Procedure : 2015/3035(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0052/2016

Ingediende teksten :

B8-0052/2016

Debatten :

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0020

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 395kWORD 105k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0050/2016
14.1.2016
PE575.954v01-00
 
B8-0052/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2016 (2015/3035(RSP))


Beatriz Becerra Basterrechea, Filiz Hyusmenova, Ilhan Kyuchyuk, Jozo Radoš, Marietje Schaake, Pavel Telička, Hilde Vautmans, Ivo Vajgl namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de prioriteiten van de EU voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2016 (2015/3035(RSP))  
B8–0052/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de mensenrechtenverdragen van de VN alsmede de facultatieve protocollen daarbij, waaronder het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie jegens vrouwen (CEDAW),

–  gezien resolutie 60/251 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, waarbij de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) is opgericht,

–  gezien het Europees Verdrag betreffende de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest en het Handvest van de grondrechten van de EU,

–  gezien het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie 2015-2019,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de schending van mensenrechten, waaronder zijn spoedresoluties over deze kwesties,

–  gezien zijn resolutie van 17 december 2015 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld in 2014 en het beleid van de Europese Unie ter zake(1),

–  gezien de artikelen 2, 3, lid 5, 18, 21, 27 en 47 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien het jaarverslag 2015 van de UNHRC aan de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat 2015 en 2016 belangrijke mijlpalen zijn wat de verworvenheden op de gebieden mensenrechten, vrede en veiligheid betreft: de 70e verjaardag van de oprichting van de Verenigde Naties, de 50e verjaardag van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR), de 40e respectievelijk 20e verjaardag van de VN-Verklaring inzake het recht op ontwikkeling (1986) en de Verklaring en het Actieprogramma van Peking (1995), en de 15e verjaardag van de historische resolutie van de VN-Veiligheidsraad inzake vrouwen, vrede en veiligheid (2000) en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (2000);

B.  overwegende dat het eerbiedigen van mensenrechten, ongeacht ras, afkomst, geslacht of huidskleur, een plicht is die voor alle staten geldt; overwegende dat het Europees Parlement toegewijd blijft aan de ondeelbaarheid van mensenrechten - zowel burgerrechten als economische, sociale of culturele rechten - aangezien ze onderling verbonden en onderling afhankelijk zijn, en dat de ontzegging van om het even welk van deze rechten directe en negatieve gevolgen heeft voor de andere rechten; overwegende dat alle staten verplicht zijn de grondrechten van hun respectieve volkeren te eerbiedigen, de plicht hebben concrete maatregelen te treffen om de eerbiediging van deze rechten op nationaal niveau te faciliteren en op internationaal niveau moeten samenwerken om belemmeringen voor de verwezenlijking van de mensenrechten op alle gebieden weg te nemen;

C.  overwegende dat eerbiediging, bevordering en waarborging van het universele karakter van de mensenrechten een onderdeel van het ethische en juridische acquis van de Unie vormt en een van de hoekstenen van de Europese eenheid en integriteit is;

D.  overwegende dat het optreden van de Unie in haar betrekkingen met derde landen vertrekt vanuit artikel 21 van het Verdrag van Lissabon, waarin het universele en ondeelbare karakter van mensenrechten en fundamentele vrijheden wordt bekrachtigd en de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de beginselen van het VN-Handvest en het internationaal recht worden bepaald;

E.  overwegende dat eerbiediging van mensenrechten moet worden geïntegreerd in alle beleidsdomeinen met raakvlakken met vrede en veiligheid, ontwikkelingssamenwerking, handel en investeringen, humanitair optreden, klimaatverandering en terrorismebestrijding, aangezien deze niet los van de eerbiediging van de mensenrechten kunnen worden benaderd;

F.  overwegende dat de reguliere zittingen van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC), de benoeming van speciale rapporteurs, het universeel periodiek doorlichtingsmechanisme (UPR) en de zogeheten speciale procedures voor situaties in specifieke landen of voor thematische kwesties allemaal bijdragen tot de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat;

G.  overwegende dat sommige van de huidige leden van de Mensenrechtenraad helaas te boek staan als behorend tot degenen die de mensenrechten het meest met voeten treden en een slechte reputatie hebben als het gaat om samenwerking in het kader van de speciale procedures van de VN en om naleving van hun verslagleggingsverplichtingen aan de organen van het VN-Mensenrechtenverdrag;

VN-Mensenrechtenraad

1.  spreekt zijn voldoening uit over de benoeming van ambassadeur Choi Kyong-lim tot voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad voor 2016;

2.  is ingenomen met het jaarverslag van de UNHRC aan de Algemene Vergadering van de VN, waarin de 28e, 29e en 30e zitting van de Mensenrechtenraad worden behandeld;

3.  herhaalt zijn standpunt dat de leden van de UNHRC moeten worden verkozen uit de groep landen die de mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie eerbiedigen, en roept de VN-lidstaten op bij de verkiezing van leden van de UNHRC prestatiecriteria op het gebied van mensenrechten te hanteren; spreekt zijn bezorgdheid uit over schendingen van de mensenrechten bij een aantal pas verkozen UNHRC-leden en onderstreept dat het belangrijk is de onafhankelijkheid van de UNHRC te verdedigen, teneinde ervoor te zorgen dat die zijn mandaat op een doeltreffende en onpartijdige manier kan blijven uitvoeren;

4.  bekrachtigt zijn steun aan de speciale procedures en de onafhankelijke status van de mandaathouders, bedoeld om hen in staat te stellen hun taak volledig neutraal uit te voeren, en roept alle staten op hun medewerking aan deze procedures te verlenen;

5.  benadrukt andermaal dat het universele karakter van de universele periodieke doorlichting (UPR) belangrijk is om volledig inzicht te kunnen krijgen in de mensenrechtensituatie in alle VN-lidstaten, en spreekt nogmaals zijn steun uit voor de tweede doorlichtingscyclus die gericht is op de tenuitvoerlegging van de gedurende de eerste cyclus aanvaarde aanbevelingen; dringt er echter opnieuw op aan dat de aanbevelingen die door sommige landen niet werden aanvaard gedurende de eerste cyclus, bij de voortzetting van het UPR-proces nog eens in overweging worden genomen;

6.  onderstreept dat moet worden gewaarborgd dat een breed scala aan belanghebbenden, met name het maatschappelijk middenveld, ten volle aan het proces van de universele periodieke doorlichting deelneemt, en maakt zich er zorgen over dat vergaande beperkingen en steeds verder toenemende restricties de deelname van het maatschappelijk middenveld aan het UPR-proces hebben bemoeilijkt;

7.  dringt er in dit verband bij alle EU-lidstaten op aan de universele periodieke doorlichting ook te gebruiken als een middel om de mensenrechtensituatie in de EU-lidstaten te beoordelen, en benadrukt dat het van belang is dat alle EU-lidstaten hierbij actief worden betrokken en aanbevelingen doen bij de doorlichting van EU-lidstaten; verzoekt de EU en de Commissie daarom actoren uit het maatschappelijk middenveld technische steun te bieden bij hun werkzaamheden in verband met UPR-doorlichtingen van EU-lidstaten, onder meer door het faciliteren van vergaderingen in Genève;

8.  dringt er bij de EU en de Commissie op aan om in alle beleidsdialogen van de EU met de landen in kwestie nader in te gaan op de UPR-aanbevelingen, teneinde na te gaan op welke manier deze aanbevelingen door middel van landen- en regionale strategieën ten uitvoer kunnen worden gelegd;

9.  is verheugd over het "Initiative for Change" van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN, dat erop gericht is de mondiale aanwezigheid van VN-mensenrechtenkantoren te verbeteren en te vergroten middels de oprichting van acht regionale centra voor toezicht op en bevordering van de eerbiediging van mensenrechten via rechtstreekse samenwerking met partners om de aanbevelingen van de mensenrechtenmechanismen te vertalen naar tastbare veranderingen in het veld;

Burgerrechten en politieke rechten

10.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de grondwetsherzieningen die in enkele landen worden doorgevoerd en die gericht zijn op een wijziging van de vastgestelde presidentiële ambtstermijnen, wat in een aantal gevallen tot verkiezingsgerelateerd geweld heeft geleid; stelt nogmaals dat eerbiediging van burgerrechten en politieke rechten, met inbegrip van de individuele en collectieve vrijheid van meningsuiting en van vergadering en vereniging, de enige indicator is van een democratische, verdraagzame en pluralistische maatschappij;

11.  herhaalt dat de vrije verkiezing van politieke leiders middels periodieke en eerlijke verkiezingen op basis van algemeen en gelijk stemrecht een grondrecht is dat alle burgers moeten kunnen genieten, in overeenstemming met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (artikel 21, lid 3) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (artikel 25), en bevestigt nogmaals dat de vrijheid van meningsuiting en een levendig en gunstig klimaat voor een onafhankelijk en pluralistisch maatschappelijk middenveld noodzakelijke voorwaarden zijn voor het bevorderen van de mensenrechten;

12.  veroordeelt de aanhoudende intimidatie en detentie van mensenrechtenverdedigers en oppositieleden door regeringstroepen in een aantal derde landen; spreekt zijn bezorgdheid uit over oneerlijke en beperkende wetgeving, met inbegrip van beperkingen op buitenlandse financiering, waardoor het maatschappelijk middenveld steeds minder ruimte krijgt om zijn activiteiten te ontplooien; verzoekt alle regeringen om de vrijheid van media, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en het werk van mensenrechtenactivisten te bevorderen en te ondersteunen, en hen in staat te stellen te handelen zonder angst, onderdrukking of intimidatie;

13.  is uitermate verontrust over de aanvallen op humanitaire hulpverleners en medische voorzieningen, zoals de recente aanvallen op de medische centra van Artsen zonder Grenzen (AZG) in Kunduz (Afghanistan) op 3 oktober 2015 en in Razah (Jemen) op 10 januari 2016; benadrukt dat alle aanvallen die gericht zijn op burgers en humanitaire operaties uitdrukkelijk verboden zijn in het kader van het internationaal humanitair recht, en roept de conflictpartijen op de fundamentele beginselen van het internationaal humanitair recht te eerbiedigen en zich te onthouden van opzettelijke aanvallen op burgerinfrastructuur; benadrukt dat het belangrijk is de veiligheid van hulpverleners te verbeteren om efficiënter te kunnen reageren op aanvallen;

14.  is van mening dat de moderne digitale technologieën kansen inhouden en uitdagingen vormen voor de bescherming van het recht op de persoonlijke levenssfeer en voor de online uitoefening van de vrijheid van meningsuiting in de hele wereld; is in deze context verheugd over de aanstelling van een speciale VN-rapporteur voor het recht op privacy in het digitale tijdperk, in wiens mandaat bewakings- en privacy-kwesties zijn opgenomen waarmee mensen online en offline in aanraking komen;

15.  herinnert eraan dat het Europees Parlement zich van oudsher in alle gevallen en onder alle omstandigheden verzet tegen de doodstraf, foltering en een wrede, onmenselijke en onterende behandeling als bestraffing; benadrukt eens te meer dat de afschaffing van de doodstraf ertoe bijdraagt de menselijke waardigheid te versterken en dat het Europees Parlement gehecht is aan het recht op leven en menselijke waardigheid van elk individu;

16.  prijst de substantiële vooruitgang die tot nu toe is geboekt, met vele landen die de doodstraf hebben opgeschort en andere die wetgevingsmaatregelen hebben getroffen voor de afschaffing van de doodstraf; betreurt het niettemin dat er in de loop van de voorbije jaren weer terechtstellingen zijn ingevoerd in een aantal landen; verzoekt de landen die de doodstraf hebben afgeschaft of sinds lang een moratorium hebben ingesteld op de doodstraf, om deze niet opnieuw in te voeren;

Sociale en economische rechten

17.  betreurt het dat het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR), meer dan twintig jaar na de aanneming van de Verklaring van Wenen inzake het universele karakter, de ondeelbaarheid, de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van alle mensenrechten, geen behandeling op voet van gelijkheid en met dezelfde nadruk krijgt als het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR); erkent de inspanningen van de UNHRC om alle mensenrechten op voet van gelijkheid te behandelen en dezelfde nadruk toe te kennen, via de aanstelling van mandaathouders voor speciale procedures met betrekking tot economische, sociale en culturele rechten;

18.  spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over de toename van extreme armoede, waardoor de volledige uitoefening van alle mensenrechten in het gedrang komt; is in dit verband ingenomen met het verslag van de speciale VN-rapporteur over extreme armoede en mensenrechten (A/HRC/29/31) en spreekt zijn steun uit voor diens voorstellen tot uitbanning van extreme armoede, waaronder: aan economische, sociale en culturele rechten dezelfde bekendheid en prioriteit toekennen als aan burgerrechten en politieke rechten; de erkenning van het recht op sociale bescherming; een begrotingsbeleid ten uitvoer leggen dat specifiek gericht is op het verminderen van ongelijkheid; het recht op gelijkheid een nieuw leven inblazen en een invulling geven; en in mensenrechtendebatten kwesties in verband met de herverdeling van middelen centraal stellen;

19.  is van mening dat corruptie, belastingontduiking, wanbeheer van openbare goederen en gebrek aan verantwoordingsplicht bijdragen tot de schending van de mensenrechten van burgers, aangezien hierdoor middelen worden onttrokken aan overheidsbegrotingen die besteed zouden moeten worden aan de bevordering van mensenrechten in broodnodige openbare diensten zoals onderwijs, basisgezondheidszorg en andere sociale infrastructuur; is van mening dat maatregelen voor de eerbiediging van mensenrechten, met name het recht op informatie, op vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering, op een onafhankelijk gerechtelijk apparaat en op democratische deelname aan openbare aangelegenheden, kunnen helpen bij de strijd tegen corruptie;

Bedrijfsleven en mensenrechten

20.  spreekt zijn volledige steun uit voor de daadwerkelijke en brede tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten binnen en buiten de EU, onder meer via de ontwikkeling van nationale actieplannen; benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om lacunes in de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de VN-richtsnoeren aan te pakken, inclusief wat de toegang tot de rechter en rechtsmiddelen betreft;

21.  dringt er bij de VN en de EU op aan om de kwestie van landrechtenverdedigers aan de orde te stellen, die het slachtoffer zijn van vergeldingsmaatregelen, onder meer via dreigementen, pesterijen, willekeurige arrestaties, geweld en moord, omdat ze kritiek uiten op grootschalige grondaankoop ten koste van de land- en voedselrechten van de plattelandsbevolking in derde landen; dringt erop aan dat landrechtenverdedigers stelselmatig worden opgenomen in de mensenrechtenprojecten van de VN-mechanismen en het EU-actieplan inzake mensenrechten en democratie;

22.  is verheugd over het initiatief van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN ter versterking van het project voor verantwoordingsplicht en rechtsmiddelen, teneinde bij te dragen aan een eerlijk en doeltreffender stelsel van nationale rechtsmiddelen, met name in het geval van grove mensenrechtenschendingen in het bedrijfsleven; verzoekt alle regeringen om hun plicht te vervullen met betrekking tot het waarborgen van de eerbiediging van de mensenrechten en toegang tot de rechter voor slachtoffers van bedrijfsgerelateerde mensenrechtenschendingen die praktische en juridische problemen ondervinden om toegang te krijgen tot rechtsmiddelen op nationaal en internationaal niveau;

23.  wijst erop dat in juli 2015 een eerste bijeenkomst is gehouden van een bij de UNHRC-resolutie van 26 juni 2014 ingestelde intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor het uitwerken van een internationaal bindend instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens; vraagt de EU en haar lidstaten actief deel te nemen aan de onderhandelingen over bovenvermeld internationaal bindend instrument;

Migratie

24.  maakt zich zorgen over de zwaarste humanitaire crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, die ontstaan is doordat een steeds groter aantal mensen gedwongen is hun huis te verlaten ten gevolge van vervolging, gewapende conflicten en alomtegenwoordig geweld, en doordat mensen op zoek zijn naar bescherming en een beter leven, waarbij ze met gevaar voor hun leven gevaarlijke tochten ondernemen;

25.  verzoekt alle landen om met betrekking tot migratie een op mensenrechten gebaseerde benadering te hanteren, waarbij migrantenrechten centraal worden gesteld in het migratiebeleid en -beheer, met een bijzondere aandacht voor de situatie van gemarginaliseerde en benadeelde groepen onder de migranten, zoals vrouwen en kinderen; verzoekt alle landen om gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes aan te pakken, en benadrukt hoe belangrijk het is een migratiebeleid te ontwikkelen vanuit een genderperspectief om aan de specifieke behoeften van deze groep te kunnen beantwoorden;

26.  herinnert eraan dat alle landen verplicht zijn de mensenrechten van alle personen binnen hun rechtsgebied te eerbiedigen en te beschermen, ongeacht hun nationaliteit of herkomst en ongeacht hun immigratiestatus; herinnert eraan dat migranten alleen mogen worden teruggestuurd indien hun rechten volledig worden gerespecteerd, op basis van vrijwillig en met kennis van zaken genomen beslissingen, en alleen wanneer de bescherming van hun rechten in hun eigen land gewaarborgd is; verzoekt regeringen een einde te stellen aan de willekeurige arrestatie en opsluiting van migranten;

Klimaatverandering en mensenrechten

27.  is verheugd over de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change, UNFCCC), waarin aandacht wordt besteed aan aanpassing, mitigatie, ontwikkeling en overdracht van technologie en capaciteitsopbouw; dringt erop aan dat het thema klimaatverandering in alle economische beleidsdomeinen wordt geïntegreerd; spoort alle partijen die de Overeenkomst hebben ondertekend aan om op het vlak van aanpassing en mitigatie dringende en ambitieuze maatregelen te treffen door klimaatverandering in alle beleidsdomeinen te integreren;

28.  herinnert eraan dat de nadelige gevolgen van klimaatverandering een onmiddellijke en mogelijk onomkeerbare wereldwijde bedreiging vormen voor de volledige uitoefening van mensenrechten, en dat de gevolgen voor kwetsbare groepen, die zich nu al in een onzekere situatie bevinden, aanzienlijk zijn; stelt met bezorgdheid vast dat klimaatgerelateerde incidenten zoals de stijging van de zeespiegel en extreme weersveranderingen die droogte en overstromingen veroorzaken naar verwachting nog meer levens zullen vergen en nog meer tot verplaatsing van de bevolking en tot voedsel- en watertekorten zullen leiden;

29.  verzoekt de internationale gemeenschap zich te buigen over de juridische lacunes met betrekking tot de term "klimaatvluchteling", met inbegrip van een mogelijke definitie van dit begrip in het internationaal recht of in juridisch bindende internationale overeenkomsten;

Vrouwenrechten

30.  is verheugd over de recente resolutie 2242 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, waarin vrouwen een centrale rol toebedeeld krijgen in alle inspanningen voor het aanpakken van wereldwijde uitdagingen, waaronder toenemend gewelddadig extremisme, klimaatverandering, migratie, duurzame ontwikkeling, vrede en veiligheid; prijst de bevindingen van het wereldwijde VN-onderzoek over de tenuitvoerlegging van resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, waarin het belang van vrouwelijk leiderschap en de deelname van vrouwen aan conflictoplossing en vredesopbouw wordt benadrukt, alsook de bijdrage van vrouwelijke betrokkenheid aan de verbetering van humanitaire hulp, de versterking van de inspanningen van vredeshandhavers, de afronding van vredesbesprekingen en de strijd tegen gewelddadig extremisme;

31.  geeft zijn ontzetting te kennen over het feit dat geweld tegen vrouwen sinds de opkomst van gewelddadige extremistische groeperingen als Da'esh in Syrië en Irak en Boko Haram in West-Afrika een nieuwe dimensie heeft gekregen die nooit eerder zoveel angst inboezemde, aangezien seksueel geweld een integraal onderdeel is geworden van de doelstellingen, ideologie en inkomstenbronnen van deze extremistische groeperingen, en de internationale gemeenschap hierdoor met een cruciale nieuwe uitdaging wordt geconfronteerd; verzoekt alle regeringen en de VN-instellingen zich nog meer in te zetten voor de strijd tegen deze afschuwelijke misdaden en vrouwen te herstellen in hun waardigheid zodat ze gerechtigheid, schadeloosstelling en steun verkrijgen;

32.  is van mening dat het waarborgen van de autonomie van vrouwen door iets te doen aan de onderliggende ongelijke behandeling van vrouwen en mannen, die vrouwen en meisjes in tijden van conflict kwetsbaar maakt, één van de manieren is om extremisme te bestrijden; verzoekt de VN en alle lidstaten concrete acties te ondernemen om de autonomie van vrouwen te waarborgen en ervoor te zorgen dat ze op een betekenisvolle manier worden betrokken bij het voorkomen en oplossen van conflicten, alsook bij het proces van vredesonderhandelingen en vredesopbouw, door middel van een grotere vrouwelijke vertegenwoordiging op alle besluitvormingsniveaus, met inbegrip van nationale, regionale en internationale instellingen en mechanismen;

Rechten van het kind

33.  herinnert eraan dat in het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat in 1989 is aangenomen en het mensenrechtenverdrag is dat door het grootste aantal landen is geratificeerd, een aantal kinderrechten worden beschreven, zoals het recht op leven, gezondheid, onderwijs en spel, het recht op familie-en gezinsleven, op bescherming tegen geweld en discriminatie en het recht om te worden gehoord; verzoekt alle partijen bij dit verdrag hun plicht te vervullen;

34.  is verheugd over het geplande wereldwijde onderzoek dat door de VN zal worden opgestart om via een analyse op basis van toezicht en beoordeling in kaart te brengen hoe bestaande internationale wetgeving en normen in de praktijk ten uitvoer worden gelegd en om na te gaan hoe landen hun beleid en reacties concreet kunnen verbeteren; dringt er bij alle landen op aan actief steun te verlenen en deel te nemen aan het onderzoek;

Rechten van LGBTI's

35.  spreekt er zijn bezorgdheid over uit dat er nog steeds sprake is van discriminerende wetten en praktijken alsook gewelddaden tegen personen in diverse landen op grond van hun seksuele gerichtheid en genderidentiteit; pleit ervoor dat de situatie van LGBTI's op de voet wordt gevolgd in landen waar onlangs ingevoerde anti-LGBTI-wetten een bedreiging vormen voor het leven van seksuele minderheden; toont zich uitermate verontrust over de zogeheten "anti-propagandawetten" waarmee de vrijheid van meningsuiting en vergadering wordt ingeperkt, ook in landen op het Europese continent;

36.  bekrachtigt zijn steun aan de niet-aflatende werkzaamheden van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten om de vrije uitoefening van alle mensenrechten door LGBTI's te bevorderen en te beschermen, voornamelijk met behulp van verklaringen, verslagen en de "vrij & gelijk"-campagne; spoort de Hoge Commissaris aan zijn strijd tegen discriminerende wetten en praktijken voort te zetten;

Drones en autonome wapens

37.  herhaalt zijn oproep aan de Raad van de EU een gemeenschappelijk EU-standpunt over het gebruik van gewapende drones te formuleren en daarin prioritair belang toe te kennen aan de eerbiediging van mensenrechten en het internationaal humanitair recht en aandacht te besteden aan kwesties zoals het rechtskader, evenredigheid, verantwoordingsplicht, de bescherming van burgers en transparantie; dringt er nogmaals bij de EU op aan een verbod uit te vaardigen op de productie, ontwikkeling en het gebruik van volledig autonome wapens, waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd; staat erop dat mensenrechten worden opgenomen in alle dialogen met derde landen inzake terrorismebestrijding;

Integratie van de mensenrechten in de EU

38.  verzoekt de EU de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten, waaronder burgerrechten en politieke, economische, sociale en culturele rechten, te bevorderen overeenkomstig artikel 21 van het Verdrag van Lissabon en de algemene bepalingen inzake het extern optreden van de Unie;

39.  dringt er nogmaals bij de EU op aan een op rechten gebaseerde benadering te kiezen en eerbiediging van de mensenrechten te integreren in handels- en investeringsbeleid, overheidsdiensten en ontwikkelingssamenwerking, alsmede in haar gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid; onderstreept voorts dat het EU-beleid op het gebied van de mensenrechten de garantie moet bieden dat interne en externe beleidsmaatregelen coherent zijn en aansluiten bij de verplichtingen van het EU-Verdrag;

Internationaal Strafhof

40.  herinnert aan paragraaf 6 van de conclusies van de Raad van 16 november 2015 en herhaalt zijn krachtige steun voor de inspanningen van het Internationaal Strafhof om verantwoordingsplicht te bevorderen en een cultuur van straffeloosheid te vermijden, en is in dit verband ingenomen met de rol van het Internationaal Strafhof bij de totstandbrenging van regionale vrede op het Afrikaanse continent en de handhaving van de rechtsstaat;

Landen die het voorwerp vormen van een universele periodieke doorlichting (UPR)

Georgië

41.  is ingenomen met het lidmaatschap van Georgië van de VN-Mensenrechtenraad en de recente UPR over Georgië; neemt kennis van de wetswijzigingen die hebben geleid tot een zekere vooruitgang op het gebied van justitie en wetshandhaving, het openbaar ministerie, de strijd tegen slechte behandeling, de rechten van het kind, de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, en binnenlands ontheemden; merkt evenwel op dat het gebrek aan vooruitgang op de meeste van deze gebieden te wijten is aan het feit dat de politieke en zakelijke elite in het land nauw met elkaar zijn verbonden;

42.  stelt evenwel vast dat er meer inspanningen nodig zijn wat betreft de volledige onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en slechte behandeling, met name waar het gaat om voorlopige hechtenis en rehabilitatie van slachtoffers; benadrukt de plicht van de regering uit hoofde van het internationaal humanitair recht om alle kinderen te beschermen tegen geweld, en dringt aan op toetsing van alle charitatieve instellingen voor kinderen, waaronder de Georgische Orthodoxe Kerk, door de Georgische regering en het Parlement; blijft bezorgd over de vrijheid van meningsuiting en de mediavrijheid en het feit dat waarnemers geen toegang krijgen tot de bezette gebieden Abchazië en Tsinvali/Zuid-Ossetië, waar mensenrechtenschendingen schering en inslag blijven; roept de regering van Georgië op adequate maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de in het UPR-proces gedane aanbevelingen worden opgevolgd;

Libanon

43.  prijst Libanon om zijn beleid van open grenzen en opvang dat het land al jarenlang tentoonspreidt ten aanzien van vluchtelingen uit Palestina, Irak en Syrië, en spoort de EU aan meer middelen beschikbaar te stellen en nauw samen te werken met de Libanese autoriteiten om het land te helpen de bescherming van de rechten van vluchtelingen en asielzoekers te handhaven; spreekt in dit verband zijn bezorgdheid uit over het naar verluidt grote aantal kindhuwelijken en/of gedwongen huwelijken onder Syrische vluchtelingen; moedigt de Libanese regering aan een hervorming te overwegen van de wet inzake inreis en verblijf in en uitreis uit Libanon, waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen asielzoekers en vluchtelingen enerzijds en migranten anderzijds;

44.  steunt de aanbevelingen van het VN-comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) om aan te dringen op bewustmakingsacties onder vrouwelijke migranten die als huishoudelijk personeel werken over hun mensenrechten volgens het CEDAW-verdrag, waarbij Libanon partij is; benadrukt met name de noodzaak om het "Kafala-systeem" af te schaffen en voor vrouwelijke migranten die als huishoudelijk personeel werken doeltreffende toegang tot de rechter te waarborgen, onder meer door hun veiligheid en verblijf tijdens juridische en administratieve procedures betreffende hun status te garanderen;

Mauritanië

45.  onderstreept dat de Mauritaanse regering weliswaar vooruitgang heeft geboekt door wettelijke maatregelen te nemen ter bestrijding van alle vormen van slavernij en op slavernij lijkende praktijken, maar dat dergelijke praktijken blijven voortbestaan bij gebrek aan een doeltreffende tenuitvoerlegging van deze maatregelen; roept de autoriteiten op een antislavernijwet in te voeren, in het hele land stelselmatig en regelmatig gedifferentieerde gegevens over alle vormen van slavernij te gaan verzamelen en een grondig, op bewijsmateriaal gebaseerd onderzoek in te stellen naar de geschiedenis en de aard van slavernij, teneinde deze praktijk uit te roeien;

46.  dringt er bij de Mauritaanse autoriteiten op aan vrijheid van meningsuiting en van vergadering toe te staan, in overeenstemming met internationale verdragen en de eigen nationale wetgeving; dringt tevens aan op de vrijlating van Biram Dah Abeid, Bilal Ramdane en Djiby Sow, zodat zij hun geweldloze campagne tegen het voortbestaan van slavernij kunnen voortzetten zonder pesterij of intimidatie te hoeven vrezen;

Myanmar

47.  is ingenomen met het feit dat er op 8 november 2015 volwaardige verkiezingen zijn gehouden, wat voor het land een belangrijke mijlpaal is in de overgang naar een democratie; erkent dat er vooruitgang is geboekt wat mensenrechten betreft, maar ziet nog steeds een aantal punten van grote zorg, zoals de rechten van minderheden en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering;

48.  veroordeelt de discriminatie jegens de Rohingya, die nog verergerd wordt door het feit dat deze gemeenschap geen wettelijke status heeft, en door de toenemende haatzaaiende uitlatingen tegen niet-boeddhisten; dringt aan op een volledig, transparant en onafhankelijk onderzoek naar alle meldingen van mensenrechtenschendingen jegens de Rohingya, en uit zijn bezorgdheid over de vier, door het parlement in 2015 aangenomen wetten "ter bescherming van ras en religie", aangezien deze kunnen leiden tot discriminatie op grond van geslacht; herhaalt zijn verzoek om het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten (OHCHR) toestemming te verlenen een kantoor in het land te openen; benadrukt dat er een grondige duurzaamheidseffectbeoordeling moet worden uitgevoerd voordat de onderhandelingen over de investeringsovereenkomst tussen de EU en Myanmar worden afgerond;

Nepal

49.  is ingenomen met de inwerkingtreding op 20 september 2015 van de nieuwe grondwet van Nepal, die het fundament moet vormen van de toekomstige politieke stabiliteit en economische ontwikkeling van het land; hoopt dat de resterende vragen betreffende de politieke vertegenwoordiging van minderheden, waaronder de Dalits, en wetgeving inzake burgerschap in de nabije toekomst zullen worden aangepakt;

50.  betreurt het feit dat voor de mensenrechtenschendingen die tijdens de burgeroorlog door beide partijen werden begaan amper personen ter verantwoording zijn geroepen, ondanks de in mei 2014 aangenomen wet inzake waarheid, verzoening en verdwijningen; dringt er bij de regering van Nepal op aan toe te treden tot het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van alle personen tegen gedwongen verdwijning; veroordeelt het dat de fundamentele vrijheden van Tibetaanse vluchtelingen worden ingeperkt; dringt bij India aan op opheffing van de inofficiële blokkade van de Nepalese economie, die in combinatie met de verwoestende aardbeving van april 2015 tot een humanitaire crisis heeft geleid en nog eens bijna een miljoen Nepalezen in een armoedeval heeft gedreven;

Oman

51.  prijst Oman om het feit dat er van overheidswege een nationale mensenrechtencommissie in het leven is geroepen en een uitnodiging is uitgegaan die het historische bezoek van de speciale VN-rapporteur voor het recht op vreedzame vergadering in september 2014 mogelijk maakte; spreekt de hoop uit dat deze constructieve stappen tot een intensiever contact van Oman met VN-vertegenwoordigers voor mensenrechtenkwesties en onafhankelijke mensenrechtenorganisaties zullen leiden;

52.  moedigt Oman aan de nodige maatregelen te treffen om verandering te brengen in wat door de bijzonder VN-rapporteur werd omschreven als een alomtegenwoordig klimaat van angst en intimidatie in dit land, waar mensen volgens hem 'niet voor hun mening durven uit te komen, de telefoon niet durven te gebruiken en elkaar niet durven te ontmoeten'; blijft bezorgd over het verbod op alle politieke partijen en de nieuwe wet op het staatsburgerschap van augustus 2014, die bepaalt dat de overheid het staatsburgerschap kan afnemen van burgers die lid worden van als schadelijk voor de nationale belangen beschouwde groeperingen, en verzoekt de regering een en ander te heroverwegen; roept de EU-instellingen en de lidstaten op technische en juridische bijstand te bieden om Oman te helpen een veilige en vruchtbare omgeving te creëren voor organisaties van het maatschappelijk middenveld;

Rwanda

53.  spreekt zijn verontrusting uit over de mensenrechtensituatie in Rwanda, onder meer de beperking van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging, de krimpende democratische ruimte voor politieke oppositiepartijen en onafhankelijke activiteiten van het maatschappelijk middenveld en het ontbreken van een gunstig klimaat voor een onafhankelijke rechterlijke macht; roept de Rwandese regering op een democratisch speelveld te scheppen waarop alle geledingen van de maatschappij vrij kunnen opereren;

54.  is bezorgd over de voorgestelde grondwetswijziging waardoor de zittende president zich kandidaat kan stellen voor een derde ambtstermijn; moedigt de regering van Rwanda aan het Afrikaans handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur na te leven;

Zuid-Sudan

55.  is ingenomen met de resolutie van de UNHRC van juni 2015 en de organisatie van een OHCHR-missie om toezicht te houden op en verslag uit te brengen over de situatie van de mensenrechten in Zuid-Sudan, en een omvattende beoordeling te verrichten van de vermeende schendingen en misbruiken van de mensenrechten teneinde de verantwoordingsplicht te waarborgen;

56.  steunt de aanneming, op de 31e zitting van de Mensenrechtenraad, van een follow-upresolutie tot vaststelling van het mandaat van de speciale rapporteur voor Zuid-Sudan, zoals gepland in de resolutie van juni 2015, om de regering te helpen bij de uitvoering van de aanbevelingen die de OHCHR-missie moet doen om de mensenrechtensituatie te verbeteren en steun te verlenen aan de regionale en internationale inspanningen voor verantwoordingsplicht, waarbij de internationale middelen die aan de regering worden geschonken worden gekoppeld aan de totale mate waarin de mensenrechten in het land worden geëerbiedigd;

57.  vraagt de Mensenrechtenraad de aanstelling van een speciale rapporteur voor Zuid-Sudan te steunen, die als mandaat heeft schendingen, onder meer het ronselen en inzetten van kindsoldaten en het militair gebruik van scholen, te monitoren en daar verslag over uit te brengen en aanbevelingen te doen voor doeltreffende verantwoordingsmechanismen;

Syrië

58.  maakt zich ernstige zorgen over de almaar verslechterende veiligheids- en humanitaire situatie in Syrië; veroordeelt met klem de misstanden, de slachtingen, de foltering, de moordpartijen en het seksuele geweld waaraan de Syrische bevolking wordt blootgesteld door IS, het Assad-regime en andere terroristische organisaties en milities; herhaalt zijn oproep tot een duurzame oplossing voor het Syrische conflict middels een door dat land zelf in gang gezet politiek proces dat leidt tot een daadwerkelijke politieke overgang die voldoet aan de legitieme verwachtingen van de Syrische bevolking en haar in staat stelt op onafhankelijke en democratische wijze de eigen toekomst te bepalen;

59.  dringt er bij de Mensenrechtenraad op aan de VN-Veiligheidsraad te vragen gepaste stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken voor mensenrechtenschendingen, met inbegrip van schendingen die kunnen worden beschouwd als misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, ter verantwoording worden geroepen, onder meer door de situatie in Syrië door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof;

Venezuela

60.  is bezorgd over het UNHRC-lidmaatschap van Venezuela voor de periode van drie jaar die ingaat op 1 januari 2016; wijst op de interventie van president Maduro op de buitengewone zitting van 12 november, en herinnert eraan dat lidmaatschap van de Mensenrechtenraad de bevordering en bescherming van de mensenrechten in het eigen land inhoudt, zoals duidelijk is uitgesproken door de Hoge Commissaris Zeid Ra'ad Al Hussein;

61.  uit zijn grote bezorgdheid over de verslechterende situatie in Venezuela en het gebruik van geweld tegen demonstranten; dringt er bij de Venezolaanse autoriteiten op aan alle oppositieleiders, vreedzame betogers en studenten die willekeurig gevangen worden gehouden vanwege de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting en grondrechten, onmiddellijk vrij te laten, in overeenstemming met de verzoeken van diverse VN-instanties en internationale organisaties;

Prioritaire landen

Oekraïne

62.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de aanhoudende willekeurige aanvallen op burgerdoelwitten, in het bijzonder in het oosten van Oekraïne; veroordeelt de voortdurende mensenrechtenschendingen in het conflict en staat volledig achter de VN-missie voor toezicht op de mensenrechten en de speciale waarnemingsmissie van de OVSE in Oekraïne; vraagt de EU-lidstaten alle mogelijke inspanningen op VN-niveau te steunen om straffeloosheid te bestrijden en onpartijdige onderzoeken uit te voeren naar de gewelddadige gebeurtenissen en mensenrechtenschendingen in verband met het optreden tegen de Maidan-demonstraties, alsmede naar het mogelijk gebruik van clustermunitie door regeringsgezinde troepen en door Rusland gesteunde milities tijdens het gewapende conflict in het oosten van Oekraïne, en de mensenrechtensituatie in de Krim en andere schendingen in verband met het gewapend conflict in het oosten van Oekraïne aan te pakken;

Belarus

63.  spreekt zijn grote bezorgdheid uit over de aanhoudende beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering, en veroordeelt de intimidatie van onafhankelijke en oppositiejournalisten, de pesterijen en opsluiting van mensenrechtenverdedigers en de handhaving van de doodstraf; dringt erop aan dat het mandaat van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Belarus tijdens de 32e zitting van de Mensenrechtenraad wordt verlengd, en vraagt de regering volledig samen te werken met de speciale rapporteur en zich ertoe te verbinden de achterstand bij de hervormingen ter bescherming van mensenrechten weg te werken, onder meer door de aanbevelingen van de speciale rapporteur en van andere mensenrechtenmechanismen uit te voeren;

Azerbeidzjan

64.  is ingenomen met de tijdens de 29e zitting van de VN-Mensenrechtenraad uitgegeven gemeenschappelijke verklaring over de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan, maar betreurt het dat een aantal EU-lidstaten deze niet heeft ondertekend; verzoekt de EU-lidstaten en andere leden van de Mensenrechtenraad de mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan nauw in de gaten te houden en te werken aan de goedkeuring van een resolutie waarin ertoe wordt opgeroepen mensenrechtenactivisten, politieke en burgerrechtenactivisten, journalisten en bloggers die op basis van politiek gemotiveerde beschuldigingen zijn gearresteerd of gevangengenomen onmiddellijk vrij te laten, beschuldigingen van foltering in detentie diepgaand te onderzoeken en wetten die de vrijheid van meningsuiting, van vergadering en van vereniging in Azerbeidzjan op oneigenlijke gronden inperken, in te trekken;

Bahrein

65.  is ingenomen met de gezamenlijke verklaring van 33 landen op 14 september 2015 - de vijfde over de mensenrechtensituatie in Bahrein - waarin bezorgdheid wordt geuit over de berichten van intimidatie en opsluiting van personen die hun recht op vrijheid van mening, meningsuiting en vreedzame vereniging en vergadering uitoefenen, met inbegrip van mensenrechtenverdedigers, alsook over het ontbreken van voldoende waarborgen voor een eerlijk proces, het gebrek aan verantwoordingsplicht voor schendingen van de mensenrechten en over meldingen van foltering en mishandeling in detentie;

66.  herhaalt de oproep aan de regering om vaart te zetten achter de volledige uitvoering van de aanbevelingen van de onafhankelijke onderzoekscommissie voor Bahrein (BICI);

67.  herhaalt de oproep aan de regering om volledig samen te werken met de OHCHR en met betrekking tot de speciale procedures, onder meer door de formalisering van de overeenkomst betreffende samenwerking met de OHCHR;

Burundi

68.  maakt zich ernstig zorgen over de gerichte aanvallen op mensenrechtenactivisten, journalisten en hun familieleden; veroordeelt met klem het politieke geweld, de standrechtelijke executies, de mensenrechtenschendingen en het aanzetten tot geweld op politieke, etnische en andere gronden in Burundi, alsook het feit dat daders, waaronder politiemensen en veiligheidsdiensten, aan politieke partijen gelieerde jeugdbewegingen en mensen die voor overheidsdiensten werken, niet worden gestraft;

69.  roept de autoriteiten van Burundi op prioritair een eind aan deze schendingen en dit geweld te maken, onder andere door de moordpartijen en de aanvallen op mensenrechtenactivisten, journalisten en daadwerkelijke of vermeende tegenstanders en critici onmiddellijk te stoppen, en door grondige, onpartijdige en onafhankelijke onderzoeken te verrichten, teneinde de daders ter verantwoording te roepen en de slachtoffers de mogelijkheid te bieden verhaal te halen;

70.  is ingenomen met het feit dat op 17 december 2015 een speciale zitting van de Mensenrechtenraad heeft plaatsgevonden over het voorkomen van een verdere verslechtering van de mensenrechtensituatie in Burundi, maar betreurt het dat het zo lang heeft geduurd voordat de zitting werd georganiseerd;

71.  dringt erop aan de missie van onafhankelijke deskundigen zo snel mogelijk uit te zenden, en verzoekt de Burundese autoriteiten met klem volledig met deze missie samen te werken;

Saoedi-Arabië

72.  herhaalt dat de leden van de UNHRC verkozen moeten worden uit de groep landen die mensenrechten, de rechtsstaat en de democratie eerbiedigen; is het pertinent oneens met het besluit van de VN om een sleutelpost op het gebied van mensenrechten, te weten het voorzitterschap van een panel van onafhankelijke deskundigen van de VN-Mensenrechtenraad, aan de ambassadeur van Saoedi-Arabië bij de VN in Genève te geven;

73.  is uitermate bezorgd over de toename van het aantal uitgevoerde doodstraffen en veroordeelt deze onaanvaardbare executies; verzoekt Saoedi-Arabië een moratorium op de doodstraf in te stellen;

°

°  °

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de VN-Veiligheidsraad, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de 69e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de voorzitter van de VN-Mensenrechtenraad, de hoge VN-commissaris voor de mensenrechten en de secretaris-generaal van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0470.

Juridische mededeling - Privacybeleid