Procedure : 2015/2700(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0536/2015

Ingediende teksten :

B8-0536/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/06/2015 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0227

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 145kWORD 72k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0532/2015
3.6.2015
PE558.907v01-00
 
B8-0536/2015

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Hongarije (2015/2700(RSP))


Birgit Sippel, Péter Niedermüller, Tanja Fajon, Jörg Leichtfried, Sylvie Guillaume, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Kashetu Kyenge, Marju Lauristin, Soraya Post, Josef Weidenholzer, Hugues Bayet, Vilija Blinkevičiūtė, Miltiadis Kyrkos, Emilian Pavel, Kati Piri, Christine Revault D’Allonnes Bonnefoy, Elly Schlein, Eider Gardiazabal Rubial, Eric Andrieu, Andi Cristea, Viorica Dăncilă, Victor Negrescu, Peter Simon, Tibor Szanyi, Pedro Silva Pereira, Georgi Pirinski, Jakob von Weizsäcker, Renata Briano, Eugen Freund, Miroslav Poche, Doru-Claudian Frunzulică, Sergio Gutiérrez Prieto, Jens Nilsson, Alessia Maria Mosca, José Blanco López, Nikos Androulakis, Francisco Assis, Siôn Simon, Nicola Caputo, Csaba Molnár, Nicola Danti, Demetris Papadakis, Brando Benifei, Maria Grapini, Goffredo Maria Bettini, Gabriele Preuß, Anneliese Dodds, Carlos Zorrinho, Iris Hoffmann, Elena Gentile, Caterina Chinnici namens de S&D-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije (2015/2700(RSP))  
B8-0536/2015

Het Europees Parlement,

–       gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name het tweede en het vierde t/m zevende streepje,

–       gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 VEU, en de artikelen van het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000, dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–       gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de commissaris voor de mensenrechten en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–       gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 16 februari 2012)(1),

–       gezien zijn resolutie van 27 februari 2014 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2012)(2),

–       gezien de mededeling van de Commissie van 19 maart 2014 met als titel "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–       gezien het verslag van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 16 december 2014 naar aanleiding van zijn bezoek aan Hongarije van 1 t/m 4 juli 2014,

–       gezien de conclusies van de Raad van de Europese Unie en de lidstaten, in het kader van de Raad van 16 december 2014 bijeen, over het waarborgen van de eerbiediging van de rechtsstaat,

–       gezien de hoorzitting over de situatie van de mensenrechten in Hongarije die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 22 januari 2015 heeft gehouden,

–       gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 11 februari 2015 over een EU-kader voor democratie, de rechtsstaat en de grondrechten,

–       gezien de gedachtewisseling die de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 7 mei 2015 heeft gehouden naar aanleiding van het besluit van de Conferentie van voorzitters van 30 april 2015 over de mogelijke gevolgen van de herinvoering van de doodstraf door een lidstaat, met inbegrip van diens rechten en status als lid van de Europese Unie,

–       gezien de verklaringen van de Raad en de Commissie tijdens het debat in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 over de situatie in Hongarije,

–       gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Europese Commissie, Frans Timmermans tijdens het plenaire debat van 19 mei 2015 over de situatie in Hongarije, waarin hij verklaarde dat de herinvoering van de doodstraf in strijd zou zijn met de fundamentele waarden en de toepassing van artikel 7 van het EU-Verdrag met zich mee kan brengen, dat voorziet in de mogelijkheid een lidstaat zijn stemrechten in de Raad te ontnemen,

–       gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.     overwegende dat de Europese Unie op de volgende waarden berust: eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren, en overwegende dat de lidstaten deze waarden gemeen hebben in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen;

B.     overwegende dat wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, het vertrouwen van alle burgers in de EU en de nationale autoriteiten in de rechtsstelsels van alle andere lidstaten, in het bijzonder met betrekking tot de werking van de rechtsstaat, vooral cruciaal is voor de verdere ontwikkeling van de EU als een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen; overwegende dat de rechtsstaat een voorwaarde is voor de handhaving van alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de Verdragen en uit het internationale recht;

C.     overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie alle vormen van discriminatie verbiedt op grond van o.a. geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

D.     overwegende dat niemand ter dood mag worden veroordeeld of worden terechtgesteld;

E.     overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

F.     overwegende dat de recente ontwikkelingen in Hongarije, met name gedurende de afgelopen twaalf maanden, hebben geleid tot een ernstige verslechtering van de situatie op het vlak van vrijheid en pluriformiteit van de media, de bestrijding van onverdraagzaamheid en discriminatie, de mensenrechten van immigranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vergadering en vereniging, de onafhankelijkheid van de organisaties van het maatschappelijk middenveld, de rechten van mensen die tot een minderheid behoren, en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;

G.     overwegende dat de Hongaarse regering op 24 april 2015 een volksraadpleging over immigratie heeft aangekondigd, waarbij een vragenlijst van 12 vragen zou worden voorgelegd aan elke Hongaarse burger van 18 jaar of ouder, en overwegende dat de meeste vragen op suggestieve en retorische wijze geformuleerd zijn, waardoor er een subjectief en rechtstreeks verband wordt gelegd tussen migratie en de bedreiging van de veiligheid;

H.     overwegende dat de Hongaarse premier Viktor Orbán al in 2002 soortgelijke suggesties heeft gedaan en in een toespraak in Pécs op 28 april 2015 opnieuw verklaarde dat de kwestie van de doodstraf in Hongarije terug op de agenda moest worden geplaatst, en dat hij op 1 mei 2015 tijdens een interview op de nationale publieke radio wederom uitspraken van dezelfde strekking deed, waaraan hij toevoegde dat het besluit tot herinvoering van de doodstraf onder de exclusieve bevoegdheid van een lidstaat moet vallen; overwegende dat het aangaan van het debat over de doodstraf gevaarlijk en schadelijk is;

I.      overwegende dat het feit dat de "volksraadpleging" over migratie in een context van terrorisme wordt geplaatst, kwaadwillig en verkeerd is en vooroordelen in de hand werkt, aangezien migranten zullen worden gezien als een bedreiging in plaats van een mogelijkheid;

J.      overwegende dat tijdens de gedachtewisseling in de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken de meerderheid van de fracties het ermee eens was dat de herinvoering van de doodstraf en de vragen die werden gesteld in de volksraadpleging, onacceptabel zijn;

K.     overwegende dat het voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie in zijn verklaring tijdens het debat over de situatie in Hongarije in de plenaire vergadering van het Europees Parlement van 19 mei 2015 verklaarde dat de Raad de situatie in Hongarije niet had besproken en bijgevolg geen formeel standpunt over die kwestie heeft ingenomen;

L.     overwegende dat de inspanningen om de situatie in Hongarije aan te pakken niet bedoeld mogen zijn om een bepaalde lidstaat of regering buiten te sluiten, maar wel moeten uitgaan van een collectieve verplichting van alle EU-instellingen, en met name van de Commissie als hoedster van de Verdragen, om de toepassing en de naleving van de Verdragen en het Handvest in de hele Unie en in elke lidstaat te waarborgen;

1.      hamert erop dat de doodstraf onverenigbaar is met de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten waarop de Unie berust, en dat elke lidstaat die overgaat tot de herinvoering van de doodstraf zich schuldig maakt aan de schending van de Verdragen en het EU-Handvest van de grondrechten; brengt in herinnering dat na een ernstige schending van de in artikel 2 VEU genoemde waarden door een lidstaat de "artikel 7-procedure" in werking treedt;

2.      is sterk gekant tegen de herhaaldelijke verklaringen van de Hongaarse premier Viktor Orbán, die de opmaat vormen voor een debat over een mogelijke herinvoering van de doodstraf in Hongarije, waarbij een concept dat volledig indruist tegen de waarden waarop de Unie gegrondvest is, geïnstitutionaliseerd en aangeprezen wordt; betreurt het dat een regeringsleider van een lidstaat opzettelijk het beginsel eerbiediging van de menselijke waardigheid en mensenrechten in twijfel trekt door een dergelijke discussie aan te zwengelen, die voornamelijk wordt ingegeven door interne politieke beweegredenen;

3.      verwerpt in niet mis te verstane termen de op initiatief van de Hongaarse regering georganiseerde volksraadpleging over migratie, waarbij xenofobische misvattingen als uitgangspunt worden genomen, migranten die asiel aanvragen als bedreiging voor de veiligheid worden beschouwd, asielzoekers worden gestigmatiseerd als migranten die willen profiteren van de voordelen van de welzijnsstaat, en er met opzet een verkeerde voorstelling van zaken wordt gegeven over het asiel- en migratiebeleid van de EU; veroordeelt de vooringenomenheid bij en het misbruik van deze volksraadpleging, die is georganiseerd en gefinancierd door de regering, met het doel om haat te zaaien, hetgeen onverenigbaar is met de waarden waarop de Unie gestoeld is; verzoekt de Hongaarse regering deze raadplegingsprocedure onmiddellijk stop te zetten;

4.      betreurt het dat de Raad niet heeft gereageerd op de recente ontwikkelingen in Hongarije, en verwerpt het gebrek aan toewijding bij de lidstaten om toe te zien op de eerbiediging van de beginselen van de rechtsstaat, als uiteengezet in de conclusies van de Raad van 16 december 2014; verzoekt de Raad van de Europese Unie en de Europese Raad tijdens hun volgende vergadering de situatie in Hongarije te bespreken en conclusies aan te nemen;

5.      dringt er bij de Commissie op aan het eerste stadium van het EU-kader te activeren om de rechtsstaat te versterken, en daarom onmiddellijk aan te vangen met een diepgravende toezichtsprocedure waarmee de toestand waarin de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in Hongarije verkeren onder de loep wordt genomen en waarbij mogelijke stelselmatige of ernstige schendingen van de waarden waarop de Unie gebaseerd is, worden beoordeeld aan de hand van artikel 2 VEU; verzoekt de Commissie vóór september 2015 een verslag over dit onderwerp in te dienen bij het Parlement en de Raad;

6.      verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen voor het instellen van een EU-scorebord op het vlak van democratie, de rechtsstaat en grondrechten, dat is gebaseerd op gemeenschappelijke en objectieve indicatoren, en waarmee jaarlijks de situatie van de grondrechten en de naleving van de waarden van de Unie op grond van artikel 2 VEU wordt beoordeeld voor elke lidstaat, met de juiste bindende en corrigerende mechanismen voor geleidelijke toepassing;

7.      verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de president, de regering en het parlement van Hongarije, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0173.

Juridische mededeling - Privacybeleid