Procedure : 2015/2977(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1240/2015

Ingediende teksten :

B8-1240/2015

Debatten :

PV 25/11/2015 - 21
CRE 25/11/2015 - 21

Stemmingen :

PV 26/11/2015 - 11.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0418

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 151kWORD 87k
20.11.2015
PE571.064v01-00
 
B8-1240/2015

naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-1108/2015

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over onderwijs aan kinderen in noodsituaties en aanhoudende crises (2015/2977(RSP))


Linda McAvan namens de Commissie ontwikkelingssamenwerking
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over onderwijs aan kinderen in noodsituaties en aanhoudende crises (2015/2977(RSP))  
B8-1240/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag van 1951 betreffende de status van vluchtelingen,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989 en het bijbehorende Facultatief Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten van mei 2000, het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen, kinderprostitutie en kinderpornografie van januari 2002 en het Facultatief Protocol inzake een communicatieprocedure van december 2011,

–  gezien de beginselen en richtsnoeren van de VN van februari 2007 inzake kinderen die verbonden zijn aan strijdkrachten of gewapende groepen (de beginselen van Parijs),

–  gezien algemene opmerking nr. 14 (2013) van het VN-Comité voor de rechten van het kind, inhoudende dat het belang van het kind voorop dient te staan,

–  gezien het actieplan van de VN getiteld "A World fit for Children",

–  gezien artikel 208 van het Verdrag van Lissabon, waarin het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling is vastgelegd, op grond waarvan bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor ontwikkelingslanden, rekening moet worden gehouden met de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking,

–  gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Europese Commissie met de titel "De Europese consensus betreffende humanitaire hulp" van 30 januari 2008,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2008 getiteld "Een bijzondere plaats voor kinderen in het externe optreden van de EU" (COM(2008)0055),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake kinderen en gewapende conflicten (geactualiseerd in 2008),

–  gezien Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking),

–  gezien de Nobelprijs voor de vrede die de Europese Unie op 10 juli 2012 heeft ontvangen en de bijbehorende geldprijs die werd besteed aan het EU-initiatief Vredeskinderen,

–  gezien resolutie 64/290 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 juli 2010 over het recht op onderwijs in noodsituaties en de betreffende richtsnoeren, waaronder die van UNICEF en UNESCO,

–  gezien het Actiekader van Dakar, vastgesteld door het Wereldonderwijsforum van 26­28 april 2000, en de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000,

–  gezien de Verklaring van Incheon: Onderwijs 2030, vastgesteld door het Wereldonderwijsforum van 19‑22 mei 2015,

–  gezien de Verklaring van Oslo, goedgekeurd op de Top van Oslo over onderwijs en ontwikkeling van 6‑7 juli 2015,

–  gezien de mondelinge vraag aan de Commissie over onderwijs voor kinderen in noodsituaties en langdurige crisissen (O‑000147/2015 – B8‑1108/2015),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er volgens schattingen van de VN één miljard kinderen in conflictgebieden wonen, dat een kwart daarvan jonger is dan 5 jaar en dat deze kinderen verstoken zijn van hun fundamentele recht op onderwijs; overwegende dat naar schatting 65 miljoen kinderen tussen 3 en 15 jaar getroffen zijn door noodsituaties en aanhoudende crises, waardoor hun opleiding dreigt te worden verstoord, en dat ca. 37 miljoen kinderen in de lagere of middelbareschoolleeftijd in de getroffen landen niet naar school gaan; overwegende dat ongeveer de helft van de kinderen die wereldwijd niet naar school gaan in conflictgebieden woont; overwegende dat 87 % van de kinderen die in de Arabische landen niet naar school gaan, zich in een conflictsituatie bevindt, en dat naar schatting 175 miljoen kinderen elk jaar het risico lopen door een natuurramp te worden getroffen; overwegende dat bepaalde groepen, zoals arme kinderen, meisjes en kinderen met een handicap, hun toch al schaarse toekomstperspectieven nog verder zien verslechteren in conflictgebieden of precaire situaties;

B.  overwegende dat er bijna 10 miljoen vluchtelingenkinderen zijn en dat er wereldwijd naar schatting 19 miljoen kinderen intern ontheemd zijn als gevolg van conflicten;

C.  overwegende dat elke minderjarige in de allereerste plaats een kind is wiens rechten moeten worden geëerbiedigd zonder enige vorm van discriminatie, en ongeacht de etnische afkomst, de nationaliteit of de maatschappelijke, migratie- of verblijfsstatus van de minderjarige of diens ouders;

D.  overwegende dat onderwijs een fundamenteel mensenrecht is en een recht van ieder kind, overwegende dat onderwijs essentieel is om volledig te kunnen genieten van alle andere sociale, economische, culturele en politieke rechten;

E.  overwegende dat onderwijs de grondslag vormt voor een verantwoordelijk burgerschap, dat het een samenleving kan veranderen en kan bijdragen tot sociale, economische, politieke en gendergelijkheid, en dat onderwijs van fundamenteel belang is voor de emancipatie van meisjes en vrouwen op sociaal, cultureel en beroepsgebied en voor het voorkomen van geweld tegen vrouwen en meisjes;

F.  overwegende dat onderwijs van wezenlijk belang is voor de integratie en de verbetering van de levensomstandigheden van kinderen met een handicap en/of speciale onderwijsbehoeften;

G.  overwegende dat gratis lager onderwijs voor alle kinderen een fundamenteel recht is dat regeringen krachtens het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 dienen te eerbiedigen; overwegende dat de doelstelling voor 2015 luidt dat alle jongens en meisjes een volledig basisonderwijstraject volgen; overwegende dat er in de ontwikkelingslanden weliswaar enige vooruitgang is geboekt, maar dat dit doel nog bij lange na niet bereikt is;

H.  overwegende dat het Actiekader van Dakar en de millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MDG's) de internationale gemeenschap hebben aangezet om zich in te zetten voor universele toegang tot basisonderwijs, gendergelijkheid en hoogwaardig onderwijs, maar dat geen enkele van deze doelstellingen tegen de beoogde termijn van 2015 verwezenlijkt zal zijn;

I.  overwegende dat er in minstens 30 landen in de wereld door nationale strijdkrachten en gewapende niet-statelijke groeperingen aanvallen worden gepleegd op onderwijsinstellingen; overwegende dat de bescherming van scholen tegen aanvallen en militair gebruik door nationale en niet-statelijke gewapende groeperingen in overeenstemming is met de Verklaring inzake veilige scholen en de richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten;

J.  overwegende dat kinderen, adolescenten en jongeren steeds meer gevaar lopen en onevenredig hard getroffen worden, vooral in onstabiele landen; overwegende dat kinderen en adolescenten die niet naar school gaan meer risico lopen op vroege huwelijken, zwangerschap of recrutering door strijdkrachten of gewapende groeperingen, en meer gevaar lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel en arbeidsuitbuiting; overwegende dat kinderen in conflictgebieden vaak alleen dankzij humanitaire hulp hun opleiding kunnen voortzetten en hun toekomstperspectieven kunnen verbeteren, waardoor zij tevens minder gevaar lopen het slachtoffer te worden van misbruik en uitbuiting;

K.  overwegende dat het aanbieden van hoogwaardig onderwijs in crisissituaties niet stelselmatig deel uitmaakt van de humanitaire respons, zich hoofdzakelijk richt op basisonderwijs en nog altijd gezien wordt als minder belangrijk dan de verstrekking van voedsel, water, medische hulp en onderdak, en overwegende dat kinderen die getroffen worden door conflicten of natuurrampen daardoor verstoken blijven van onderwijs;

L.  overwegende dat er slechts weinig humanitaire hulp wordt verstrekt voor onderwijs en dat ruimhartiger ontwikkelingshulp vaak te laat of in het geheel niet komt; overwegende dat er een gebrek is aan coördinatie bij de verstrekking van deze hulp en dat er vaak sprake is van hoge transactiekosten en dat er tevens een gebrek is aan actoren met de juiste responscapaciteiten;

M.  overwegende dat de kwaliteit van de onderwijsprogramma's ten behoeve van vluchtelingen over het algemeen slecht is, dat er soms slechts één leerkracht beschikbaar is per 70 leerlingen en dat veel leerkrachten niet over de juiste kwalificaties beschikken;

N.  overwegende dat de nieuwe doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) en aanverwante doelen een holistische, ambitieuze, nieuwe agenda voor onderwijs vaststellen, die tegen 2030 in praktijk moet worden gebracht;

O.  overwegende dat toegang voor iedereen tot hoogwaardig openbaar onderwijs, niet alleen tot basisonderwijs maar eveneens en in gelijke mate tot secundair en hoger onderwijs, van essentieel belang is om ongelijkheid uit te bannen en de SDG's te verwezenlijken;

P.  overwegende dat de EU in de periode 2014‑2020 4,7 miljard EUR zal investeren in onderwijs in ontwikkelingslanden , een stijging ten opzichte van de 4,4 miljard EUR die in de periode 2007‑2013 werd geïnvesteerd;

Q.  overwegende dat in de Verklaring van Incheon met bezorgdheid wordt geconstateerd dat onderwijs en ontwikkeling door conflicten, natuurrampen en andere crises worden verstoord, wordt gesteld dat er inclusievere, flexibeler en veerkrachtiger onderwijsstelsels zullen worden ontwikkeld, en wordt benadrukt dat onderwijs moet worden verstrekt in een veilige, positieve en geweldloze leeromgeving;

R.  overwegende dat het EU-initiatief Vredeskinderen ca. 1,5 miljoen kinderen in conflict- en crisisgebieden in 26 landen toegang geeft tot scholen,waar zij in een veilige omgeving kunnen leren en psychologische steun kunnen krijgen;

S.  overwegende dat diverse EU-partners, zoals de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA), innovatieve, inclusieve en holistische benaderingen van onderwijs in noodsituaties hebben ontwikkeld, om vluchtelingenkinderen die het slachtoffer zijn van de huidige conflicten toegang te bieden tot hoogwaardig onderwijs; overwegende dat binnen deze benaderingen ruimte is voor zowel de humanitaire behoeften van kinderen op de korte termijn als de ontwikkelingsbehoeften van kinderen op de lange termijn en dat er tevens aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van interactief lesmateriaal voor zelfstudie, psychosociale ondersteuning, veilige leer- en recreatieruimten, alsmede activiteiten op het gebied van voorlichting en capaciteitsopbouw op het gebied van veiligheids- en zekerheidsvraagstukken;

T.  overwegende dat naar schatting 8 miljard USD per jaar nodig is voor educatieve steun ten behoeve van kinderen in crisissituaties, en dat de eigen bijdragen van de getroffen regeringen onvoldoende zijn en er daarom een financieel tekort is van 4,8 miljard USD voor onderwijs in crisisgebieden;

U.  overwegende dat een verhoging van de ontwikkelingsfinanciering en humanitaire hulp noodzakelijk is om dit tekort op te heffen en dat ook de fragiele staten zelf meer overheidsmiddelen aan onderwijs moeten besteden; overwegende dat het aandeel van de overheidsuitgaven voor onderwijs in fragiele staten de afgelopen jaren is afgenomen en nog altijd ver verwijderd is van het internationaal aanbevolen streefcijfer van 20 %;

V.  overwegende dat in de Verklaring van Oslo wordt benadrukt dat de mondiale steunmechanismen tegen het licht moeten worden gehouden om de kloof tussen humanitaire respons en langetermijnacties voor ontwikkeling op het gebied van onderwijs te dichten en dat tevens wordt voorgesteld hiervoor een nieuw platform op te zetten en een specifiek fonds of nieuw instrument voor onderwijs in crisissituaties in het leven te roepen ter gelegenheid van de wereldtop voor humanitaire hulp in 2016;

1.  benadrukt het belang van hoogwaardig openbaar onderwijs voor iedereen, omdat onderwijs als katalysator fungeert op het gebied van ontwikkeling, waardoor betere perspectieven worden gecreëerd voor andere acties op het gebied van gezondheidszorg, sanitaire voorzieningen, beperking van het risico op rampen, werkgelegenheid, armoedebestrijding en economische ontwikkeling; benadrukt dat onderwijs ook belangrijk is om het gevoel te geven dat de situatie normaal is, meer bekendheid te geven aan de rechten van kinderen, en kinderen, adolescenten en jongeren te helpen bij het verwerken van traumatische gebeurtenissen, bij de re-integratie in de samenleving na afloop van een conflict en bij het verwerven van de vaardigheden die zij nodig hebben om hun samenleving weer op te bouwen, en om een bijdrage te leveren aan vredesopbouw en verzoening;

2.  benadrukt dat hoogwaardig onderwijs op de langere termijn een doorslaggevende bijdrage kan leveren aan de wederopbouw van de maatschappij na het conflict, aangezien het kinderen meer kansen biedt om in de toekomst geld te gaan verdienen, waardoor zij een bijdrage kunnen leveren aan de gezondheid van hun familie en de armoedecirkel kunnen doorbreken;

3.  benadrukt dat meisjes en andere kansarme kinderen, waaronder kinderen met een handicap, bij de toegang tot goed onderwijs in crisissituaties nooit gediscrimineerd mogen worden;

4.  benadrukt de positieve rol van het onderwijs voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen en wijst op het belang van ononderbroken, levenslange scholing voor adolescenten; meent dat dit ook de kans verkleint dat zij zich aansluiten bij gewapende groeperingen of betrokken raken bij extremisme;

5.  beseft dat er sinds de vaststelling van de MDG's vooruitgang is geboekt, maar betreurt dat de gestelde doelen in 2015 niet zullen worden bereikt; verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten om van deze doelstellingen de topprioriteit van hun intern beleid en van hun betrekkingen met derde landen te maken; benadrukt dat die doelen, en met name armoedebestrijding, toegang tot onderwijs voor iedereen en gendergelijkheid, alleen kunnen worden verwezenlijkt door middel van de ontwikkeling van voor iedereen toegankelijke openbare diensten; verwelkomt de nieuwe onderwijsagenda die is vastgesteld in de SDG's en blijft hameren op het belang van gelijke toegang tot hoogwaardig onderwijs voor de meest kwetsbare bevolkingsgroepen;

6.  constateert met bezorgdheid dat er in door conflicten getroffen landen en in fragiele of door conflicten getroffen staten nauwelijks of helemaal geen sprake is van vooruitgang op het gebied van onderwijs, en benadrukt dat de veerkracht van de onderwijsstelsels in deze landen versterkt moet worden en dat ononderbroken scholing in tijden van crisis gewaarborgd moet worden; benadrukt derhalve dat de EU, haar lidstaten en alle betrokken spelers op de diverse niveaus zich meer moeten inzetten voor het beschikbaar maken van instrumenten die borg kunnen staan voor de ontwikkeling en verspreiding van het onderwijs in die crisislanden;

7.  wijst erop dat miljoenen kinderen gedwongen op de vlucht zijn en benadrukt dat toegang tot onderwijs voor vluchtelingenkinderen van het allergrootste belang is; dringt er bij de landen die vluchtelingen opvangen op aan vluchtelingenkinderen volledige toegang tot onderwijs te garanderen en hun integratie en inclusie in nationale onderwijsstelsels zo veel mogelijk te bevorderen; dringt er voorts bij humanitaire en ontwikkelingsorganisaties op aan meer aandacht te besteden aan het onderwijs en de opleiding van leraren van zowel ontheemde bevolkingsgroepen als gastgemeenschappen, en verzoekt de internationale donoren bij de aanpak van vluchtelingencrises meer aandacht te besteden aan onderwijs, door middel van programma's die tot doel hebben minderjarige migranten te bereiken en psychologisch te ondersteunen en hun de taal van het gastland te leren, met het oog op een betere integratie van vluchtelingenkinderen;

8.  benadrukt dat er niet alleen aandacht besteed moet worden aan basisonderwijs, maar ook aan secundair onderwijs en beroepsonderwijs; vestigt de aandacht op het feit dat jongeren tussen 12 en 20 jaar binnen vluchtelingengemeenschappen slechts zeer beperkte mogelijkheden hebben, maar dat zij wel de grootste kans lopen gerecruteerd te worden voor militaire activiteiten of anderszins ingezet te worden bij gewapende conflicten; haalt het voorbeeld aan van Afghanistan, een land met een enorme beroepsbevolking, waar volgens de Wereldbank slechts ongeveer 30 % van de personen ouder dan 15 jaar kan lezen en schrijven en waar tientallen jaren van oorlog geleid hebben tot een ernstig tekort aan geschoolde arbeidskrachten;

9.  verzoekt de lidstaten speciale opvangregelingen voor niet-begeleide minderjarigen en alleenstaande vrouwen met kinderen te ontwikkelen;

10.  herinnert de lidstaten eraan dat het voor de bescherming van minderjarigen en het voorkomen van kindermisbruik en kinderhandel essentieel is dat kinderen naar school gaan en onderwijs genieten en dat daarvoor vastomlijnde normen voor opvang, integratie en taalkundige ondersteuning nodig zijn, zoals bepaald in Richtlijn 2013/33/EU;

11.  verzoekt de Commissie en de lidstaten nadrukkelijk gevluchte studenten op doorreis te helpen, onder meer door middel van samenwerking met de diverse internationale organisaties;

12.  verzoekt de Commissie en de lidstaten "onderwijscorridors" in het leven te roepen, zodat studenten uit conflictlanden, met name Syrië, Irak en Eritrea, worden toegelaten tot universitair onderwijs;

13.  verzoekt de EU en haar humanitaire agentschappen om het onderwijs aan en de bescherming van kinderen stelselmatig op te nemen in de hele maatregelencyclus voor crisissituaties en te zorgen dat er flexibele meerjarenfondsen beschikbaar zijn voor langdurige crises;

14.  is ingenomen met de instelling van het Bekou Trust Fund, het Madad Trust Fund en het noodtrustfonds voor Afrika, omdat dat doeltreffende middelen zijn voor het aanpakken van de tweedeling tussen humanitaire en ontwikkelingsfondsen in complexe en langdurige crisissituaties waar politieke, economische en humanitaire aspecten met elkaar verweven zijn; verzoekt de EU en haar lidstaten onderwijs voor kinderen bij de toewijzing van middelen uit de EU-trustfondsen tot prioriteit te maken;

15.  is van oordeel dat de respons op crisissituaties wat betreft het onderwijs zorgwekkend tekortschiet, te meer omdat snel optreden niet alleen de getroffen kinderen ten goede komt, maar ook de doeltreffendheid van de humanitaire respons in brede zin kan verbeteren; herhaalt zijn standpunt dat scholen voor kinderen veilige plaatsen moeten zijn, en benadrukt in dit verband dat het belangrijk is dat onderwijsinstellingen niet het doelwit zijn van aanvallen; verzoekt de EU en haar lidstaten zich te verbinden tot onverkorte ondersteuning van de beginselen van het Comprehensive School Safety Framework en de bescherming van het onderwijs tegen aanvallen en militair gebruik, overeenkomstig de Verklaring inzake veilige scholen en de richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten;

16.  verzoekt de EU om met partnerlanden, andere donoren, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld te werken aan verbetering van de onderwijskansen voor jongeren in conflict- en andere noodsituaties, aangezien jongeren een cruciale rol kunnen spelen in de stabiliteit na het conflict dankzij de vaardigheden die zij hebben kunnen opbouwen op het gebied van de wederopbouw van infrastructuur, basisdiensten, de gezondheidszorg en het onderwijsstelsel, terwijl niet-werkende jongeren maatschappelijke onrust kunnen veroorzaken of het risico lopen terug te vallen in de vicieuze cirkel van geweld;

17.  looft het EU-initiatief Vredeskinderen, dat zich ten doel stelt humanitaire onderwijsprojecten in noodsituaties te financieren, en verzoekt de Commissie dit initiatief uit te breiden; is ingenomen met het No Lost Generation-initiatief dat gelanceerd is door een aantal donoren en humanitaire en ontwikkelingsinstanties, waaronder de EU, en dat tot doel heeft miljoenen kinderen in Syrië en zijn buurlanden toegang tot onderwijs te bieden;

18.  betreurt dat ondanks de belangrijke rol die onderwijs in crisissituaties speelt, minder dan 2 % van alle humanitaire steun in 2014 aan onderwijs werd besteed; spreekt derhalve de wens uit dat in het kader van het nieuwe herschikkingsprogramma voor de Europese fondsen meer middelen worden vrijgemaakt voor programma's ter verbreiding van het onderwijs aan minderjarigen, onder meer in derde landen die in oorlog of andere noodsituaties verkeren;

19.  verzoekt alle humanitaire spelers om, gelet op de duur van de huidige crises, onderwijs integraal deel te laten uitmaken van hun humanitaire respons en zich nog meer in te zetten voor onderwijs, door bij crisissituaties al in een vroege fase onderwijsmaatregelen te nemen en ervoor te zorgen dat hiervoor voldoende middelen worden uitgetrokken; verzoekt ze voorts bijzondere aandacht te besteden aan kwetsbare groepen zoals meisjes, gehandicapten en armen, rekening te houden met ontheemde kinderen en jongeren die onderdak hebben gevonden in gastgemeenschappen, en gepaste aandacht te schenken aan secundair onderwijs, zodat adolescenten niet worden uitgesloten van onderwijs;

20.  verwelkomt de toenemende internationale belangstelling voor onderwijs in crisissituaties en met name het door de EU-commissaris voor Humanitaire Hulp en Crisisbeheersing uitgesproken streven om tegen 2019 4 % van het EU-budget voor humanitaire hulp uit te trekken voor onderwijs aan kinderen in noodsituaties;

21.  verzoekt de EU-lidstaten de doelstelling van de Commissie om het aandeel van de humanitaire hulp dat besteed wordt aan onderwijs in crisissituaties te verhogen tot 4 % van de humanitaire hulp te steunen, omdat dat de investering is die minimaal nodig is om toegang tot hoogwaardig onderwijs voor kinderen in crisissituaties en langdurige crises te waarborgen; verzoekt de lidstaten om ook in het kader van hun eigen humanitaire maatregelen meer aandacht te besteden aan en meer middelen beschikbaar te stellen voor onderwijs, maar benadrukt daarbij dat dat niet ten koste mag gaan van andere basisbehoeften; verzoekt de EU bij de betrokken landen goede praktijken te bevorderen op het gebied van paraatheids- en responsstrategieën voor het ondersteunen van het onderwijs bij crises, en te helpen bij het opbouwen van de daarvoor benodigde capaciteiten, bijvoorbeeld door middel van begrotingsondersteuningsprogramma's;

22.  benadrukt dat nieuwe informatie- en communicatietechnologieën (ICT) een steeds belangrijker rol zijn gaan spelen in het onderwijs in crisissituaties, en het werk van leerkrachten in dergelijke situaties kunnen verbeteren, onder meer door middel van platforms voor e‑onderwijs;

23.  wijst erop dat een verhoging van de humanitaire hulp noodzakelijk is, maar ontoereikend zal zijn om de financieringskloof te dichten; verzoekt de EU en andere donoren om onderwijs in het kader van de ontwikkelingssamenwerking met fragiele staten sterker te profileren, teneinde de veerkracht van de nationale onderwijsstelsels te verbeteren; verzoekt de Commissie en de lidstaten, alsook de andere humanitaire spelers, bij te dragen aan de uitbreiding van voor iedereen toegankelijk openbaar onderwijs, met inbegrip van secundair en hoger onderwijs, als middel om de programmering van de crisisrespons beter te laten aansluiten bij de langetermijnplanning voor duurzame ontwikkeling;

24.  verzoekt de EU de toezeggingen te steunen die de regeringen van derde landen hebben gedaan om nationale rechtskaders te zullen ontwikkelen voor reactievermogen, preventie en rampen- en risicobeheer, op basis van het internationale programma met regels, wetten en beginselen voor internationale acties bij rampen, en om ervoor te zullen zorgen dat er bij de diverse overheidsdiensten, bedrijfstakken en het maatschappelijk middenveld voldoende capaciteit op het gebied van risicobeheer voorhanden is om te waarborgen dat kinderen kunnen terugkeren naar school;

25.  benadrukt het belang van de particuliere sector als potentiële bron van innovatieve financiering voor onderwijs, zodat de mogelijke kloof tussen onderwijs en opleiding enerzijds en de toekomstige vraag van de arbeidsmarkt anderzijds gedicht wordt; verzoekt om nieuwe allianties en nieuwe vormen van partnerschap met de particuliere sector in onderwijsprocessen, die waardevolle bronnen van innovatie en technologische flexibiliteit kunnen vormen en talrijke vormen kunnen aannemen (gebouwen, elektronische apparatuur, e‑learningprogramma's, vervoer en accommodatie voor leerkrachten, enz.);

26.  wijst erop dat onderwijs in crisissituaties en instabiele contexten een concreet gebied is waarop actoren die zich met humanitair en ontwikkelingswerk bezighouden moeten samenwerken om noodhulp, herstel en ontwikkeling aan elkaar te koppelen (LRRD); verzoekt de Commissie mechanismen uit te werken om dit in haar eigen activiteiten en die van haar partners in praktijk te brengen, en mee te werken aan het internationale platform dat voor de wereldtop inzake humanitaire hulp in 2016 specifieke instrumenten voor onderwijs in het leven zal roepen; is voorstander van coördinatie van de bestaande fondsen en van de instelling van een wereldwijd financieringsmechanisme voor onderwijs in crisissituaties;

27.  verzoekt de EU en haar lidstaten het onderwerp onderwijs voor kinderen in crisissituaties en langdurige crises tijdens de wereldtop inzake humanitaire hulp onder de aandacht te brengen, en ervoor te zorgen dat dit onderwerp in het slotdocument de plaats krijgt die het verdient; verzoekt de EU en de lidstaten te pleiten voor een kader van gemeenschappelijke normen voor leren, en de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van alternatieve leermethoden, zoals leermateriaal voor zelfstudie of leren op afstand, te bevorderen; benadrukt dat er mechanismen, instrumenten en capaciteiten moeten worden ontwikkeld voor de onderlinge afstemming van onderwijsplannen en ‑begrotingen bij alle maatregelen op het gebied van humanitaire respons, herstel/overgang en ontwikkeling;

28.  wijst erop dat de internationale gemeenschap, in het licht van het toenemende aantal humanitaire crises en het hoogste aantal vluchtelingen en ontheemden sinds de Tweede Wereldoorlog, onderwijs moet beschouwen als een centraal element in haar humanitaire respons, aangezien onderwijs fungeert als katalysator die de doeltreffendheid van de algemene respons kan verbeteren en tevens kan bijdragen tot de ontwikkeling van de getroffen bevolkingsgroepen op middellange en lange termijn;

29.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

Juridische mededeling - Privacybeleid