Procedure : 2015/3034(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0045/2016

Ingediende teksten :

B8-0045/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 21/01/2016 - 8.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 266kWORD 65k
13.1.2016
PE575.946v01-00
 
B8-0045/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de toepassing van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, (2015/3034(RSP))


Bodil Valero, Michèle Rivasi, Barbara Lochbihler, Heidi Hautala, Reinhard Bütikofer, Bart Staes, Indrek Tarand, Pascal Durand, Igor Šoltes, Davor Škrlec, Molly Scott Cato namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de toepassing van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, (2015/3034(RSP))  
B8-0045/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de vaststelling van de regeling voor de toepassing van de solidariteitsclausule door de EU bij Besluit van de Raad 2014/415/EU en de geïntegreerde EU-regeling politieke crisisrespons (IPCR),

–  gezien de terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie, het EU-actieplan inzake terrorismebestrijding, de EU-strategie ter bestrijding van radicalisering en rekrutering van terroristen en daaraan gerelateerde richtsnoeren,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 maart 2015 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van ISIS/Da'esh,

–  gezien de verklaring die de Franse president op 16 november 2015 in het Franse Congres heeft afgelegd, waarin hij een beroep doet op artikel 42, lid 7, VEU en de Franse minister van Defensie de opdracht geeft te beginnen met raadplegingen over de toepassing van dit artikel,

–  gezien de conclusies van Raad van ministers van Defensie van de EU van 17 november 2015, waarin de ministers hun unanieme en volledige steun uitspreken voor Frankrijk en aangeven bereid te zijn Frankrijk alle nodige hulp en bijstand te verlenen,

–  gezien de verklaringen van de hoge vertegenwoordiger van 17 november 2015 tijdens de zitting van de Raad van ministers van Defensie, waarin deze benadrukt dat het niet gaat om een operatie in het kader van het GVDB, maar om activering van bilaterale hulp en bijstand,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 13 november 2015 in Parijs een reeks gecoördineerde terroristische aanslagen is gepleegd, waarbij minstens 130 mensen uit meer dan 26 landen zijn omgekomen en 368 anderen gewond zijn geraakt;

B.  overwegende dat de recente aanslagen door islamistische terroristen in EU-lidstaten, waaronder die in Parijs (Charlie Hebdo, Hyper Casher en de aanslagen van 13 november 2015) en Brussel (Joods Museum), voornamelijk zijn gepleegd door EU-burgers die in EU-lidstaten geboren zijn en woonachtig waren;

C.  overwegende dat de ministers van Binnenlandse Zaken van de EU tijdens een informele bijeenkomst over terrorismebestrijding op 30 januari 2015 in Riga zijn overeengekomen om de samenwerking tussen politie en veiligheidsdiensten te intensiveren, de uitwisseling van informatie over gevaarlijke personen te verbeteren en gezamenlijke maatregelen te nemen tegen de illegale handel in vuurwapens en terrorismefinanciering;

D.  overwegende dat het erop lijkt dat de diverse nationale politie- en inlichtingendiensten er in de periode voor 13 november 2015 niet in zijn geslaagd op passende wijze samen te werken en hun activiteiten te coördineren;

E.  overwegende dat de Franse president op 16 november 2015 het besluit heeft genomen om te kiezen voor een militair antwoord op de aanslagen in Parijs door een beroep te doen op artikel 42, lid 7, VEU;

F.  overwegende dat het Franse Ministerie van Defensie en de betrokken Franse ambassades hun bilaterale contacten met een aantal EU-lidstaten, zoals het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Italië, Spanje en Nederland, aanmerkelijk hebben geïntensiveerd om militaire steun te verwerven en militaire inzet om taken over te nemen in Syrië, Irak en de Sahelregio;

G.  overwegende dat de hoge vertegenwoordiger en de EDEO naar verluidt niet betrokken zijn geweest bij enige activiteit met betrekking tot de activering van artikel 42, lid 7, VEU en dat gespecialiseerde EU-organen en werkgroepen, zoals het Militair Comité van de EU, tot dusver niet zijn geraadpleegd;

H.  overwegende dat de EU een terrorismebestrijdingsstrategie heeft vastgesteld die steunt op zowel EU- als intergouvernementele instrumenten op het gebied van het GBVB; overwegende dat deze strategie zich toespitst op vier actiegebieden, te weten voorkomen, beschermen, vervolgen en reageren;

I.  overwegende dat de respons van de EU op terrorisme onder meer bestaat uit het bevorderen van democratie, dialoog en behoorlijk bestuur, met als doel het aanpakken van de diepere oorzaken van gewelddadig extremisme; overwegende dat de aanpak van de EU kan worden aangemerkt als een strafrechtelijke aanpak;

J.  overwegende dat artikel 222 VWEU speciaal is ontworpen om goed gecoördineerde EU-actie op gang te kunnen brengen in geval van een terroristische aanslag, waarbij de focus met name ligt op politiële samenwerking en bescherming van de burgerbevolking door middel van gebruikmaking van veel verschillende EU-instrumenten en fondsen;

1.  is diep geschokt door het wrede en onmenselijke karakter van de terroristische aanslagen die op 13 november 2015 in Parijs zijn gepleegd;

2.  betuigt zijn diepste medeleven aan de familieleden en vrienden van de slachtoffers van alle aanslagen door islamistische terroristen in EU-lidstaten; spreekt zijn absolute solidariteit uit met de inwoners van Parijs en de hele Franse bevolking;

3.  veroordeelt de aanslagen die op 13 november 2015 in Parijs zijn gepleegd ten zeerste en dringt er bij alle Europeanen op aan zich als reactie hierop nog meer in te zetten voor democratie, openheid, vrijheid en eerbiediging van de mensenrechten;

4.  is van oordeel dat de terroristische aanslagen vragen om een werkelijk Europees antwoord; vindt dat er daarom behoefte is aan meer Europese samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding; dringt er bij de EU-lidstaten, de Raad en de Commissie op aan gebruik te maken van de vele reeds bestaande strategieën, richtsnoeren, instrumenten, fondsen en procedures om degenen die zich schuldig maken aan terroristische activiteiten voor de rechter te brengen en nieuwe terroristische aanslagen te voorkomen;

5.  herinnert eraan dat de meeste daders van islamistische aanslagen in EU-lidstaten naar verluidt of in werkelijkheid EU-burgers waren en ook in de EU woonachtig waren;

6.  benadrukt dat er meer inspanningen moeten worden verricht op het gebied van deradicalisering en dat personen die een veiligheidsrisico vormen en die geweld zouden kunnen gaan gebruiken of die anderen rekruteren voor terroristische doeleinden beter in het oog moeten worden gehouden;

7.  is er stellig van overtuigd dat de EU-lidstaten bij de bestrijding van terrorisme volledig in overeenstemming moeten handelen met het VN-Handvest, het internationale recht, het internationaal humanitair recht, het internationaal recht inzake de mensenrechten, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de waarden en beginselen die verankerd zijn in de nationale grondwetten van de lidstaten;

8.  neemt met bezorgdheid kennis van het feit dat de respons op de activering van artikel 42, lid 7, zuiver militair van aard is; plaatst vraagtekens bij het zeer sterke bilaterale karakter van de huidige aanpak, die de EU-instellingen en -instrumenten en haar gezamenlijke beginselen en waarden verzwakt;

9.  is er ten volle van overtuigd dat de vele extremistische groeperingen en actoren in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waaronder de zogeheten Islamitische Staat, slechts verslagen kunnen worden of aanzienlijk kunnen worden verzwakt als de EU en haar lidstaten zich krachtig en op gecoördineerde wijze inzetten voor het vinden van een politieke oplossing voor de conflicten in Syrië, Irak, Jemen, Libië en het conflict tussen Saudi-Arabië en Iran; dringt er bij de hoge vertegenwoordiger, Mogherini, en de ministers van Buitenlandse Zaken van de EU op aan hun diplomatieke inspanningen op dit gebied te versterken;

10.  dringt er bij de Raad en de lidstaten op aan onverwijld een beleidskader te ontwikkelen en vast te stellen dat als richtsnoer kan dienen bij de uitvoering van artikel 42, lid 7, VEU, en dat een tijdschema bevat, een herzieningsclausule en toezichtsmechanismen; is er ten volle van overtuigd dat alle nationale, bilaterale of multilaterale acties na de activering van artikel 42, lid 7, ter kennis moeten worden gebracht van de Raad en op hetzelfde tijdstip openbaar moeten worden gemaakt;

11.  herinnert eraan dat geen enkele EU-lidstaat op grond van artikel 42, lid 7, verplicht kan worden tot militair ingrijpen in een derde land;

12.  pleit krachtig voor een omvattende aanpak op het gebied van deradicalisering, voorkoming van gewelddadig extremisme en terrorismebestrijding, waarbij de nadruk moet komen te liggen op het vergroten van de sociale cohesie, misdaadpreventie en een gerichte inzet van politie en veiligheidsdiensten op basis van een verdenking tegen een specifieke persoon of naar aanleiding van een concrete dreiging, vastgesteld door mensen, niet door machines; benadrukt daarnaast dat ook de regels inzake de verwerving en het bezit van wapens, de regels inzake de export van wapens en de regels op het gebied van de bestrijding van de illegale wapenhandel aangescherpt moeten worden;

13.  is er voorstander van dat voortaan de solidariteitsclausule van artikel 222 VWEU en niet de clausule inzake wederzijdse bijstand van artikel 42, lid 7, VEU wordt toegepast, aangezien artikel 222 VWEU speciaal is ontworpen om terroristische dreigingen in Europa het hoofd te kunnen bieden en de mogelijkheid biedt om de samenwerking en coördinatie tussen nationale rechtshandhavingsinstanties in Europa te versterken; herinnert eraan dat artikel 222 VWEU geen grondslag biedt voor verdere militaire bijdragen aan lopende VN- of EU-missies; verzoekt de EU-lidstaten hun deelname aan de VN- en EU-missies in met name Mali en de Centraal Afrikaanse Republiek te verhogen, omdat de Fransen hun deelname mogelijk zullen beperken;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de secretaris-generaal van de VN.

Juridische mededeling - Privacybeleid