Procedure : 2015/2700(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0532/2015

Ingediende teksten :

B8-0532/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/06/2015 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0227

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 138kWORD 70k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0532/2015
3.6.2015
PE558.903v01-00
 
B8-0532/2015

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Hongarije (2015/2700(RSP))


Sophia in ‘t Veld, Louis Michel, Cecilia Wikström, Filiz Hyusmenova, Gérard Deprez, Jean-Marie Cavada, Ramon Tremosa i Balcells, Marielle de Sarnez, namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije (2015/2700(RSP))  
B8-0532/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name het tweede en het vierde tot en met zevende streepje ervan,

–       gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het VWEU met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–       gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–       gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (naar aanleiding van de resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012)(1),

–       gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(2),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–       gezien het verslag van de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa van 16 december 2014 naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije van 1 t/m 4 juli 2014,

–       gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie en de lidstaten, in het kader van de Raad van 16 december 2014 bijeen, over het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat,

–       gezien de hoorzitting over de situatie van de mensenrechten in Hongarije die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 22 januari 2015 heeft gehouden,

–       gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 11 februari 2015 over een EU-kader voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten,

–       gezien de gedachtewisseling naar aanleiding van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 30 april 2015 over de mogelijke gevolgen, met inbegrip van de rechten en status als lid van de Europese Unie, van de herinvoering van de doodstraf door een lidstaat, die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 7 mei 2015 heeft gehouden,

–       gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 over de situatie in Hongarije,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen (artikel 2 VEU);

B.     overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;

C.     overwegende dat in artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt bepaald dat niemand tot de doodstraf veroordeeld of terechtgesteld wordt;

D.     overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

E.     overwegende dat de recente ontwikkelingen in Hongarije, met name gedurende de afgelopen twaalf maanden, hebben geleid tot een ernstige verslechtering van de situatie op het vlak van vrijheid en pluriformiteit van de media, de bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie, de mensenrechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vergadering en vereniging, de vrijheid van onderwijs en academisch onderzoek, gelijke behandeling van religie en geloof, beperkingen en belemmeringen van de activiteiten van organisaties van het maatschappelijk middenveld, de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, waaronder Roma en LGBTI, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en vele zorgwekkende beschuldigingen van corruptie die de rechtsstaat ondermijnen;

F.     overwegende dat de Hongaarse regering op 24 april 2015 een volksraadpleging over immigratie startte, in het kader waarvan een vragenlijst met 12 vragen werd gepubliceerd en toegezonden aan elke Hongaarse staatsburger van 18 jaar en ouder; overwegende dat de meeste van deze vragen suggestief en retorisch van aard zijn, waarbij een bevooroordeeld en rechtstreeks verband wordt gelegd tussen migratiekwesties en bedreigingen van de veiligheid;

G.     overwegende dat minister-president Viktor Orbán in een toespraak in Pécs op 28 april 2015 verklaarde dat herinvoering van de doodstraf in Hongarije overwogen zou worden, en dat hij op 1 mei 2015 opmerkingen van dezelfde strekking maakte in een interview op de nationale publieke radio, waarbij hij opmerkte dat het besluit tot herinvoering van de doodstraf uitsluitend binnen de bevoegdheid van een lidstaat moest vallen, waarmee hij afweek van hetgeen in de EU-verdragen is bepaald;

H.     overwegende dat, afgezien van mondelinge verklaringen aan de pers en berichten op de sociale media, de Commissie geen formele stappen of acties heeft ondernomen ten aanzien van de recentste ontwikkelingen in Hongarije, en evenmin een officiële mededeling heeft gepubliceerd als reactie op de misleidende vragenlijst over immigratie van de Hongaarse regering en op de verklaringen over de doodstraf door de Hongaarse premier Viktor Orbán;

I.      overwegende dat het voorzitterschap van de Raad in zijn verklaring tijdens het debat over de situatie in Hongarije in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 verklaarde dat de Raad de situatie in Hongarije niet heeft besproken en daarom geen formeel standpunt over deze kwestie heeft aangenomen;

J.      overwegende dat de inspanningen om de situatie in Hongarije aan te pakken niet gericht mogen zijn op een bepaalde lidstaat of regering, maar moeten uitgaan van een collectieve verplichting van alle EU-instellingen, en met name van de Commissie als hoedster van de Verdragen, om de toepassing en de naleving van de Verdragen en het Handvest in de hele Unie en in elke lidstaat te waarborgen;

1.      benadrukt dat de doodstraf onverenigbaar is met de waarden waarop de Unie is gestoeld, te weten eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, en dat elke lidstaat die opnieuw de doodstraf invoert de Verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten schendt; brengt in herinnering dat na een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

2.      verwerpt in niet mis te verstane termen de volksraadpleging over migratie op initiatief van de Hongaarse regering, waarbij wordt uitgegaan van xenofobische misvattingen en migranten die asiel aanvragen als bedreiging voor de veiligheid worden beschouwd; veroordeelt de vooringenomenheid bij en het misbruik van deze volksraadpleging, ondersteund met overheidsmiddelen, met het doel om haat te zaaien, wat onverenigbaar is met de waarden waarop de Unie gestoeld is; is van mening dat het suggestieve en bevooroordeelde karakter van de vragenlijst indruist tegen de basisnormen van een democratisch raadplegingsproces en geen objectieve conclusies kan opleveren die kunnen bijdragen aan toekomstige beleidsvorming; roept de Hongaarse regering daarom op de volksraadpleging onmiddellijk stop te zetten;

3.      stelt met bezorgdheid vast dat deze recente ontwikkelingen zich voordoen na een serie schendingen van en aanvallen op het beginsel van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten in Hongarije in het afgelopen jaar, die bij elkaar een opkomende systemische bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat kunnen vormen;

4.      betreurt dat de Raad niet heeft gereageerd op de recentste ontwikkelingen in Hongarije, en verwerpt het gebrek aan toewijding bij de Raad en de lidstaten om toe te zien op de eerbiediging van de rechtsstaat, als uiteengezet in de conclusies van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2014; verzoekt de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad de situatie in Hongarije zonder uitstel te bespreken en conclusies ter zake vast te stellen;

5.      dringt er bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat te activeren, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke ernstige schendingen worden beoordeeld van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, als vastgelegd in artikel 2 VEU, met inbegrip van het gecombineerde effect van een aantal maatregelen die de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten verslechteren, en waarbij wordt beoordeeld of in die lidstaat een systemische bedreiging van de rechtsstaat ontstaat, die zou kunnen uitmonden in een duidelijk gevaar voor een ernstige schending in de zin van artikel 7 VEU; verzoekt de Commissie vóór september 2015 een verslag over dit onderwerp in te dienen bij het Parlement en de Raad;

6.      verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor het instellen van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als instrument ter waarborging van naleving en handhaving van het Handvest en de Verdragen die zijn ondertekend door alle lidstaten, op basis van gemeenschappelijke en objectieve indicatoren, en een onpartijdige, jaarlijkse beoordeling uit te voeren van de situatie van de grondrechten, de democratie en de rechtsstaat in alle lidstaten, op onbevooroordeelde en gelijkwaardige grondslag, gepaard met passende bindende en corrigerende mechanismen, teneinde bestaande lacunes te vullen en een automatische en stapsgewijze reactie mogelijk te maken op schendingen van de rechtsstaat en de grondrechten door de lidstaten; verzoekt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan de ontwikkeling en opstelling van dit wetgevingsvoorstel bij te dragen in de vorm van een wetgevend initiatiefverslag, dat vóór het einde van het jaar moet worden goedgekeurd;

7.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.

Juridische mededeling - Privacybeleid