Ontwerpresolutie - B8-1394/2015Ontwerpresolutie
B8-1394/2015

    ONTWERPRESOLUTIE over octrooien en kwekersrechten

    14.12.2015 - (2015/2981(RSP))

    naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-1112/2015
    ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement

    Albert Deß, Tadeusz Zwiefka, Esther Herranz García, Czesław Adam Siekierski, Marijana Petir, Annie Schreijer-Pierik, Michel Dantin, Franc Bogovič, Herbert Dorfmann, Norbert Lins, Peter Jahr, Mairead McGuinness, Angélique Delahaye, Elisabeth Köstinger, Daniel Buda, Jens Gieseke, Pilar Ayuso, Ramón Luis Valcárcel Siso, Nuno Melo, Romana Tomc, Roberta Metsola namens de PPE-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1394/2015

    Procedure : 2015/2981(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B8-1394/2015
    Ingediende teksten :
    B8-1394/2015
    Aangenomen teksten :

    B8-1394/2015

    Resolutie van het Europees Parlement over octrooien en kwekersrechten

    (2015/2981(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –  gezien zijn resolutie van 10 mei 2012 over de octrooiering van essentiële biologische processen[1],

    –  gezien Richtlijn 98/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 1998 betreffende de rechtsbescherming van biotechnologische uitvindingen[2], met name artikel 4, waarin wordt bepaald dat planten- en dierenrassen en werkwijzen van wezenlijk biologische aard voor de voortbrenging van planten of dieren niet octrooieerbaar zijn,

    –  gezien het Europees Octrooiverdrag (EOV) van 5 oktober 1973, met name artikel 53, onder b),

    –  gezien het besluit van de grote kamer van beroep van het Europees Octrooibureau (EOB) van 25 maart 2015 in de zaken G2/12 (tomaten) en G2/13 (broccoli),

    –  gezien het uitvoeringsreglement van het EOV en met name artikel 26, waarin wordt gesteld dat Richtlijn 98/44/EG als aanvullend middel voor uitleg moet worden gebruikt voor Europese octrooiaanvragen en octrooien met betrekking tot biotechnologische uitvindingen,

    –  gezien het Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekproducten van 2 december 1961, zoals herzien in Genève op 10 november 1972, 23 oktober 1978 en 19 maart 1991 ("het UPOV-verdrag van 1991"),

    –  gezien Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht[3], met name artikel 15, onder c) en d),

    –  gezien de Overeenkomst van de Raad betreffende een eengemaakt octrooigerecht [4] ("de UPC-Overeenkomst"), met name artikel 27, onder c),

    –  gezien de vraag aan de Commissie over octrooien en kwekersrechten (O-000146/2015 – B8-1112/2015),

    –  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

    A.  overwegende dat toegang tot biologisch plantaardig materiaal, met inbegrip van plantenkenmerken, absoluut noodzakelijk is om groei en innovatie te stimuleren en voor het ontwikkelen van nieuwe plantenrassen om de mondiale voedselzekerheid te waarborgen, de klimaatverandering tegen te gaan en monopolievorming in de kweeksector te voorkomen, en tegelijkertijd de kmo's meer kansen te bieden;

    B.  overwegende dat intellectuele eigendomsrechten van vitaal belang zijn voor de instandhouding van economische prikkels om nieuwe plantaardige producten te ontwikkelen en voor het concurrentievermogen;

    C.  overwegende dat voor via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten, zoals planten, zaden en inheemse plantenkenmerken en genen, geen octrooi moet worden verleend;

    D.  overwegende dat Richtlijn 98/44/EG wetsvoorschriften voor biologische uitvindingen en in het bijzonder gentechnologie bevat; dat het echter niet de bedoeling van de wetgever was om in het kader van die richtlijn via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten octrooieerbaar te maken, zoals ook aangegeven wordt in de overwegingen 52 en 53;

    E.  overwegende dat talrijke aanvragen voor via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten momenteel hangende zijn bij het EOB en dat het dus dringend noodzakelijk is de reikwijdte en uitlegging van Richtlijn 98/44/EG, en met name artikel 4 daarvan, te verduidelijken;

    F.  overwegende dat zowel het internationale stelsel voor kwekersrecht, dat gebaseerd is op het Internationaal Verdrag van 2 december 1961 tot bescherming van kweekproducten (UPOV-verdrag), als het EU-stelsel, dat gebaseerd is op Verordening (EG) 2100/94 van de Raad, als grondbeginsel hebben dat een houder van een kwekersrecht anderen er niet van mag weerhouden het beschermde product voor verdere kweekactiviteiten te gebruiken;

    G.  overwegende dat Richtlijn 98/44/EG de impliciete erkenning inhoudt van de vrijheid om voor experimentele doeleinden materiaal te gebruiken dat onder een octrooi valt, hetgeen volgt uit artikel 12, lid 3, onder b), en artikel 13, lid 3, onder b);

    H.  overwegende dat de "kwekersvrijstelling" als bedoeld in artikel 27, punt c), van de UPC-Overeenkomst alleen van toepassing zal zijn op krachtens het eenheidsoctrooisysteem verleende octrooien en niet automatisch zal gelden voor nationale octrooien binnen de EU, waardoor er een niet-geharmoniseerde situatie ontstaat met betrekking tot de mogelijkheden om te kweken met biologisch materiaal dat onder een octrooi valt;

    1.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het recente besluit van de van de grote kamer van beroep van het EOB in de zaken G2/12 (tomaten) en G2/13 (broccoli), dat ertoe zou kunnen leiden dat het EOB meer octrooien gaat verlenen voor natuurlijke kenmerken die in nieuwe rassen worden geïntroduceerd door middel van werkwijzen van wezenlijk biologische aard, zoals kruising en selectie;

    2.  verzoekt de Commissie om verduidelijking van de reikwijdte en uitlegging van Richtlijn 98/44/EG, met name artikel 4, artikel 12, lid 3, onder b), en artikel 13, lid 3, onder b), teneinde te zorgen voor rechtszekerheid omtrent het verbod op de octrooieerbaarheid van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten en de toelaatbaarheid van kweken met biologisch materiaal dat onder een octrooi valt;

    3.  verzoekt de Commissie haar verduidelijking inzake de octrooieerbaarheid van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten toe te sturen aan het EOB, zodat die als aanvullend middel voor uitleg kan worden gebruikt;

    4.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de Unie de toegang tot en het gebruik van via werkwijzen van wezenlijk biologische aard verkregen producten waarborgt, zodat de praktijk van lidstaten om kwekersvrijstelling te garanderen niet verstoord wordt;

    5.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de ontwikkeling en de implicaties van het octrooirecht op het gebied van de bio- en gentechnologie, zoals voorgeschreven wordt in artikel 16, onder c) van Richtlijn 98/44/EG en zoals het Parlement heeft gevraagd in zijn resolutie van 10 mei 2012 over de octrooiering van essentiële biologische processen;

    6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en het Europees Octrooibureau.