Procedure : 2015/2973(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1356/2015

Ingediende teksten :

B8-1356/2015

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/12/2015 - 9.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2015)0474

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 155kWORD 70k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1348/2015
9.12.2015
PE573.398v01-00
 
B8-1356/2015

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Burundi (2015/2973(RSP))


Lola Sánchez Caldentey, Marie-Christine Vergiat, Eleonora Forenza, Barbara Spinelli, Patrick Le Hyaric, Matt Carthy, Martina Anderson, Lynn Boylan, Liadh Ní Riada, Malin Björk, Jiří Maštálka, Estefanía Torres Martínez, Xabier Benito Ziluaga, Miguel Urbán Crespo, Tania González Peñas, Kateřina Konečná namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Burundi (2015/2973(RSP))  
B8-1356/2015

Het Europees Parlement,

–  gezien de herziene Overeenkomst van Cotonou, en met de bepaling over democratie en mensenrechten,

–  gezien de Overeenkomst van Arusha voor vrede en verzoening in Burundi van 28 augustus 2000,

–  gezien de grondwet van Burundi, met name artikel 96,

–  gezien het Afrikaanse Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien de gezamenlijke verklaring over Burundi van 12 november 2015 van de plaatsvervangend secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Jan Eliasson, de voorzitter van de Afrikaanse Unie, Nkosazana Dlamini-Zuma, en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie (VV/HV), Federica Mogherini,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Verdrag van Genève van 1951 en het aanvullende protocol daarbij,

–  gezien de waarnemingsverslagen en de prioritaire actiegebieden van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) en het Kinderfonds van de Verenigde Naties (Unicef) in Burundi, met name wat betreft de bestrijding van honger en ondervoeding,

–  gezien Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme(1),

–  gezien artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie waarin het beginsel van beleidssamenhang in de ontwikkelingssamenwerking is vervat,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Burundi een van de minst ontwikkelde landen ter wereld is; overwegende dat bijna de helft (45 %) van de 10,6 miljoen inwoners niet ouder is dan 15 jaar (waarbij 19,9 % van de bevolking nog geen 5 jaar is); overwegende dat Burundi in de periode 2013 - 2014 twee plaatsen is teruggevallen op de menselijke ontwikkelingsindex van het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, namelijk van de 178e naar de 180e plaats; overwegende dat vier van de vijf personen in Burundi moeten rondkomen van nog geen USD 1,25 per dag, en dat 66,9 % van de bevolking beneden de armoedegrens leeft;

B.  overwegende dat met het vredesakkoord van 2006 een einde kwam aan een conflict dat 13 jaar duurde en minstens 300 000 doden heeft gekost;

C.  overwegende dat de presidentsverkiezing van 21 juli 2015, waarbij president Pierre Nkurunziza zich van een derde ambtstermijn wist te verzekeren, de belangrijkste politieke ontwikkeling was in de periode 2013 - 2015; overwegende dat deze derde termijn in strijd is met de Overeenkomst van Arusha waarin is bepaald dat de president wordt gekozen voor een slechts eenmaal hernieuwbaar mandaat van vijf jaar, en dat niemand langer dan twee presidentiële ambtstermijnen kan dienen ( artikel 7, lid 3); overwegende dat de harde repressie tegen oppositiepartijen wordt opgevoerd; overwegende dat de AU om die reden geen waarnemers heeft willen sturen om de verkiezingen te volgen, dat de EU zijn verkiezingswaarnemingsmissie naar Burundi heeft onderbroken en dat een groot deel van de Burundese oppositie besloot de verkiezingen te boycotten;

D.  overwegende dat de kandidatuur van president Nkurunziza voor een derde termijn en zijn daaropvolgende herverkiezing na de verkiezingen van 21 juli 2015 het land in de diepste politieke crisis hebben gestort sinds het einde van de burgeroorlog; overwegende dat er volgens de VN sinds april 2015 minstens 250 mensen zijn omgekomen, duizenden werden gewond, en meer dan 200 000 ontheemd zijn geraakt;

E.   overwegende dat er volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de mensenrechten (OHCHR) en andere mensenrechtenorganisaties in de aanloop naar en na afloop van de verkiezingen sprake is geweest van politiek gemotiveerde en andere mensenrechtenschendingen en geweld in het land, met name gericht tegen activisten van de oppositie, NGO's, mensenrechtenactivisten en journalisten; overwegende dat algemeen de overtuiging heerst dat deze daden grotendeels zij het niet uitsluitend toe te rekenen zijn aan staatsdiensten; overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen van stabiliteit in Burundi en bescherming van de Burundese bevolking, op de grondslag van de rechtsstaat, de mensenrechten en het internationale humanitaire recht, bij de Burundese regering ligt;

F.  overwegende dat de Oegandese president Yoweri Museveni, namens de Oost-Afrikaanse Gemeenschap (EAC) bemiddelingspogingen onderneemt met de volle steun van de AU, de EU en de VN, teneinde de inter-Burundese dialoog te bevorderen zodat er een algemeen aanvaarde en vreedzame oplossing voor de crisis in Burundi wordt gevonden;

1.  betoont zich uiterst verontrust over de situatie in Burundi, en waarschuwt voor de rampzalige gevolgen die hieruit voor de hele regio kunnen voortvloeien; dringt aan op naleving van het pact inzake veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling in het Grote Merengebied en het protocol inzake non-agressie en wederzijdse verdediging in het Grote Merengebied;

2.  veroordeelt de recente gewelddadige agressie en de steeds veelvuldiger mensenrechtenschendingen, met vergrijpen als moord, buitengerechtelijke executies, schending van de fysieke integriteit van personen, marteling en andere gevallen van wrede, onmenselijke en/of vernederende behandeling, willekeurige arrestaties en illegale detentie en schending van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, alsmede de heersende straffeloosheid;

3.  dringt aan op de onmiddellijke beëindiging van het geweld, de mensenrechtenschendingen en de politieke intimidatie van maatschappelijk middenveld en tegenstanders en op de onmiddellijke ontwapening van alle gewapende groepen die banden met politieke partijen hebben, onder strikte eerbiediging van het internationale recht en de mensenrechten;

4.  betreurt met name dat de gewapende groeperingen die in Burundi actief zijn veel jongeren tellen en verzoekt de internationale gemeenschap bijzondere aandacht te besteden aan de re-integratie van deze jongeren en het bevorderen van hun deelname aan een vreedzaam politiek proces;

5.  verlangt dat alle partijen in Burundi zich onthouden van iedere actie die de vrede en veiligheid in het land zou bedreigen; veroordeelt ten sterkste alle openbare uitspraken die bedoeld zijn om tot geweld aan te zetten of haat te zaaien onder de verschillende groepen van de Burundese samenleving, en die de huidige spanning nog kunnen verergeren, en roept alle partijen op zich van zulke uitlatingen te onthouden;

6.  vraagt alle partijen bij het conflict dringend om de nodige voorwaarden te scheppen voor herstel van vertrouwen en nationale eenheid, en dringt aan op onmiddellijke hervatting van een inclusieve en transparante nationale dialoog waaraan de regering, de oppositiepartijen en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties moeten meedoen;

7.  wijst erop dat een dergelijke dialoog, gericht op blijvende vrede, veiligheid en stabiliteit en op herstel van de democratie en de rechtsstaat in het belang van de Burundese bevolking, gebaseerd zou moeten zijn op de Overeenkomst van Arusha en de Burundese grondwet;

8.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het aantal slachtoffers en gevallen van ernstige mensenrechtenschendingen die sinds het begin van de crisis zijn gemeld; dringt er bij de bevoegde autoriteiten op aan onverwijld een grondig onderzoek in te stellen naar de omstandigheden en motieven van deze misdaden en te waarborgen dat degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn, voor de rechter worden gebracht; herhaalt dat degenen die voor de schending of aantasting van de mensenrechten verantwoordelijk zijn, niet vrijuit mogen gaat;

9.  is ernstig verontrust over de sociaal-economische situatie van alle bevolkingsgroepen in Burundi en met name van de vluchtelingen en ontheemden, die in aantal alleen maar zullen toenemen, gezien de onveiligheid in Burundi zelf en de spanningen in de buurlanden; betuigt nogmaals zijn steun aan alle humanitaire organisaties die ter plaatse werkzaam zijn, alsmede de buurlanden waar de vluchtelingen worden opgevangen; doet een beroep op de internationale gemeenschap en humanitaire organisaties om hulp te blijven verlenen aan allen die als ontheemde of vluchteling te lijden hebben onder het conflict; is derhalve verheugd over het voornemen van de EU om de financiële steun en de humanitaire hulp te verhogen om in de dringende behoeften van deze mensen te voorzien;

10.  dringt erop aan dat de ontwerpwetgeving inzake NGO's zodanig wordt aangepast dat zij in overeenstemming is met internationale normen en de internationale verplichtingen van Burundi, en dat er garanties worden geboden voor handhaving van het recht van vreedzame betoging en voor proportioneel geweldsgebruik door de veiligheids- en defensiekrachten in het land; dringt aan op intrekking van Decreet 530/1597 strekkende tot voorlopige opschorting van de werkzaamheden van tien mensenrechtenorganisaties en op onmiddellijke opheffing van de bevriezing van hun bankrekeningen, zodat die organisaties hun werkzaamheden onbelemmerd kunnen voortzetten; vestigt de aandacht op het geval van Pierre Claver Mbonimpa (een mensenrechtenactivist die in 2014 werd gearresteerd omdat hij had bekritiseerd dat jonge Burundezen werden bewapend en voor militaire training naar de Democratische Republiek Congo werden gestuurd), die op 3 augustus 2015 in Bujumbura werd neergeschoten en ernstig verwond, terwijl zijn zoon en schoonzoon in oktober 2015 werden vermoord;

11.  is van mening dat de huidige crisis uitsluitend kan worden opgelost door middel van een politieke dialoog op nationaal en regionaal niveau en in geen geval als voorwendsel mag dienen voor een nieuwe militaire interventie in de regio; wijst erop dat de EU heeft verzocht om opening van de overlegprocedure van artikel 96 van de Cotonou-overeenkomst voor nader onderzoek naar de niet-naleving van essentiële elementen van de overeenkomst, met name mensenrechten, democratische beginselen en de rechtsstaat, en dat dit overleg op 8 december 2015 is begonnen;

12.  vraagt het Internationaal Strafhof (ICC) en de internationale mensenrechtenorganisaties met klem om de situatie nauwlettend te blijven volgen en getuigenverklaringen en ander bewijs te verzamelen;

13.  is met name bezorgd over de - in Burundi dramatische proporties aannemende - discriminatie en criminalisering van LGBTI-mensen; beklemtoont nogmaals dat seksuele geaardheid en genderidentiteit vallen onder het individuele recht op privacy, dat verankerd is in het internationale mensenrechtenrecht, op grond waarvan gelijkheid en non-discriminatie moeten worden beschermd en de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd moet zijn; verzoekt het parlement en de regering van Burundi derhalve om de strafrechtelijke bepalingen die discriminerend zijn voor LGBTI-personen af te schaffen;

14.  roept de EU en de lidstaten op de nodige gelden vrij te maken voor de aanpak van de humanitaire crisis in het Grote Merengebied, nauw met de VN-organen samen te werken en de officiële ontwikkelingshulp te verhogen volgens internationaal overeengekomen beginselen van ontwikkelingseffectiviteit, zodat problemen van ongelijkheid, armoede en chronische ondervoeding bij de wortel kunnen worden aangepakt en de onlangs aangenomen Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerd (SDG's);

15.  stelt dat de problemen in Burundi zich alleen laten oplossen wanneer alle burgers gelijke rechten krijgen, geschillen rond vruchtbare landbouwgrond en rond werkloosheid en armoede worden geregeld, corruptie, armoede, economische ongelijkheid en discriminatie worden bestreden, in het bedrijfsleven voor verantwoordingsplicht wordt gezorgd en voor naleving van ecologische, sociale en mensenrechtelijke normen, en wanneer er sociale, politieke en economische hervormingen worden doorgevoerd om het land tot een vrije, democratische en stabiele staat in te richten waar de menselijke waardigheid tot haar recht kan komen;

16.  beschouwt problemen als mensen zonder toegang tot natuurlijke hulpbronnen, toenemende inkomensongelijkheid, groeiende werkloosheid, verslechterende sociale omstandigheden en verarming als evenzovele obstakels die aan stabiliteit in de weg staan en die in de nabije toekomst als absolute prioriteiten moeten worden aangepakt;

17.  vraagt de EU en de lidstaten om zich in hun actie ten behoeve van Burundi daadwerkelijk te houden aan het beginsel van beleidssamenhang in de ontwikkelingssamenwerking, om te zorgen dat hun respectieve acties op elkaar afgestemd blijven en de doelstellingen van armoedeterugdringing en realisering van de SDG's niet doorkruisen;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de ACS-EU-Raad, de Oost-Afrikaanse Gemeenschap en de regeringen van haar lidstaten, de instellingen van de Afrikaanse Unie, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

(1)

PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15.

Juridische mededeling - Privacybeleid