ONTWERPRESOLUTIE over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 25 november 2015 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties
13.1.2016 - (C(2015)08213 – 2015/2995(DEA))
Helmut Scholz, Kostas Chrysogonos, Stelios Kouloglou, Eleonora Forenza, Miguel Urbán Crespo, Tania González Peñas, Xabier Benito Ziluaga, Lola Sánchez Caldentey, Estefanía Torres Martínez namens de GUE/NGL-Fractie
B8-0044/2016
Resolutie van het Europees Parlement over de gedelegeerde verordening van de Commissie van 25 november 2015 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (C(2015)08213 – 2015/2995(DEA))
Het Europees Parlement,
– gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2015)8213),
– gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),
– gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad[1],
– gezien zijn resolutie van 15 januari 2015 over Kirgizië, wet op homoseksuele propaganda[2],
– gezien artikel 105, lid 4, van zijn Reglement,
A. overwegende dat in artikel 290 VWEU wordt bepaald dat gedelegeerde handelingen ten doel hebben bepaalde niet-essentiële onderdelen van wetgevingshandelingen aan te vullen of te wijzigen;
B. overwegende dat artikel 10, lid 4, van Verordening (EU) nr. 978/2012 de Commissie machtigt tot het vaststellen van gedelegeerde handelingen om bijlage III van de verordening in te stellen of te wijzigen ten einde aan een verzoekend land de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur toe te kennen door dat land toe te voegen aan de lijst van SAP+-begunstigde landen;
C. overwegende dat het SAP een algemene regeling en twee bijzondere regelingen omvat, waaronder de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+), in het kader waarvan de begunstigde landen geen douanerechten hoeven te betalen op de invoer van meer dan 6 000 tarieflijnen;
D. overwegende dat in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 978/2012 de voorwaarden zijn vastgelegd waaraan een kandidaat-land moet voldoen om een SAP+-begunstigd land te worden, en overwegende dat deze status niet automatisch wordt verleend en dat per geval moet worden beoordeeld of aan de vereiste voorwaarden is voldaan; overwegende dat een SAP-begunstigd land de tariefpreferenties mag genieten waarin de in artikel 1, lid 2, onder b), van de SAP-verordening bedoelde bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur voorziet, vooropgesteld dat het land alle in bijlage VIII van de verordening opgenomen verdragen ("de relevante verdragen") heeft geratificeerd en dat in de recentst beschikbare conclusies van de toezichthoudende instanties overeenkomstig deze verdragen ("de betrokken toezichthoudende instanties") geen ernstige fouten bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van een van de desbetreffende verdragen aan het licht zijn gekomen;
E. overwegende dat voorbehouden niet als onverenigbaar met het voorwerp en doel van de relevante verdragen worden beschouwd, en op voorwaarde dat het SAP-begunstigde land:
– een bindende verbintenis aangaat om de ratificatie van de relevante verdragen niet ongedaan te maken en om de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan te waarborgen;
– zonder voorbehoud aanvaardt de door elk verdrag opgelegde rapportageverplichtingen na te komen en de bindende verbintenis aangaat regelmatig toezicht op en evaluatie van zijn staat van dienst inzake de tenuitvoerlegging toe te staan overeenkomstig de bepalingen van de relevante verdragen;
F. overwegende dat het Comité inzake de toepassing van normen, in het voor de Internationale Arbeidsconferentie opgestelde rapport van 2015, de Kirgizische Republiek heeft opgenomen in een lijst van landen die de door de Arbeidsconferentie aangenomen instrumenten nog altijd niet hebben voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten; overwegende dat het Comité inzake de toepassing van normen voorts heeft opgemerkt dat het land tot dusver heeft nagelaten informatie te verstrekken over de meeste observaties en directe verzoeken van het Comité van deskundigen, en daarmee het verzoek om binnen de periode die in 2014 werd afgesloten te reageren, naast zich neer heeft gelegd; overwegende dat het Comité inzake de toepassing van normen heeft besloten onder het overeenkomstige punt van het algemeen verslag melding te zullen maken van deze gevallen; voorts overwegende dat het Comité inzake de toepassing van normen het betreurenswaardig vindt dat de regering van de Kirgizische Republiek niet heeft deelgenomen aan de discussies over haar eigen land en over de nakoming van haar rapportageverplichtingen en andere normgerelateerde verplichtingen;
G. overwegende dat het Comité tegen Foltering (CAT) in zijn rapport van 20 december 2013 de volgende duidelijke tekortkomingen heeft geconstateerd:
– de aanhoudende en wijdverbreide foltering en mishandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd - praktijken die zich in het bijzonder voordoen wanneer tijdens politiehechtenis bekentenissen worden afgedwongen - en de aanzienlijke kloof tussen het wetgevingskader en de tenuitvoerlegging ervan in de praktijk;
– het voortdurende verzuim om de vele gevallen van vermeende foltering snel, onpartijdig en volledig te onderzoeken en om de daders te vervolgen;
– het feit dat aan personen die van hun vrijheid zijn beroofd, en dan met name aan personen in voorarrest, niet alle fundamentele juridische waarborgen worden geboden, waarvan de zaak van Azimjan Askarov, een etnisch Oezbeekse mensenrechtenactivist die strafrechtelijk werd vervolgd in verband met de dood van een politieagent in het zuiden van Kirgizië in juni 2010, een voorbeeld is;
– het feit dat gevangenen dikwijls de toegang tot een onafhankelijke advocaat van hun keuze wordt geweigerd, dat politieagenten personen die formeel nog niet zijn aangehouden of in hechtenis zijn genomen tot een bekentenis dwingen, en dat advocaten om hun cliënten te mogen zien in de praktijk ervoor moeten zorgen dat onderzoekers hiervoor speciale toestemming geven;
– verklaringen dat corruptie binnen het gerechtelijk apparaat in belangrijke mate bijdraagt tot een klimaat van straffeloosheid;
– de sterke mate waarin het strafstelsel afhankelijk is van afgedwongen bekentenissen;
– meldingen van intimidatie, represailles en bedreigingen aan het adres van mensenrechtenactivisten, journalisten en advocaten;
– meldingen van sterfgevallen die zich tijdens een periode van hechtenis of onmiddellijk na vrijlating hebben voorgedaan;
H. overwegende dat het Comité voor de uitbanning van rassendiscriminatie (CERD) in zijn rapport van 19 april 2013 de volgende duidelijke tekortkomingen heeft geconstateerd:
– het herhaaldelijk voorkomen van etnische conflicten en confrontaties tussen de meerderheid van de bevolking en bepaalde etnische groepen;
– meldingen dat er sprake is geweest van bevooroordeelde, op etniciteit gebaseerde attitudes bij het onderzoek naar en de vervolging, veroordeling en bestraffing van degenen die in verband met de gebeurtenissen van juni 2010 in staat van beschuldiging zijn gesteld en zijn veroordeeld - hoofdzakelijk personen van Oezbeekse afkomst;
– het feit dat veel scholen in Osj en Dzjalal-Abad na de gebeurtenissen van juni 2010 ervoor hebben gekozen om, in plaats van minderheidstalen, het Kirgizisch als onderwijstaal te gebruiken en dat sommige scholen sindsdien geen aanspraak meer kunnen maken op de overheidssubsidie die onderwijs in minderheidstalen mogelijk maakt;
– het verdwijnen van een aantal Oezbeekstalige media ondermijnt het recht van degenen die tot de Oezbeekse minderheid behoren op het verspreiden en ontvangen van informatie in de eigen taal;
I. overwegende dat het Comité voor de rechten van het kind in zijn rapport van 7 juli 2014 de volgende duidelijke tekortkomingen ten aanzien van het Verdrag inzake de rechten van het kind heeft geconstateerd:
– gevallen van foltering en mishandeling van kinderen door de vertegenwoordigers van wetshandhavingsinstanties in detentiecentra en gesloten instellingen, waaronder straffen in de vorm van eenzame opsluiting die tot maar liefst zeven dagen konden oplopen;
– het toenemend aantal gevallen van seksuele uitbuiting en seksueel misbruik van kinderen; een cultuur waarin dergelijk problemen in de doofpot worden gestopt; verkeerde afhandeling van zaken door wetshandhavingsinstanties; het feit dat kinderen niet rechtstreeks een klacht kunnen indienen bij de autoriteiten;
– de aanhoudende en wijdverbreide bruidontvoering van minderjarige meisjes, waarbij het dikwijls voorkomt dat slachtoffers vanwege sociale stigma's en druk geen aangifte doen;
– het feit dat werkende kinderen, met name degenen die in zorginstellingen wonen, dikwijls het slachtoffer worden van lichamelijke mishandeling, geestelijke mishandeling en seksueel misbruik;
J. overwegende dat het parlement van de Kirgizische Republiek de resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2015 over de Kirgizische wet op homoseksuele propaganda naast zich neer heeft gelegd en tot de fase is overgegaan waarin de wet ter goedkeuring in tweede lezing wordt voorgelegd; overwegende dat dit wetsvoorstel in strijd is met het belangrijke beginsel dat seksuele geaardheid en genderidentiteit onder het individuele recht op privacy vallen zoals dit wordt gewaarborgd door het internationaal recht inzake de mensenrechten, op grond waarvan gelijkheid en non-discriminatie moeten worden beschermd en de vrijheid van meningsuiting moet worden gewaarborgd;
1. merkt op dat de toezichthoudende instanties van de relevante verdragen duidelijke tekortkomingen hebben geconstateerd in verband met een aantal van de voor SAP+ relevante verdragen en beschouwt deze tekortkomingen als ernstige fouten bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de verdragen die zijn opgenomen in bijlage VIII van de SAP-verordening;
2. maakt bezwaar tegen Gedelegeerde Verordening (EU) nr. C(2015)08213 van de Commissie van 25 november 2015 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 978/2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties (C(2013)9133);
3. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en haar ervan in kennis te stellen dat de gedelegeerde verordening niet in werking kan treden;
4. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.
- [1] PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.
- [2] Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0008.