Procedure : 2015/2865(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1075/2015

Ingediende teksten :

B8-1075/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 27/10/2015 - 5.16
CRE 27/10/2015 - 5.16
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0375

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 166kWORD 89k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1075/2015
21.10.2015
PE570.906v01-00
 
B8-1075/2015

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-0764/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over emissiemetingen bij auto's (2015/2865(RSP))


Bas Eickhout, Karima Delli, Benedek Jávor, Jean Lambert, Ernest Maragall, Jordi Sebastià, Molly Scott Cato, Keith Taylor, Claude Turmes namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over emissiemetingen bij auto's (2015/2865(RSP))  
B8-1075/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de vraag aan de Commissie over emissiemetingen bij auto's (O-000113/2015 – B8-0764/2015),

–  gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(1),

–  gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(2),

–  gezien Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen(3),

–  gezien Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa(4),

–  gezien Verordening (EU) nr. 333/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 443/2009 teneinde de modaliteiten vast te stellen voor het bereiken van de 2020-doelstelling om de CO2‑emissies van nieuwe personenauto's te verminderen(5);

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Amerikaanse federale milieuagentschap (EPA – Environmental Protection Agency) en de Californische instantie voor luchtkwaliteit (CARB – California Air Resources Board) op 18 september 2015 een bericht hebben uitgevaardigd over schending van de voorschriften inzake vervuiling door Volkswagen AG, Audi AG en de Volkswagengroep Amerika (collectief aangeduid met VW); overwegende dat het onderzoek van start ging na research over de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) bij dieselvoertuigen door de Internationale Raad voor schoon vervoer (ICCT, International Council on Clean Transportation), die de resultaten daarvan in mei 2014 bij het EPA en de CARB heeft ingediend;

B.  overwegende dat de Commissie en de nationale typegoedkeuringsinstanties op hetzelfde moment als de Amerikaanse overheid toegang kreeg tot de onderzoeksresultaten van de ICCT;

C.  overwegende dat in de Euro 5 en 6-verordening betreffende de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Verordening (EG) nr. 715/2007, waarover in december 2007 overeenstemming werd bereikt) van fabrikanten wordt geëist dat het voertuig zodanig wordt uitgerust dat het "onder normale gebruiksomstandigheden" aan de emissievereisten kan voldoen (artikel 5, lid 1) en een expliciet verbod is opgenomen op het gebruik van manipulatie-instrumenten (artikel 5, lid 2), die worden gedefinieerd als "een constructieonderdeel dat de temperatuur, de rijsnelheid, het motortoerental, de versnelling, de inlaatonderdruk of andere parameters meet om een onderdeel van het emissiecontrolesysteem in werking te stellen, te moduleren, te vertragen of buiten werking te stellen, zodat de doelmatigheid van het emissiecontrolesysteem wordt verminderd onder omstandigheden die bij een normaal gebruik van het voertuig te verwachten zijn"; overwegende dat de Commissie in Verordening (EG) nr. 715/2007 ook expliciet gevraagd wordt tests in te voeren en maatregelen te treffen met betrekking tot het gebruik van manipulatie-instrumenten;

D.  overwegende dat Volkswagen na het onderzoek door de Amerikaanse autoriteiten heeft toegegeven manipulatie-instrumenten in minstens 11 miljoen verkochte dieselvoertuigen te hebben ingebouwd; overwegende dat 8 miljoen van deze voertuigen sinds 2009 op de Europese markt zijn verkocht; overwegende dat de Volkswagenmotoren die op de EU-markt zijn verkocht een typegoedkeuring conform de Euro 5-norm is verleend;

E.  overwegende dat de Euro 5-grenswaarde voor NOx-emissies bij dieselvoertuigen 180 mg/km bedraagt en van toepassing is op voertuigtypes waaraan typegoedkeuring is verleend tussen 1 september 2009 en 1 september 2014 en op alle voertuigen die tussen 1 januari 2011 en 1 september 2015 zijn verkocht, en overwegende dat voor Euro 6 de overeenkomstige waarde 80 mg bedraagt, die van toepassing is op nieuwe types sinds 1 september 2014 en op alle voertuigen die sinds 1 september 2015 zijn verkocht; overwegende dat Euro 6-voertuigen die zijn ingeschreven vooraleer de norm werd ingevoerd als wettelijke limiet fiscale korting hebben kunnen genieten; overwegende dat onafhankelijke testresultaten bevestigen dat er zich voor beide normen grote afwijkingen voordoen in de voertuigemissies onder normale gebruiksomstandigheden;

F.  overwegende dat de Californische en Amerikaanse federale normen met betrekking tot de uitstoot van stikstofoxiden (NOx) bij dieselvoertuigen aanzienlijk strenger zijn dan de Euro 6-grenswaarden, getest worden in een meer representatieve testcyclus en toch technisch haalbaar zijn;

G.  overwegende dat het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (GCO) van de Commissie in een analyse van 2011 tot de conclusie kwam dat NOx-emissies van dieselvoertuigen die gemeten worden met draagbare emissiemeetsystemen de respectieve Euro 3- en Euro 5-emissiegrenswaarden aanzienlijk overschrijden, gaande van een factor 2-4 voor gemiddelde NOx-emissies over volledige testtrajecten tot een factor 14 in afzonderlijke testvensters; overwegende dat in een ander verslag van het GCO uit 2013 wordt geconstateerd dat het emissieniveau bij Euro 6-voertuigen zelfs nog hoger zou kunnen zijn dan bij Euro 5-voertuigen; overwegende dat in de analyse van de Internationale Raad voor schoon vervoer (ICCT) van oktober 2014 bewijzen worden geleverd voor gemiddelde NOx-emissies bij op de weg geteste dieselvoertuigen die gemiddeld zeven maal hoger liggen dan de grenswaarden volgens de Euro 6-norm; overwegende dat de Commissie zich op basis van deze bewijzen evenwel geen vragen stelde bij de door de lidstaten uitgevoerde handhaving;

H.  overwegende dat de conformiteitsproeven van de productie en van de voertuigen tijdens gebruik niet aan gemeenschappelijke normen op EU-niveau onderhevig zijn, ondanks het mandaat dat de Commissie heeft gekregen om de specifieke vereisten voor dergelijke procedures via de comitéprocedure in te stellen; overwegende dat de vereisten betreffende de conformiteit van de productie en van de voertuigen tijdens gebruik hierdoor in het algemeen onvoldoende gehandhaafd worden; overwegende dat het niet verplicht is informatie over door de bevoegde typegoedkeuringsinstantie uitgevoerde tests en de resultaten ervan te verstrekken aan de Commissie, de typegoedkeuringsinstanties van de andere lidstaten of andere belanghebbende partijen;

I.  overwegende dat de typegoedkeuringsinstanties in verscheidene lidstaten niet onafhankelijk zijn van de autosector en, onder andere, in hoge mate aangewezen zijn op financiering door de sector, wat vragen doet rijzen over potentiële belangenconflicten;

J.  overwegende dat de Commissie of autoriteiten in de lidstaten binnen het huidige EU‑typegoedkeuringssysteem de typegoedkeuring van voertuigen of conformiteitscertificaten niet mogen intrekken, noch voertuigen mogen terugroepen of het op de markt brengen ervan opschorten als er door een andere lidstaat typegoedkeuring aan werd verleend; overwegende dat fabrikanten van voertuigen gelijk welke testautoriteit in de EU kunnen kiezen, wat tot een ongezonde concurrentie tussen testautoriteiten leidt; overwegende dat er geen toezicht wordt gehouden op de testwerkzaamheden van typegoedkeuringsinstanties;

K.  overwegende dat de Commissie bezig is met een herziening van het typegoedkeuringskader;

L.  overwegende dat de Euro 5 en 6-verordening rechtstreeks toepasselijk is in de lidstaten, en dat consumenten, al naar gelang het rechtsstelsel van hun lidstaat, voor de nationale rechter een vordering tegen de voertuigfabrikanten kunnen instellen wegens inbreuk op de voorschriften;

M.  overwegende dat volgens Richtlijn 1999/44/EG betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen consumenten het recht hebben op een garantieperiode van minimum twee jaar na de aankoop en overwegende dat de verkoper verplicht is aan de consument goederen af te leveren die conform de koopovereenkomst zijn; overwegende dat conformiteit wordt vermoed als de goederen "in overeenstemming zijn met de door de verkoper gegeven beschrijving ervan, en de eigenschappen bezitten van de goederen die de verkoper aan de consument als monster of als model heeft getoond" en "de kwaliteit en prestaties bieden [...] die de consument redelijkerwijs mag verwachten, gelet op [...] de eventuele door de verkoper, de producent of diens vertegenwoordiger – met name in reclame of etikettering – publiekelijk gedane mededelingen over de bijzondere kenmerken ervan"; overwegende dat wanneer van zulke overeenstemming geen sprake is, de consument de vorderingen kan instellen waarin zijn nationale recht voorziet, waaronder in elk geval kosteloze reparatie of vervanging, en/of afhankelijk van het land of de omstandigheden, een korting op de prijs of ontbinding van de koopovereenkomst met terugbetaling van de prijs;

N.  overwegende dat volgens Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten de consument vóór de sluiting van een overeenkomst op afstand of binnen/buiten verkoopruimten ingelicht moet worden over de belangrijkste kenmerken van een product en dat de lidstaten voorschriften moeten hebben voor doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties als de bepalingen van de richtlijn niet worden nageleefd;

O.  overwegende dat krachtens de richtlijn betreffende oneerlijke handelspraktijken (2005/29/EG) met name elke praktijk verboden is die "het economische gedrag van de gemiddelde consument die zij bereikt of op wie zij gericht is [...] met betrekking tot het product wezenlijk verstoort of kan verstoren", dat in de richtlijn wordt bepaald dat "beweren dat een handelaar (met inbegrip van zijn handelspraktijken) of een product door een openbare of particuliere instelling is aanbevolen, erkend of goedgekeurd terwijl zulks niet het geval is, of iets dergelijks beweren zonder dat aan de voorwaarde voor de aanbeveling, erkenning of goedkeuring wordt voldaan" valt onder handelspraktijken die onder alle omstandigheden als oneerlijk worden beschouwd, en de lidstaten verplicht worden doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties vast te stellen; overwegende dat in Richtlijn 2005/29/EG wordt gesteld dat "als misleidend wordt beschouwd een handelspraktijk die gepaard gaat met onjuiste informatie en derhalve op onwaarheden berust of, zelfs als de informatie feitelijk correct is, de gemiddelde consument op enigerlei wijze, inclusief door de algemene presentatie, bedriegt of kan bedriegen";

P.  overwegende dat in Richtlijn 2014/24/EU betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten wordt bepaald dat opdrachten gegund moeten worden op basis van het beginsel van de beste prijs-kwaliteitsverhouding, met inbegrip van milieucriteria, en overwegende dat opdrachten in de autosector vervolgens gegund kunnen zijn op basis van onjuiste informatie betreffende de milieuprestaties van de voertuigen; overwegende dat in dezelfde richtlijn wordt bepaald dat ondernemers uitgesloten kunnen worden wanneer ze ernstige beroepsfouten hebben gemaakt, waardoor er twijfel kan rijzen over hun integriteit; overwegende dat in Richtlijn 2007/66/EG met betrekking tot beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten wordt bepaald dat tegen door de aanbestedende diensten genomen besluiten beroep kan worden ingesteld op grond van het feit dat door die besluiten het Gemeenschapsrecht inzake overheidsopdrachten of de nationale voorschriften waarin dat Gemeenschapsrecht is omgezet, geschonden zijn;

Q.  overwegende dat luchtvervuiling in Europa ieder jaar 430 000 vroegtijdige sterfgevallen veroorzaakt en 940 miljard EUR aan productiviteitsverlies kost; overwegende dat in meer dan twintig lidstaten niet wordt voldaan aan de in Richtlijn 2008/50/EG vastgestelde luchtkwaliteitsnormen van de EU; overwegende dat stikstofdioxide (NO2) een gevaarlijke verontreinigende stof is en de uitgangsstof voor vele andere, zoals ozon en fijn stof; overwegende dat NOx en hun derivaten longkanker, astma en een groot aantal aandoeningen aan de luchtwegen veroorzaken en met name kwetsbare groepen als kinderen en ouderen treffen; overwegende dat NOx ook ernstige gevolgen hebben voor het milieu en verantwoordelijk zijn voor aanzuring, eutrofiëring en ook materiaaldegradatie; overwegende dat de uitstoot van dieselvoertuigen in stedelijke gebieden in Europa de belangrijkste bron is van NOx; overwegende dat NOx zich gedragen als indirecte broeikasgassen;

R.  overwegende dat het Internationaal Instituut voor Kankeronderzoek (IARC) van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de uitlaatgassen van dieselmotoren sinds 2012 classificeert als kankerverwekkende stof en adviseert dat blootstelling aan de mengeling van uitgestoten chemicaliën gezien de bijkomende gevolgen van dieseldeeltjes op de gezondheid wereldwijd teruggedrongen moet worden;

S.  overwegende dat de huidige systemen voor het controleren van NOx-emissies van dieselpersonenauto's gebaseerd zijn op drie belangrijke technologieën: aanpassingen in de motor gekoppeld aan uitlaatgasrecirculatie (EGR), adsorptie van NOx in armmengselmotoren (de zogenaamde "lean NOx traps" of LNT's) en selectieve katalytische reductie (SCR); overwegende dat de meeste voertuigen om te voldoen aan de Euro 6-grenswaarden uitgerust zijn met ten minste twee van de drie technologieën; overwegende dat al deze technologieën met manipulatie-instrumenten kunnen worden uitgeschakeld;

T.  overwegende dat het voor de naleving van de emissienormen vereist is dat manipulatie-instrumenten verwijderd worden bij de voertuigen die ermee zijn uitgerust, dat de software voor het emissiecontrolesysteem aangepast wordt en dat er, afhankelijk van de motortechnologie, ingegrepen wordt in de hardware;

U.  overwegende dat de resultaten van reeds in voertuigen geïnstalleerde emissiecontrolesystemen kunnen worden verbeterd door de verwijdering van manipulatie-instrumenten, herprogrammering en herkalibratie;

V.  overwegende dat afwijkingen tussen testresultaten en de resultaten van voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden niet beperkt blijven tot NOx, maar ook voorkomen bij andere verontreinigende stoffen en CO2; overwegende dat in 2014 de kloof tussen de officiële en reële CO2-emissies bij personenauto's in Europa volgens de ICCT (september 2015) 40 % bedroeg;

W.  overwegende dat het voor de omslag naar de wereldwijde geharmoniseerde testprocedure voor lichte voertuigen (Worldwide Harmonised Light Vehicles Test Procedure, WLTP) in de EU nodig is de bestaande streefdoelen voor de gemiddelde CO2-emissie van het wagenpark voor fabrikanten aan te passen aan de nieuwe test; overwegende dat de procedure voor een dergelijke onderlinge samenhang momenteel loopt via de comitéprocedure en voor een vergelijkbare strengheid moet zorgen voor de fabrikanten;

1.  betreurt dat deze overtollige emissies tot onnodig vroegtijdige overlijdens, schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en milieuschade geleid hebben;

2.  laat zijn ongenoegen blijken over het ernstig gebrek aan handhaving van de EU-internemarktregulering, dat dankzij de autoriteiten in de VS werd blootgelegd;

3.  is diep bezorgd over het feit dat de autoriteiten in de lidstaten en de Commissie verzuimd hebben om actie te ondernemen toen er bewijzen aan het licht kwamen dat de emissiegrenswaarden, zoals die in de EU-wetgeving (Verordening (EG) nr. 715/2007 betreffende Euro 5 en Euro 6) bepaald zijn voor voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden, overschreden werden, onder meer in de GCO-verslagen van 2011 en 2013, waarin gewag wordt gemaakt van grote afwijkingen in de prestaties van voertuigen op de weg ten opzichte van de testresultaten en het gebruik van manipulatie-instrumenten als verklaring gesuggereerd wordt;

4.  dringt daarom aan op instelling van een enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar de verantwoordelijkheid van de Commissie respectievelijk de autoriteiten in de lidstaten voor deze nalatigheid met de juiste uitvoering en handhaving van het desbetreffende Unierecht;

5.  roept de Commissie en de lidstaten op onmiddellijk een onderzoek te starten naar het gebruik van manipulatie-instrumenten bij alle in de EU verkochte voertuigmerken en naar de resultaten van voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden wat betreft de grenswaarden voor verontreinigende stoffen en de geadverteerde CO2-emissies (g/km); meent dat een dergelijk onderzoek onder toezicht van de Commissie moet worden gevoerd, op basis van gegevens over de voertuigen op de markt die worden verzameld en ingediend door de typegoedkeuringsinstanties van de lidstaten en die het resultaat zijn van tests in reële rijomstandigheden; benadrukt dat een dergelijk onderzoek in totale openheid en met volledige publieke toegang tot de gegevens moet plaatsvinden; eist dat de Commissie uiterlijk 31 maart 2016 schriftelijk verslag uitbrengt aan het Parlement over de bevindingen van haar onderzoek;

6.  verzoekt met klem dat de autoriteiten in de lidstaten de typegoedkeuring en het conformiteitscertificaat van voertuigen intrekken wanneer manipulatie-instrumenten gevonden worden of aanwezig zijn, overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2007/46/EG en artikel 10 van Verordening (EG) nr. 715/2007, dat ze passende sancties toepassen en een verplichte terugroeping eisen om manipulatie-instrumenten te verwijderen en conformiteit met de desbetreffende regelgeving te waarborgen, en dat fabrikanten verplicht worden klanten een schadevergoeding toe te kennen; dringt er bij de Commissie op aan inbreukprocedures op te starten tegen de desbetreffende autoriteiten in de lidstaten wegens verzuim van handhaving van de bepalingen uit Verordening (EG) nr. 715/2007;

7.  eist dat de autoriteiten in de lidstaten de fabrikanten verplichten eventuele subsidies, belastingvoordelen of andere fiscale stimulansen die ze ontvangen hebben op basis van beweerde milieuprestaties terug te storten wanneer manipulatie-instrumenten gevonden worden of aanwezig zijn; meent dat deze situatie anders zou neerkomen op concurrentievervalsing en beschouwd kan worden als onrechtmatige staatssteun, waarvoor de Commissie de procedure voor onrechtmatige staatssteun zou moeten opstarten; stelt voor dat de teruggestorte subsidies toegewezen worden aan projecten om koolstof af te bouwen teneinde de luchtkwaliteit te verbeteren en aan projecten voor duurzaam vervoer in steden in de hele EU;

8.  richt zich tot het deel van de auto-industrie dat zich aan oneerlijke praktijken heeft schuldig gemaakt met het verzoek om financieel bij te dragen en mee te werken aan onafhankelijke rangschikking van wegvoertuigen naar hun milieuprestaties;

9.  vraagt de lidstaten om strakker de hand te houden aan de dwingende bepalingen inzake misleidende reclame en oneerlijke handelspraktijken in de autosector, en erop toe te zien dat beweringen over de prestaties van een voertuig vergezeld gaan van een schriftelijke precisering waarin duidelijk staat dat de officiële EU-testuitslagen niet de daadwerkelijke emissiewaarden onder reële rijomstandigheden weergeven;

10.  benadrukt dat consumenten hun rechten, zoals vastgelegd in de Richtlijnen 1999/44/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU, gemakkelijk moeten kunnen uitoefenen; vraagt de lidstaten en hun bevoegde instanties laagdrempelige informatie en duidelijk advies te verstrekken aan consumenten die naar deze rechten informeren; vraagt de Commissie en de lidstaten bovendien om ervoor te zorgen dat deze rechten gehandhaafd worden;

11.  dringt erop aan dat Richtlijn 2005/29/EG herzien wordt opdat onjuiste milieuclaims toegevoegd worden aan de lijst van oneerlijke handelspraktijken en de lidstaten de mogelijkheid krijgen praktijken toe te passen of in stand te houden bovenop deze lijst;

12.  is van mening dat deze zaak de behoefte aan een collectief verhaalmechanisme voor de hele EU illustreert, en verzoekt de Commissie voor de dag te komen met een wetgevingsvoorstel om ervoor te zorgen dat EU-consumenten in de hele EU een beroep kunnen doen op dergelijke verhaalmechanismen;

13.  benadrukt dat er een garantie moet zijn dat de bevoegde autoriteiten in de EU en de lidstaten de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten en de bijhorende beroepsprocedures volledig ten uitvoer leggen;

14.  eist dat de Commissie nauw toeziet op de organisatie van de terugroepingsprocedures, om te waarborgen dat niet-conforme voertuigen op EU-grondgebied uit circulatie gehaald worden;

15.  dringt aan op een onafhankelijke controle op de geplande aanpassingen om te waarborgen dat voertuigen hierdoor zullen voldoen aan de desbetreffende normen; eist dat fabrikanten duidelijke en betrouwbare informatie verstrekken aan de consumenten met betrekking tot de brandstofefficiëntie, de prestaties en het emissieniveau van de voertuigen na aanpassing;

16.  onderschrijft het verslag-Dess (A8-0270/2015) over de vermindering van verontreinigende emissies van wegvoertuigen dat op 23 september werd goedgekeurd door de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid met 66 stemmen voor en 2 tegen, en in het bijzonder het standpunt van de commissie waarin ze van de Commissie eist "een emissietest in reële rijomstandigheden [in te voeren] voor alle voertuigen die vanaf 2015 een typegoedkeuring krijgen of worden geregistreerd om te waarborgen dat de emissiecontrolesystemen doeltreffend genoeg zijn om ervoor te zorgen dat het voertuig aan deze verordening en de uitvoeringsmaatregelen daarbij kan voldoen, met een conformiteitsfactor die alleen rekening houdt met de mogelijke toleranties van de meetprocedure voor emissies tegen 2017"; dringt bij de Raad en de Commissie aan op een vroegtijdig akkoord over een kader voor emissietests in reële rijomstandigheden op basis hiervan, en op een snelle goedkeuring van de procedure in de comitéprocedure na een akkoord over het wetgevingsvoorstel;

17.  betreurt het gebrek aan openheid van de besprekingen onder de comitéprocedure over het voorstel voor emissietests in reële rijomstandigheden, en in het bijzonder het feit dat de Commissie verzuimd heeft het Parlement op hetzelfde moment als de afgevaardigden van de lidstaten informatie te bezorgen;

18.  benadrukt dat het huidige typegoedkeuringsstelsel voor voertuigen in de EU aanzienlijk moet worden verbeterd, onder andere door meer EU-toezicht en handhavingsbevoegdheden, in het bijzonder wat betreft het markttoezicht, de coördinatie en de follow-upprocedure en de herziening van certificeringen wanneer er ernstige twijfel bestaat; dringt aan op een onafhankelijke EU-typegoedkeuringsinstantie om dit te bewerkstelligen, onder andere met het oog op meer samenhang in de testnormen en -procedures voor luchtverontreinigende emissies, brandstofverbruik en CO2-emissies in de hele EU;

19.  acht het uitermate belangrijk dat de Commissie en alle bevoegde instanties in de lidstaten het recht hebben typegoedkeuringen en conformiteitscertificaten in te trekken, terugroepingen te eisen en het op de markt brengen van voertuigen stop te zetten, wanneer zij bewijzen hebben van niet-naleving van de EU-emissiegrenswaarden uit hoofde van de Euro 5 en 6-verordening, wanneer er bewijzen zijn van aanzienlijke afwijkingen tussen de typegoedkeuringswaarden voor de CO2-emissies of het brandstofverbruik en de prestaties in reële rijomstandigheden of enige andere voorschriften van de typegoedkeuringsregeling;

20.  meent dat de komende herziening van de kaderrichtlijn voor typegoedkeuringen uitgebreid moet worden en de voorwaarden voor conformiteit van de productie gespecificeerd moeten worden om ervoor te zorgen dat een afdoende en representatief aantal nieuwe modellen, die willekeurig uit de productielijn gehaald worden, jaarlijks in reële rijomstandigheden wordt getest op hun naleving van de Europese grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en dat dergelijke tests verder worden uitgebreid om naleving van de typegoedkeuringswaarden voor de CO2-emissies en het brandstofverbruik na te gaan;

21.  roept er voorts toe op de tests te verbeteren voor voertuigen die al op de weg in gebruik zijn – eveneens op basis van de procedure voor emissies in reële rijomstandigheden – teneinde de conformiteit van voertuigen tijdens gebruik bij verschillende kilometerstanden na te gaan, zoals de verordening bepaalt; dringt erop aan het toezicht op de weg te verbeteren door periodieke technische controles om voertuigen die niet in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving op te sporen en te herstellen; wijst er met name op dat boorddiagnosesystemen eenvoudig te programmeren zijn om geen foutmeldingen te geven, en dringt aan op passende maatregelen om dit te onderzoeken en aan te pakken;

22.  hamert erop dat er een eind moet komen aan de huidige situatie in verscheidene lidstaten, waarbij de typegoedkeuringsinstanties niet onafhankelijk zijn van de autosector, om ervoor te zorgen dat er geen belangenconflicten rijzen;

23.  benadrukt dat de resultaten van tests met betrekking tot de milieuprestaties van voertuigen beschikbaar moeten zijn voor het publiek;

24.  benadrukt dat de bevoegde autoriteiten in de EU en de lidstaten toegang moeten krijgen tot de broncodes van de computerprogramma's voor het controlesysteem van de voertuigen zodat zij kunnen nagaan of er software voor manipulatie-instrumenten aanwezig is; is in dit verband van mening dat de toegang tot computersystemen en broncodes transparant en open moet zijn, vergelijkbaar met de toegang tot en controle op mechanische onderdelen;

25.  benadrukt dat gebruikers, onderzoekers en ontwikkelaars over het onbezwaarde recht, de technologische middelen en de wettelijke bescherming moeten beschikken om de werking van IT-systemen in voertuigen te controleren, te testen en te analyseren, en om forensische analyses te verrichten ter opsporing van niet-gemelde functies of van functies die bedoeld zijn om het publiek of de autoriteiten te bedriegen; verzoekt de Commissie juridische belemmeringen weg te nemen voor gebruikers, onderzoekers en ontwikkelaars die in voertuigen aangebrachte digitale apparatuur en IT-systemen controleren, analyseren en demonteren, en te voorkomen dat wetgeving die gericht is op de bescherming van rechtmatige belangen misbruikt wordt om frauduleuze praktijken van bedrijven te verhullen;

26.  dringt erop aan Richtlijn 1999/94/EG betreffende de etikettering van auto's te herzien teneinde de juistheid, relevantie, onafhankelijkheid, duidelijkheid en vergelijkbaarheid van de aan de consument verstrekte informatie te verbeteren; is van oordeel dat de etiketten gebaseerd moeten zijn op de waarden voor CO2-emissie en brandstofverbruik die in reële rijomstandigheden zijn verkregen;

27.  spoort de EU aan etikettering in te voeren voor voertuigen die meer fijn stof uitstoten, teneinde steden in staat te stellen – om gezondheidsredenen – de toegang van deze voertuigen tot dichtbevolkte en veel bezochte gebieden te beperken;

28.  uit eveneens zijn bezorgdheid over de discrepantie tussen de CO2-emissies die in de testresultaten aangegeven worden en de emissies die bestuurders op de weg merken; roept daarom op tot een snel akkoord over de onderlinge samenhang van de WLTP met betrekking tot de streefdoelen voor de gemiddelde CO2-emissie van het wagenpark, zonder geloof te hechten aan de oneerlijke flexibiliteit in de huidige testprocedure, teneinde het streefdoel voor 2021 niet te verzwakken; is van mening dat dit schandaal rond voertuigemissies een duidelijk bewijs levert voor het feit dat overheden hun onafhankelijkheid moeten bewaren ten aanzien van de sector die ze reguleren, en dat de EU meer bevoegdheden moet krijgen om toe te zien op de uitvoering en om de wetgeving te handhaven; verzoekt de Commissie aan de EU-burgers te laten zien dat het proces voor betere regelgeving de ambitie heeft in een doeltreffende en ten uitvoer gebrachte wetgeving te voorzien in de hele EU ten voordele van alle EU-burgers;

29.  verzoekt de Commissie de gegevens in haar "Handboek voor de raming van de externe kosten in de vervoerssector" te herzien op basis van de kennis over reële emissies en luchtvervuiling van wegvoertuigen;

30.  vindt het betreurenswaardig dat de autosector een bevoorrechte toegang tot het besluitvormingsproces, met inbegrip van de comitéprocedure, heeft gekregen met betrekking tot de voorschriften die bedoeld zijn om de sector te reguleren; zet vraagtekens bij het evenwicht in de manier waarop dergelijke besluitvorming tot stand komt; eist meer openheid door de publicatie van alle documenten die sinds 2004 door de Commissie en de Raad werden uitgewisseld met de autosector;

31.  verzoekt de Commissie en de Europese Investeringsbank (EIB) om een onderzoek in te stellen over de financiële middelen – met inbegrip van de leningen en subsidies van de EIB en de EU voor onderzoek en ontwikkeling – die aan de autosector werden toegekend voor de ontwikkeling van schonere motoren, om de doeltreffendheid van deze financiering te beoordelen en na te gaan of iets van deze middelen misbruikt is voor de ontwikkeling van manipulatie-instrumenten voor het testen van emissies; is van mening dat de middelen in dergelijke gevallen teruggestort moeten worden;

32.  betreurt dat de bestuurlijke beslissingen van de fabrikanten om de wettelijke normen te overtreden ernstige gevolgen kunnen hebben voor de werknemers;

33.  benadrukt dat de fabrikanten, vooraleer ontslagen wegens boventalligheid in overweging te nemen, hun eigen financiële middelen moeten aanspreken, door onder meer de winst in te houden in plaats van dividenden uit te delen, om de kosten die voortvloeien uit de overtreding van het toepasselijk recht zo veel mogelijk te dekken; wijst erop dat de onderneming en de aandeelhouders de verliezen zoveel mogelijk zelf voor hun rekening moeten nemen alvorens belastinggelden op nationaal of EU-niveau aan te spreken, om moreel risico te voorkomen;

34.  vraagt de Commissie om na te gaan welke EU-fondsen zouden kunnen worden aangesproken voor ondersteuning van de betrokken werknemers, en wijst erop dat zulke bijstandsmaatregelen niet de eventuele aansprakelijkheid van een lidstaat of onderneming mogen opheffen, en verenigbaar moeten zijn met een omslag naar een bronnenefficiënte en duurzame economie;

35.  is ervan overtuigd dat voor een autosector in Europa die ook in de toekomst concurrentieel blijft een opwaartse spiraal nodig is die innovatie, werkgelegenheid, volksgezondheid, milieu en mobiliteit ten goede komt; dringt erop aan dat de autosector haar investerings- en ontwikkelingsstrategieën afstemt op de behoeften in de samenleving aan een schoner en klimaatbestendig milieu, dankzij onder meer productie van energie-efficiënte en schone voertuigen, waaronder elektrische voertuigen; zet in dit verband vraagtekens bij de rol van dieseltechnologie in de mobiliteit van de toekomst;

36.  steunt de ontwikkeling van een samenhangende en gezamenlijke Europese respons om ervoor te zorgen dat industrieel beleid en investeringsstrategieën afgestemd worden op de aflevering van veilige, schone, duurzame en betrouwbare vervoerssystemen, en fossiele brandstoffen ingeruild worden voor nieuwe technologieën en energiebronnen;

37.  onderstreept dat internationale vrijhandelsovereenkomsten niet mogen leiden tot normverlaging op gebied van klimaatbescherming, maar juist moeten bijdragen aan verhoging van die normen in de EU en andere delen van de wereld;

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(2)

PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(3)

PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22.

(4)

PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1.

(5)

PB L 103 van 5.4.2014, blz. 15.

Juridische mededeling - Privacybeleid