Procedure : 2015/2700(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0533/2015

Ingediende teksten :

B8-0533/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/06/2015 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0227

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 137kWORD 69k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0532/2015
3.6.2015
PE558.904v01-00
 
B8-0533/2015

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Hongarije (2015/2700(RSP))


Marie-Christine Vergiat, Cornelia Ernst, Barbara Spinelli, Marisa Matias, Younous Omarjee, Marina Albiol Guzmán, Lidia Senra Rodríguez, Kostas Chrysogonos, Kostadinka Kuneva namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije (2015/2700(RSP))  
B8-0533/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name het tweede en het vierde tot en met zevende streepje ervan,

–       gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het VWEU met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (met name de artikelen 1, 2 en 19 ervan), dat op 12 december 2007 is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 in werking is getreden,

–       gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), Protocol nr. 13 ervan, de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–       gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (naar aanleiding van zijn resolutie van 16 februari 2012)(1),

–       gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(2),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–       gezien het verslag van de mensenrechtencommissaris van de Raad van Europa van 16 december 2014 naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije van 1 tot 4 juli 2014,

–       gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie en de lidstaten, in het kader van de Raad van 16 december 2014 bijeen, over het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat,

–       gezien de hoorzitting over de situatie van de mensenrechten in Hongarije die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 22 januari 2015 heeft gehouden,

–       gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 11 februari 2015 over een EU-kader voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten,

–       gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 over de situatie in Hongarije,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen;

B.     overwegende dat niemand tot de doodstraf mag worden veroordeeld of mag worden terechtgesteld en dat de doodstraf overal ter wereld moet worden verboden;

C.     overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

D.     overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

E.     overwegende dat de recente ontwikkelingen in Hongarije, met name gedurende de afgelopen twaalf maanden, hebben geleid tot een ernstige verslechtering van de situatie inzake vrijheid en verscheidenheid van de media, bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie, mensenrechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, vrijheid van vergadering en vereniging, onafhankelijkheid van de organisaties van het maatschappelijk middenveld, rechten van mensen die tot een minderheid behoren, en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

F.     overwegende dat de Hongaarse regering op 24 april 2015 een volksraadpleging over immigratie startte, in het kader waarvan een enquête werd gehouden met 12 vragen voor elke Hongaarse staatsburger van 18 jaar en ouder; overwegende dat de meeste van deze vragen onmiskenbaar van suggestieve en retorische aard zijn, waarbij een bevooroordeeld en rechtstreeks verband wordt gelegd tussen migratiekwesties en bedreigingen van de veiligheid;

G.     overwegende dat de Hongaarse premier Viktor Orbán reeds in 2002 gelijkaardige suggesties heeft gedaan en in een toespraak in Pécs op 28 april 2015 opnieuw verklaarde dat de kwestie van de doodstraf in Hongarije opnieuw op de agenda moet worden geplaatst, en dat hij op 1 mei 2015 tijdens een interview op de nationale openbare radio opnieuw gelijkaardige uitspraken deed, waarbij hij eraan toevoegde dat het besluit tot herinvoering van de doodstraf onder de uitsluitende bevoegdheid van een lidstaat moet vallen; overwegende dat het openen van het debat over de doodstraf gevaarlijk en schadelijk is;

H.     overwegende dat, afgezien van mondelinge verklaringen aan de pers en berichten op de sociale media, de Commissie geen formele stappen of acties heeft ondernomen ten aanzien van de recentste ontwikkelingen in Hongarije, en evenmin een officiële mededeling heeft gepubliceerd als reactie op de misleidende volksraadpleging door de Hongaarse regering of op de verklaringen over de doodstraf door de Hongaarse premier Viktor Orbán;

I.      overwegende dat het voorzitterschap van de Raad in zijn verklaring tijdens het debat over de situatie in Hongarije in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 verklaarde dat de Raad niet heeft gedebatteerd over de situatie in Hongarije en bijgevolg geen formeel standpunt over deze kwestie heeft aangenomen;

J.      overwegende dat de inspanningen om de situatie in Hongarije aan te pakken niet gericht mogen zijn op een specifieke lidstaat of regering, maar moeten uitgaan van een collectieve verplichting van alle EU-instellingen, en met name van de Commissie als hoedster van de Verdragen, om de toepassing en de naleving van de Verdragen en het Handvest in de hele Unie en in elke lidstaat te waarborgen;

1.      hamert erop dat de doodstraf onverenigbaar is met de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten waarop de Unie is gestoeld, en dat elke lidstaat die overgaat tot de herinvoering van de doodstraf de Verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten schendt; herinnert eraan dat na een ernstige schending door een lidstaat van de in artikel 2 VEU genoemde waarden de procedure van artikel 7 VEU in werking treedt;

2.      veroordeelt met klem de herhaaldelijke verklaringen door de Hongaarse premier Viktor Orbán als aanzet tot een debat over de mogelijke herinvoering van de doodstraf in Hongarije, waarbij een concept dat volledig indruist tegen de waarden waarop de Unie is gegrondvest, geïnstitutionaliseerd en aangeprezen wordt; betreurt dat een regeringsleider van een lidstaat opzettelijk de eerbiediging van de menselijke waardigheid en de mensenrechten in twijfel trekt door een dergelijke discussie aan te zwengelen, wat voornamelijk wordt ingegeven door interne politieke beweegredenen;

3.      verwerpt in niet mis te verstane bewoordingen de volksraadpleging over migratie op initiatief van de Hongaarse regering, waarbij wordt uitgegaan van xenofobische misvattingen, migranten die asiel aanvragen als bedreiging voor de veiligheid worden beschouwd, asielzoekers worden gestigmatiseerd als migranten die willen profiteren van de welzijnsstaat, en met opzet een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven over het asiel- en migratiebeleid van de EU; veroordeelt de vooringenomenheid bij en het misbruik van deze volksraadpleging, die is georganiseerd en gefinancierd door de regering, met het doel om haat te zaaien, wat onverenigbaar is met de waarden waarop de Unie is gestoeld; verzoekt de Hongaarse regering deze volksraadplegingsprocedure onmiddellijk stop te zetten;

4.      betreurt dat de Raad niet heeft gereageerd op de recentste ontwikkelingen in Hongarije, en verwerpt het gebrek aan toewijding bij de lidstaten om toe te zien op de eerbiediging van de rechtsstaat, als uiteengezet in de conclusies van de Raad van 16 december 2014; verzoekt de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad tijdens hun volgende vergadering de situatie in Hongarije te bespreken en hun conclusies te trekken;

5.      dringt er bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat te activeren, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende evaluatie waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke stelselmatige of ernstige schendingen worden beoordeeld van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, als vastgelegd in artikel 2 VEU; verzoekt de Commissie vóór september 2015 een verslag over dit onderwerp in te dienen bij het Parlement en de Raad;

6.      verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor het instellen van een EU-scorebord op het vlak van democratie, de rechtsstaat en grondrechten, dat is gebaseerd op gemeenschappelijke en objectieve indicatoren, en waarmee jaarlijks voor elke lidstaat de situatie van de grondrechten en de naleving van de waarden van de Unie op grond van artikel 2 VEU wordt beoordeeld, met de juiste bindende en corrigerende mechanismen voor geleidelijke toepassing; verzoekt de Commissie hiertoe voor te stellen het mandaat van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten te wijzigen en uit te breiden tot monitoring van de situatie van de grondrechten in de lidstaten, zowel binnen als buiten het toepassingsgebied van het recht van de Unie, en waarbij rekening wordt gehouden met de conclusies van internationale organisaties en rechtbanken;

7.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.

Juridische mededeling - Privacybeleid