstrekken dat afkomstig is van de analyse van satellietbeelden, om archeologische en culturele locaties in Syrië en Irak in kaart te brengen en te observeren, en om de werkzaamheden van Syrische archeologen te steunen en zo verdere plunderingen te voorkomen en het leven van burgers te beschermen;

6.      dringt er bij de Commissie op aan informatie snel en veilig uit te wisselen en beste praktijken met de lidstaten te delen om de illegale handel in cultuurgoederen die op illegale wijze zijn weggehaald uit Irak en Syrië op effectieve wijze te bestrijden en om te overwegen Europese opleidingsprogramma’s te starten voor rechters, politieagenten en douanebeambten, overheidsinstanties en voor marktdeelnemers in het algemeen om degenen die betrokken zijn bij de bestrijding van de illegale handel in cultuurgoederen in staat te stellen hun expertise te vergroten en te verbeteren;

7.      dringt er bij de Commissie op aan de #Unite4Heritage-campagne van de Unesco te ondersteunen door een voorlichtingscampagne te starten die gericht is op Irak en Syrië, om de bewustwording over het belang van hun cultureel erfgoed te vergroten, over de manier waarop de opbrengst van de plunderingen wordt aangewend om terreurdaden te financieren, en over de mogelijke straffen voor de illegale invoer van cultuurgoederen die afkomstig zijn uit deze landen, of uit derde landen;

8.      dringt er bij de Commissie op aan Verordening (EG) nr. 116/2009 van de Raad betreffende de uitvoer van cultuurgoederen te herzien om een hogere mate van effectiviteit te behalen en te overwegen een instrument te creëren om de invoer van cultuurgoederen naar de EU te controleren;

9.      dringt er bij de Raad op aan te overwegen om binnen Eurojust of Europol een afdeling op te richten die gespecialiseerd is in de illegale handel in cultuurgoederen teneinde op Europees niveau de vervolging en opsporing door de verschillende nationale autoriteiten te coördineren, omdat het bestaan van gespecialiseerde afdelingen een voorwaarde is voor een optimaler gebruik van de middelen ter voorkoming en bestrijding van illegale handel en smokkel;

10.    verzoekt de Europese Unie de nodige stappen te ondernemen, in samenwerking met de Unesco en het Internationaal Strafhof, om binnen het internationaal recht de categorie ‘misdaden tegen de menselijkheid’ uit te breiden tot daden waardoor het cultureel erfgoed van de mensheid op grote schaal opzettelijk wordt beschadigd of vernield;

11.    dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan op aan het Unesco-Verdrag van 1970 inzake de middelen om de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen te verbieden en te verhinderen en het Unidroit-Verdrag van 1995 te ratificeren;

12.    verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de directeur-generaal van de Unesco, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Nationale Coalitie van Syrië en de regering en het parlement van Irak.

 

(1)

PB L 39 van 10.02.2009, blz. 1.

(2)

PB L 169 van 08.07.2003, blz. 6.

(3)

PB L 335 van 14.12.2013, blz. 3.

(4)

PB L 335 van 14.12.2013, blz. 50.

(5)

PB L 200 van 25.07.2001, blz. 5.

(6)

PB L 297 van 13.11.2009, blz. 18.

(7)

http://www.refworld.org/docid/54ef1f704.html

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0071.

(9)

http://www.unesco.org/new/en/media-services/single-view/news/conference_report_heritage_and_cultural_diversity_at_risk_in_iraq_and_syria/

(10)

Internationaal Straftribunaal voor Joegoslavië, Kordić & Čerkez, 26 February 2001, IT-95-14/2, punten 207 en 208;

(11)

UNESCO Declaration on Intentional Destruction of Cultural Heritage (Verklaring van de Unesco over de opzettelijke vernieling van cultureel erfgoed), 2003.

(12)

http://www.africa-eu-partnership.org/newsroom/all-news/morocco-africa-eu-workshop-fight-against-illegal-trafficking-cultural-goods

 

Juridische mededeling - Privacybeleid