Procedure : 2015/2973(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1352/2015

Ingediende teksten :

B8-1352/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2015 - 9.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0474

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 145kWORD 70k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1348/2015
9.12.2015
PE573.394v01-00
 
B8-1352/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Burundi (2015/2973(RSP))


Maria Heubuch, Heidi Hautala, Bodil Valero, Judith Sargentini namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Burundi (2015/2973(RSP))  
B8-1352/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening voor Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de grondwet van Burundi, met name artikel 96,

–  gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien resolutie 2248 (2015) van de VN-Veiligheidsraad van 12 november 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over Burundi van 12 november 2015 van de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Jan Eliasson, de voorzitter van de Afrikaanse Unie, Nkosazana Dlamini-Zuma, en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie (VV/HV), Federica Mogherini,

–  gezien de besluiten van de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie (AUPSC) van 13 juni, 17 oktober en 13 november 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien de verklaringen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap van 31 mei en 6 juli 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien de verklaring van de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU van 17 juni 2015 over de situatie in Burundi,

–  gezien Verordening (EU) nr. 2015/1755 van de Raad van 1 oktober 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Burundi(1),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 maart, 18 mei, 22 juni en 16 november 2015 over Burundi,

–  gezien zijn resolutie van 9 juli 2015 over de situatie in Burundi(2),

–  gezien de door de Raad op 26 oktober 2015 goedgekeurde brief waarin wordt gevraagd om opening van overleg met de autoriteiten van Burundi overeenkomstig artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Burundi een recente geschiedenis kent van burgeroorlog, wijdverbreid politiek geweld, onderontwikkeling en armoede;

B.  overwegende dat president Pierre Nkurunziza begonnen is aan een derde presidentiële ambtstermijn, hetgeen in wijde kring beschouwd wordt als strijdig met de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening en met de Burundese grondwet;

C.  overwegende dat de aankondiging van zijn kandidatuur en de aanloop naar de verkiezingen gepaard gingen met de ernstige onderdrukking van de Burundese oppositie, mensenrechtenactivisten, vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de media, waaronder de moord op oppositieleider Zedi Feruzi;

D.  overwegende dat er in juni en juli 2015 presidents-, parlements- en plaatselijke verkiezingen in Burundi werden gehouden, die alle door de oppositie werden geboycot; overwegende dat deze verkiezingen volgens de Afrikaanse Unie (AU) en andere internationale organisaties niet vrij en eerlijk verliepen, wegens de vele gevallen van onderdrukking van de oppositie;

E.  overwegende dat de Burundese regering de besluiten en aanbevelingen van de Afrikaanse Unie (AU) en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC) van resp. 13 juni 2015 en 6 juli 2015 heeft genegeerd, hoewel de volledige toepassing daarvan de weg zou hebben vrijgemaakt voor geloofwaardige en inclusieve verkiezingen;

F.  overwegende dat sinds 26 april 2015 minstens 200 mensen bij confrontaties tussen de politie en oppositie-activisten om het leven zijn gekomen, en dat volgens het bureau van de Hoge VN-Commissaris voor vluchtelingen (UNHCR) een derde van dit aantal alleen al in oktober is omgekomen;

G.  overwegende dat mensen van wie gedacht wordt dat zij de oppositie steunen of kritisch tegenover de regering staan systematisch geterroriseerd en bedreigd worden door gewapende jeugdgroepen die gelieerd zijn aan de regerende partij;

H.  overwegende dat gerichte moordaanslagen schering en inslag zijn; overwegende dat ook een aanslag is gepoogd op de stafchef van het Burundese leger; overwegende dat een prominente Burundese generaal, een naaste medewerker van president Pierre Nkurunziza, werd gedood door een raketaanslag op zijn auto in de hoofdstad Bujumbura; overwegende dat er politiemensen tot doelwit zijn genomen en omgebracht; overwegende dat op 13 oktober 2015 naar verluidt minstens negen burgers door politietroepen standrechtelijk werden geëxecuteerd;

I.  overwegende dat er volgens de VN meer dan 200 000 Burundezen binnenlands ontheemd zijn of naar buurlanden zijn gevlucht wegens het voortdurende geweld;

J.  overwegende dat in het Grote Merengebied het niet geringe risico bestaat dat binnenlandse conflicten naar buurlanden overslaan;

K.  overwegende dat vele prominente critici, die allen bedreigingen ontvingen na zich tegen een derde ambtstermijn voor president Nkurunziza te hebben uitgesproken, in ballingschap zijn gegaan;

L.  overwegende dat leidende politici ook etnische haatzaaierij te baat nemen, in een regio die nog steeds de littekens draagt van de Rwandese genocide van 1994;

M.  overwegende dat VN-medewerkers melding maken van een dreigende genocide in Burundi;

N.  overwegende dat de Raad voor Vrede en Veiligheid van de Afrikaanse Unie (AUPSC) heeft aangedrongen op zo snel mogelijke hervatting van het bemiddelingsproces onder leiding van president Yoweri Museveni van Uganda, en de Burundese regering en alle andere betrokken partijen heeft opgeroepen ten volle met de bemiddelaar mee te werken; overwegende dat de AUPSC gerichte sancties heeft opgelegd tegen al degenen die deelnemen aan het geweld en een oplossing tegenhouden, en besloten heeft grondig onderzoek in te stellen naar mensenrechtenschendingen en andere vergrijpen tegen burgers in Burundi, en extra mensenrechtenwaarnemers en militaire deskundigen te zenden; overwegende dat de AUPSC de AU dringend heeft verzocht in versneld tempo een eventualiteitenplanning uit te werken voor mogelijke inzet van een missie onder Afrikaanse leiding die geweld moet voorkomen;

O.  overwegende dat de VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon op 30 november 2015 een drietal voorstellen aan de Veiligheidsraad heeft voorgelegd met de aanbeveling het mandaat van de VN-aanwezigheid in Burundi te herzien aan de hand van de ontwikkelingen, om de weg vrij te maken voor een vredeshandhavingsmissie als de crisis verergert;

P.  overwegende dat de EU op 26 oktober 2015 op overleg in de zin van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou heeft aangedrongen bij wijze van respons op de niet-naleving door Burundi van essentiële elementen van de overeenkomst, namelijk mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat; overwegende dat dit overleg op 8 december 2015 van start is gegaan;

Q.  overwegende dat de AU, de EU en de VS de bevriezing van tegoeden en reisverboden hebben opgelegd aan de regerings- en oppositieleiders die er door hun optreden en verklaringen toe bijdragen dat het geweld voortduurt en het zoeken naar een politieke oplossing voor de crisis in Burundi belemmeren;

R.  overwegende dat de Burundese autoriteiten bij Decreet 530/1597 de werkzaamheden van tien mensenrechtenorganisaties, namelijk ACAT-Burundi, Aprodh, Amina, Focode, FORSC, Fontaine-ISOKO, Maison Shalom, Parcem, RCP en SPPDF, hebben stopgezet en hun bankrekeningen hebben geblokkeerd;

1.  is zeer bezorgd over de situatie in Burundi, die dreigt uit te lopen op een nieuwe burgeroorlog en verdere destabilisering van de toch al gespannen verhoudingen in het Grote Merengebied; vraagt de Burundese regering, de veiligheidstroepen en de oppositiekrachten dringend om uiterste terughoudendheid te betrachten;

2.  houdt president Nkurunziza primair verantwoordelijk voor de ernstige verslechtering van de politieke situatie in Burundi en verzoekt hem onmiddellijk een serieuze dialoog aan te gaan met de oppositie in Burundi om een oplossing te vinden voor de huidige crisis; die oplossing moet berusten op de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening en de Burundese grondwet eerbiedigen;

3.  is van mening dat de parlements- en presidentsverkiezingen van juni en juli 2015 niet eerlijk en vrij zijn verlopen, en dat de Burundese autoriteiten de campagne van de oppositie stelselmatig hebben verstoord door openbare betogingen te verbieden en oppositieleden en medewerkers van maatschappelijke organisaties te bedreigen, waarop velen in ballingschap zijn vertrokken;

4.  veroordeelt de ernstige onderdrukking van de oppositie in Burundi, de angst die wordt verspreid door de jeugdmilitie Imbonerakure van de regeringspartij en de onderdrukking van de onafhankelijke media;

5.  dringt er bij de Burundese autoriteiten op aan te zorgen dat deze voorvallen volledig onderzocht worden en dat de daders voor de rechter komen; juicht toe dat de procureur-generaal van Burundi een onderzoekscommissie heeft ingesteld naar het bloedige politieoptreden op 13 oktober 2015;

6.  spreekt zijn veroordeling uit over de moord op de generaal Adolphe Nshimirimana, de moordpoging op de generaal Prime Niyongabo en de aanslagen en moorden op Burundese politiemensen;

7.  dringt aan op onmiddellijke ontwapening van de Imbonerakure-militie;

8.  herinnert Burundi aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Cotonou om mensenrechten, democratische waarden en de rechtsstaat te respecteren; herinnert eraan dat dergelijke rechten ook zijn opgenomen in de Burundese grondwet;

9.  roept de Burundese autoriteiten op de fundamentele rechten van alle Burundezen te respecteren en te beschermen – inclusief de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering van aanhangers van de oppositie –, de media onverwijld open te stellen, de oppositieleiders in ballingschap naar het land te laten terugkeren, alle politieke gevangenen onvoorwaardelijk vrij te laten en te stoppen met het intimideren van maatschappelijke organisaties en mensenrechtenactivisten;

10.  verwelkomt het besluit van de AUPSC om onderzoek in te stellen naar mensenrechtenschendingen in Burundi en gerichte sancties op te leggen aan degenen die deelnemen aan het toenemende geweld in het land; verwelkomt diens oproep voor een eventualiteitenplanning voor een mogelijke vredeshandhavingsmissie onder Afrikaanse leiding die geweld moet voorkomen, en vraagt de EDEO na te gaan hoe zij een dergelijke missie zou kunnen ondersteunen;

11.  is verheugd dat de AU mensenrechtenwaarnemers en militaire deskundigen naar Burundi heeft gestuurd om oog te houden op de mensenrechtensituatie, en benadrukt dat het van belang is met hen samen te werken om de uitvoering van hun mandaat te faciliteren; vraagt daarnaast het Internationaal Strafhof om binnen het raam van zijn rechtsmacht onderzoek in te stellen naar gemelde schendingen van de mensenrechten tijdens de recente crisis;

12.  verwelkomt het overleg dat uit hoofde van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou is begonnen, en de reisverboden en tegoedbevriezingen die de AU, de EU en de VS tegen Burundese burgers hebben uitgevaardigd;

13.  is verheugd over de bemiddelingspogingen van de VN, de AU en de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, en dringt erop aan deze pogingen te intensiveren;

14.  maakt zich grote zorgen over de eindeloze uittocht van vluchtelingen naar omliggende landen, en betuigt nogmaals zijn steun aan de humanitaire organisaties die in de regio aanwezig zijn;

15.  is bezorgd over de haatzaaierij die zich wederom in Burundi manifesteert en roept alle partijen op tot zelfbeheersing;

16.  dringt aan op intrekking van Decreet 530/1597 strekkende tot voorlopige opschorting van de werkzaamheden van tien mensenrechtenorganisaties en op onmiddellijke opheffing van de bevriezing van hun bankrekeningen, zodat die organisaties hun werkzaamheden onbelemmerd kunnen voortzetten;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten, de regering van Burundi en de regeringen van de landen van het gebied van de Grote Meren, de regeringen van de Oost-Afrikaanse Gemeenschap, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, Federica Mogherini, de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.

(1)

PB L 257 van 2.10.2015, blz. 1.

(2)

Aangenomen teksten P8_TA(2015)0275.

Juridische mededeling - Privacybeleid