Procedure : 2015/3035(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0056/2016

Ingediende teksten :

B8-0056/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 21/01/2016 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 233kWORD 117k
14.1.2016
PE575.958v01-00
 
B8-0056/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de prioriteiten van de Unie voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2016 (2015/3035(RSP))


Marie-Christine Vergiat, Tania González Peñas, Miguel Urbán Crespo, Lola Sánchez Caldentey, Xabier Benito Ziluaga, Estefanía Torres Martínez, Stefan Eck, Kostas Chrysogonos, Stelios Kouloglou, Takis Hadjigeorgiou, Neoklis Sylikiotis, Paloma López Bermejo, Barbara Spinelli namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de prioriteiten van de Unie voor de zittingen van de VN-Mensenrechtenraad in 2016 (2015/3035(RSP))  
B8-0056/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens van 1953,

–  gezien de millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000 (A/Res/55/2) en de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien zijn vroegere resoluties over de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties,

–  gezien zijn spoedresoluties over democratie en mensenrechten,

–  gezien de komende 31e zitting van de Mensenrechtenraad, die van 29 februari tot en met 24 maart 2016 gehouden wordt,

–  gezien resolutie 1325 van de Veiligheidsraad over vrouwen, vrede en veiligheid, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (IVDV), het actieprogramma van de internationale conferentie van de inheemse volkeren inzake duurzame ontwikkeling (Rio +20) en het actieplatform van Peking,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat er zestig jaar na de goedkeuring van de Universele Verklaring van de rechten van de mens nog altijd dagelijks moet worden gestreden tegen discriminatie en voor de ongehinderde uitoefening van alle mensenrechten – sociale, economische en culturele rechten evenals burgerrechten en politieke rechten;

B.  overwegende dat de economische, sociale en culturele rechten integrerend deel uitmaken van de mensenrechten en dat met het oog op de naleving ervan op zijn minst de zeventien doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG's) volledig moeten worden uitgevoerd, in het bijzonder: het beëindigen van armoede in al zijn vormen en overal ter wereld, het uitbannen van honger en het realiseren van voedselzekerheid, het waarborgen van goede gezondheid, het waarborgen van kwalitatief hoogwaardig onderwijs, het bevorderen van fatsoenlijk werk voor een ieder, het verminderen van de ongelijkheden, het verwezenlijken van de gendergelijkheid, het nemen van dringende maatregelen tegen de klimaatverandering, het bevorderen van vrede en rechtvaardigheid;

C.  overwegende dat de wereld door de financiële crisis in de OESO-landen geconfronteerd wordt met de ernstigste vertraging van de economie sinds de jaren 1930; overwegende dat volgens schattingen van de WHO, als gevolg van de gestegen voedsel- en energieprijzen, meer dan 100 miljoen mensen onder de armoedegrens zijn geraakt; overwegende dat de zogeheten "financiële en economische crisis" in feite een mondiale systeemcrisis is die gevolgen heeft voor alle lagen van de samenleving en voor alle sectoren: politiek, mens en maatschappij, het milieu, de voedsel- en energievoorziening, enz.;

D.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten de eerbiediging van de mensenrechten in hun volledige binnenlandse en buitenlandse beleid zouden moeten bevorderen en zou den moeten toezien op de coherentie van dit beleid, zodat de Europese Unie en de lidstaten binnen de Mensenrechtenraad een sterkere en geloofwaardiger positie innemen;

E.  overwegende dat een delegatie van de Subcommissie mensenrechten van het Europees Parlement de 31e gewone zitting van de Mensenrechtenraad in Genève zal bijwonen, net zoals het de afgelopen jaren het geval was voor de voorgaande zittingen van de Mensenrechtenraad en nog daarvóór, voor de bijeenkomsten van de Commissie voor de mensenrechten van de Verenigde Naties;

F.  overwegende dat momenteel acht lidstaten zitting hebben in de Mensenrechtenraad, te weten: Duitsland (tot in 2018), België (tot in 2018), Frankrijk (tot in 2016), Letland (tot in 2017), Nederland (tot in 2017), Portugal (tot in 2017), het Verenigd Koninkrijk (tot in 2016) en Slovenië (tot in 2018); voorts overwegende dat de Mensenrechtenraad op zijn organisatiezitting van 8 december 2014 voor zijn negende zittingsjaar, dat liep van 1 januari tot en met 31 december 2015, de leden heeft verkozen van zijn Bureau en daarbij de Duitser Joachim Rücker tot voorzitter heeft benoemd; overwegende dat vanaf 1 januari 2016 laatstgenoemde vervangen is door Choi Kyong-lim uit Zuid-Korea, en dat twee ondervoorzitters van het Bureau vertegenwoordigers zijn van EU-lidstaten: Bertrand de Crombrugghe (België) en Janis Karklins (Letland);

G.  overwegende dat het werk van de Unie en de lidstaten met en in de Mensenrechtenraad moet worden versterkt, niet alleen om een ondeelbare visie op de mensenrechten te laten gelden, maar ook om beter rekening te houden met aanbevelingen van de Mensenrechtenraad en deze beter uit te voeren in het mensenrechtenbeleid van de Unie, zowel intern als extern;

Het werk en de organisatie van de Mensenrechtenraad

1.  roept de lidstaten van de Europese Unie nogmaals op zich actief te verzetten tegen elke poging om de universaliteits-, ondeelbaarheids- en onafhankelijkheidsbeginselen van de mensenrechten aan te tasten en de Mensenrechtenraad actief aan te sporen elke vorm van discriminatie op gelijke wijze te bestrijden, ongeacht het motief waarop deze is gebaseerd;

2.  waarschuwt voor het instrumentaliseren van de Mensenrechtenraad; benadrukt het belang van de landenspecifieke resoluties van deze raad bij het aan de kaak stellen van ernstige mensenrechtenschendingen; onderstreept dat het van belang is de mensenrechtensituatie op objectieve, transparante, niet-selectieve, constructieve en niet-confronterende wijze te evalueren op basis van betrouwbare informatie en een interactieve dialoog, met universele deelname en gelijke behandeling van alle staten; verzoekt de lidstaten van de EU actief bij te dragen aan de tenuitvoerlegging van deze overeengekomen beginselen betreffende de Mensenrechtenraad;

3.  onderstreept het grote belang van de bestrijding van de onderliggende oorzaken van politieke instabiliteit in bepaalde landen met behulp van een ontwikkelingsbeleid dat strookt met de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (MDO's) en met behulp van andere sociaaleconomische, politieke en culturele maatregelen waarmee een klimaat kan worden gecreëerd dat conflicten helpt voorkomen en waarmee beoogd wordt armoede te bestrijden, economische, sociale en culturele ontwikkeling te bevorderen, institutionele en bestuurlijke capaciteiten tot stand te brengen, de levenskwaliteit van de bevolking te verbeteren en de rechtsstaat te versterken, dit alles op uitsluitend vreedzame wijze;

4.  stelt vast dat Saudi-Arabië tot in 2016 lid van de Mensenrechtenraad is; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de veralgemeende schendingen van de mensenrechten door het Koninkrijk Saudi-Arabië; veroordeelt met name de 47 recente executies in het land, waaronder die van de sjeik Nimr Al-Nimr, en maakt zich ongerust over de toename van de spanningen in de regio die het gevolg zijn van deze executies; herhaalt zijn oproep tot afschaffing van de doodstraf overal ter wereld en roept op tot het onmiddellijk instellen van een moratorium op de voltrekking van doodvonnissen in dat land; veroordeelt het feit dat Saudi-Arabië de doodstraf blijft toepassen voor een groot aantal zaken die in dat land als misdrijf worden beschouwd, zoals homoseksualiteit, drugsgerelateerde overtredingen, geloofsverzaking of hekserij; doet een dringende oproep aan de Saudische autoriteiten om een einde te maken aan alle lijfstraffen in het land en de internationale normen op het gebied van de mensenrechten om te zetten in nationale wetgeving; verzoekt de Saudische autoriteiten voorts om alle gewetensgevangenen, onder wie de blogger Raïf Badawi, onmiddellijk in vrijheid te stellen;

5.  is ingenomen met de jaarverslagen van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN; is met name van mening dat de punten in het verslag van 2015 over de economische crisis en de gevolgen daarvan voor de volkeren, van fundamenteel belang zijn: "De toenemende ongelijkheid en de politieke, economische en maatschappelijke uitsluiting van gemarginaliseerde groepen vormen in veel landen een aantasting van de waardigheid en de rechten van volkeren en liggen in belangrijke mate ten grondslag aan de eerder genoemde onrust en conflicten. De economische, sociale en culturele rechten en het recht op ontwikkeling zijn onder druk komen te staan als gevolg van een bezuinigingsbeleid dat armen en gemarginaliseerden onevenredig zwaar heeft getroffen, en als gevolg van corruptie; de openbare dienstverlening heeft niet de prioriteit gekregen die zij verdient en volkeren is het recht ontzegd om betrokken te worden bij besluiten die gevolgen hebben voor hun leven. Het leed onder migranten blijft onverminderd zeer groot: de recente gebeurtenissen op de Middellandse Zee getuigen van een cynische minachting voor het menselijk leven en voor de rechten van de mens". verzoekt de Europese Unie en de lidstaten voldoende personele, materiële en financiële middelen ter beschikking te stellen voor reddingsoperaties op zee; verzoekt de Unie en de lidstaten juridische wegen te openen voor asielzoekers, met name door een substantiële uitbreiding van het aantal hervestigingsplaatsen voor vluchtelingen en door het verstrekken van humanitaire visa, en de mogelijkheden voor legale, economische immigratie te verruimen;

6.  verwerpt het concept "verantwoordelijkheid voor bescherming", omdat dit een schending inhoudt van het internationale recht en een onvoldoende rechtsgrondslag biedt om unilateraal gebruik van geweld, vaak met het doel een regime omver te werpen, te rechtvaardigen; veroordeelt de eenzijdigheid waarmee machtige landen als de Verenigde Staten of organisaties als de NAVO zich de rol van mondiale politieagent toemeten; veroordeelt eveneens de zogeheten "selectieve" luchtaanvallen en de inzet van buitenlandse grondtroepen; hekelt de poging van de NAVO om pacificatie- en stabilisatietaken te vervullen die alleen op basis van een brede overeenstemming in het kader van de Algemene Vergadering van de VN kunnen worden uitgevoerd; uit zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat steeds meer kinderen en jongeren worden geronseld; herinnert eraan dat met name vrouwen en kinderen die in gewapende conflicten verzeild raken, beschermd moeten worden;

7.  is tegenstander van de wijdverbreide inzet van particuliere militaire en veiligheidsondernemingen in het kader van zogenaamde veiligheidsbeleidsmaatregelen, omdat dit een exclusieve bevoegdheid van staten is, en vraagt dat de Europese Unie en haar lidstaten meer hun best doen om een einde te maken aan deze praktijken; is van mening dat particuliere militaire en veiligheidsondernemingen op dit vlak, onder de verantwoordelijkheid van de landen, de normen inzake mensenrechten moeten eerbiedigen, in het bijzonder voor wat de bescherming van gegevens en de eerbiediging van het privéleven betreft; is van oordeel dat waar het gaat om overdracht van overheidstaken, zowel landen als bedrijven verantwoordelijk moeten worden gehouden voor schendingen door het personeel van deze bedrijven van de mensenrechten en het humanitaire recht;

8.  wijst er daarnaast nadrukkelijk op dat tekortschietende wetgeving, ondoorzichtigheid en het ontbreken van controle op de wapenhandel hebben geleid tot menselijk lijden, gewapende conflicten, instabiliteit en corruptie in de hand hebben gewerkt, vredesprocessen onmogelijk hebben gemaakt en geleid hebben tot de omverwerping van democratisch gekozen regeringen en schendingen van de rechtsstaat, de mensenrechten en het internationale humanitaire recht; dringt er dan ook op aan om deze kwestie op de agenda van deze zitting te zetten;

Economische, sociale en culturele rechten

 

9.  verheugt zich over het belang dat door de Mensenrechtenraad wordt toegekend aan de bevordering en bescherming van de economische en sociale rechten en aan de kwestie van de onderlinge samenhang van de mensenrechten; beklemtoont nogmaals dat burgerrechten, economische, sociale, culturele en politieke rechten op voet van gelijkheid moeten worden behandeld; wijst erop dat hoge werkloosheidscijfers, de toenemende armoede en sociale uitsluiting, de steeds moeilijker toegang tot en de verslechterende kwaliteit van betaalbare openbare diensten op het vlak van gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting, vervoer en cultuur belangrijke uitdagingen vormen; benadrukt dat privatiseringen en de liberalisering hebben bijgedragen tot de verslechterde toegang tot sommige van deze rechten, dat deze trend moet worden omgebogen en dat een betere verdeling van de welvaart, passende salarissen en kwalitatief hoogstaande banen belangrijke instrumenten vormen om deze problemen op te lossen; stelt eveneens vast dat de besparingsplannen die zowel in de lidstaten van de Unie als in andere landen – onder meer onder druk van de Unie – zijn ingevoerd, de bestaande ongelijkheden en armoede nog hebben versterkt;

10.  benadrukt voorts dat de opneming van democratie- en mensenrechtenclausules in de vrijhandelsakkoorden tussen de Unie en derde landen geen enkel resultaat heeft opgeleverd, niet alleen omdat er nauwelijks aandacht aan werd besteed, maar ook omdat de vrijhandelsakkoorden zelf hebben geleid tot schendingen van de economische en sociale mensenrechten, verpaupering van de betrokken gemeenschappen en monopolisering van hulpbronnen door multinationals; is van oordeel dat naast deze clausules nieuwe samenwerkingsvormen moeten worden geïntroduceerd teneinde de sociaaleconomische ontwikkeling van derde landen te baseren op de behoeften van hun bevolking; meent dat de Mensenrechtenraad niet alleen de gevolgen van bezuinigingsplannen voor de mensenrechten moet bestuderen, maar ook het effect van de huidige vrijhandelsakkoorden eens kritisch onder de loep moet gaan nemen;

11.  overwegende dat in de aanloop naar het Wereld Economisch Forum, dat elk jaar in januari in Davos wordt gehouden, de organisatie OXFAM bevestigd heeft dat in 2016 het verzamelde vermogen van de rijkste 1 % van de wereldbevolking dat van de andere 99 % overtreft; wijst erop dat het aandeel in de globale rijkdom van de 1 % allerrijksten is gestegen van 44 % in 2009 tot 48 % in 2015 en in 2016 meer dan 50 % zal bedragen; benadrukt dat de crisis de gevaren van het huidige economische en politieke systeem duidelijk heeft aangetoond en de toch al dramatische ongelijkheid verder heeft vergroot, ten gunste van de hoogste inkomens, die vergeleken met de middeninkomens duizelingwekkend zijn gestegen; is van mening dat de kwestie van de verdeling van de rijkdommen in de wereld de hoogste prioriteit moet hebben tijdens deze 25e zitting van de Mensenrechtenraad, aangezien zij het belangrijkste obstakel vormt voor de verwezenlijking van de economische en sociale rechten en dat de delegatie van de Unie en haar lidstaten alle nodige maatregelen moet nemen om hiervoor te zorgen;

12.  onderstreept het belang van het verslag over het recht op behoorlijke huisvesting; vraagt dat de delegatie van de Unie en die van haar lidstaten de toegankelijkheid van degelijke huisvesting voor iedereen zonder discriminatie als een basisrecht beschouwen en de toegang tot huisvesting in de Unie (met name sinds het begin van de crisis en de invoering van de besparingsmaatregelen) onder de loep neemt met als doel een oplossing te vinden voor dit endemische probleem dat de voorbije jaren almaar groter is geworden; wijst in dit verband nogmaals op de noodzaak om in een aantal landen leegstaande woningen te vorderen, en voorlopig te stoppen met huisuitzettingen om de huidige crisis het hoofd te kunnen bieden;

13.  verwelkomt daarnaast het verslag over het recht op voeding; wijst erop dat de lidstaten van de Verenigde Naties de toegang tot natuurlijke en essentiële hulpbronnen en de toegang tot land in sterkere mate zouden moeten bevorderen, evenals de voedselautonomie en voedselzekerheid, als instrument in de strijd tegen armoede en werkloosheid; betreurt dat een groot aantal mensen geen of niet langer toegang heeft tot bepaalde hulpbronnen, inclusief basisvoorzieningen zoals water, vanwege de monopolisering van deze hulpbronnen door bedrijven of particuliere entiteiten die worden gesteund door de politieke instanties in de betrokken landen, wat leidt tot voedseltekorten en tot een stijging van de prijzen van levensmiddelen; verzoekt de delegatie van de Europese Unie en haar lidstaten dan ook de nodige maatregelen te nemen om een einde te maken aan de deze monopolisering van natuurlijke rijkdommen, met name grond, vooral door Europese ondernemingen, en op internationale en regionale conferenties en fora (Wereldbank, WTO, UNCTAD, IMF, OESO enz.) voorstellen te doen voor de erkenning van fundamentele collectieve basisvoorzieningen en de opneming daarvan in een specifiek VN-verdrag; vraagt de Unie en haar lidstaten bovendien om resolutie nr. 64/292 van 28 juli 2010 van de Algemene Vergadering van de VN waarin de toegang tot water als een basisrecht wordt erkend, te onderschrijven en alles in het werk te stellen om ervoor te zorgen dat deze resolutie wordt uitgevoerd en bindend wordt;

14.  benadrukt het belang van het punt over "de gevolgen van buitenlandse schulden en andere aanverwante internationale financiële verplichtingen van staten op de volledige uitoefening van alle mensenrechten" en luidt de alarmklok over het feit dat de betaling van "rente op schulden" van de staat vandaag het merendeel van de landen treft en als uitvlucht wordt gebruikt om bezuinigingsmaatregelen onder de noemer "structurele aanpassingsplannen" te treffen; herhaalt zijn pleidooi, vooral in de context van de economische en sociale crisis, voor kwijtschelding van de schulden van derdewereldlanden, maar eveneens van landen (met name lidstaten van Europese Unie) die het het moeilijkst hebben, teneinde een verergering van de crisis te voorkomen en een doeltreffende uitoefening van de economische, sociale en culturele rechten te garanderen;

15.  is, gezien de medeverantwoordelijkheid van de Europese Unie en een aantal lidstaten voor de economische, sociale en politieke omstandigheden in de landen van de zogeheten "Arabische Lente" die tot de volksopstanden hebben geleid, van mening dat de Europese Unie de morele plicht heeft om de instellingen van deze landen te helpen hun schulden - met name die bij Europese schuldeisers - in kaart te brengen om te kunnen achterhalen welk deel van deze schulden gezien het feit dat ze niet ten goede zijn gekomen aan de bevolking ongerechtvaardigd is, en is verder van mening dat de Europese Unie de morele plicht heeft alles in het werk te stellen om deze ongerechtvaardigde schulden zo snel mogelijk kwijt te schelden; verzoekt de EU en haar lidstaten opnieuw om verdere aanzienlijke inspanningen te leveren om de teruggave aan de bevolking van de landen van de Arabische Lente, binnen een redelijke termijn, van bezittingen die door de voormalige regimes zijn ontvreemd, te vergemakkelijken; is verontrust over het feit dat de richtsnoeren van de partnerschappen in het licht van voorgaande besprekingen niet zijn gewijzigd;

Burgerrechten en politieke rechten

 

16.  roept alle lidstaten ertoe op foltering te bestrijden, ook op hun eigen grondgebied; vraagt de delegatie van de Unie en die van haar lidstaten om in het debat over foltering en andere wrede en mensonterende straffen en behandelingen ook te spreken over de kwestie van het verbieden van de handel in producten die voor foltering kunnen worden gebruikt, binnen en buiten de Unie;

17.  verzoekt de delegatie van de Unie en die van haar lidstaten om zich opnieuw uit te spreken tegen de doodstraf en vóór de wereldwijde afschaffing van de doodstraf en de ogenblikkelijke invoering van een moratorium in die landen waar zij nog wordt uitgevoerd; maakt zich zorgen over het feit dat een aantal landen dat de uitvoering van de doodstraf had opgeschort, opnieuw met terechtstellingen is begonnen, en dat de doodstraf opnieuw wordt uitgesproken, met name om redenen van terrorismebestrijding en in het kader van de bestrijding van de smokkel van verdovende middelen;

18.  wijst op de noodzaak om op deze zitting van de Mensenrechtenraad de kwestie te bespreken van de vrijheid van vereniging en de bestrijding van alle vormen van repressie, met inbegrip van het vermoorden van vakbondsleiders, politieke activisten, kunstenaars en verdedigers van mensenrechten;

19.  neemt kennis van het belang dat tijdens de 31e zitting aan de vrijheid van geloof of levensovertuiging wordt gehecht en herinnert eraan dat dit zowel het recht inhoudt om te geloven of niet te geloven als het recht om zich in te zetten voor een geloofsovertuiging of om van geloofsovertuiging te veranderen; benadrukt opnieuw zijn gehechtheid aan het secularisme als fundamenteel kenmerk van bepaalde landen en culturen, dat neerkomt op een strikte scheiding van politiek en religie, hetgeen impliceert dat religieuze inmenging in regeringsaangelegenheden en politieke bemoeienis met religieuze zaken uit den boze zijn, tenzij dit dient om de veiligheid en de openbare orde (met inbegrip van de eerbiediging van andermans vrijheid) te bewaren, en dat iedereen (gelovigen, agnosten en atheïsten) in gelijke mate vrijheid van mening en van openbare meningsuiting biedt;

Bestrijding van het terrorisme en eerbied voor de fundamentele vrijheden

 

20.   neemt kennis van het belang dat tijdens die 31e zitting aan de relatie tussen terrorisme en de mensenrechten wordt toegekend; veroordeelt opnieuw de aanslagen die door de organisatie "Islamitische Staat" gepleegd zijn en alle terroristische organisaties, en spreekt zijn diepe medeleven uit met de slachtoffers van deze misdaden en hun naasten; onderstreept dat de bestrijding van terrorisme in geen geval als voorwendsel mag dienen om de individuele vrijheden en fundamentele rechten te beperken; is van oordeel dat het "oorlogszuchtige" antwoord van de westerse landen — met de Europese Unie en de Verenigde Staten voorop — in plaats van de terroristische dreiging terug te dringen, het geweld verder alleen maar aanwakkert; benadrukt opnieuw dat een doeltreffend plan ter bestrijding van het terrorisme slechts uitgevoerd kan worden wanneer men de financiering van terroristische organisaties stopzet, met name door alle handelsovereenkomsten of partnerschappen op te schorten met de landen die deze organisaties steunen; benadrukt onder meer het belang om de inlichtingendiensten, de veiligheidsdiensten en de justitiële diensten te versterken, maar ook de noodzaak dat de overheden preventieprogramma's en financiële centra opzetten om actief de ronselmethoden van terroristische sekten op te sporen, een einde te kunnen maken aan het ronselen en de re-integratie van geronselden mogelijk te maken; herinnert eraan dat niet alleen het recht op veiligheid maar ook op beveiliging fundamenteel is en veroordeelt elk overheidsbeleid dat erop gericht is om een deel van de bevolking op grond van afkomst of godsdienstige overtuiging te discrimineren;

21.  hecht buitengewoon veel belang aan het punt "bescherming van mensenrechten en de fundamentele vrijheden in de strijd tegen het terrorisme"; maakt zich ernstige zorgen over de beknotting van de mensenrechten en de burgerlijke vrijheden in naam van de strijd tegen het terrorisme en (almaar vaker) de zware misdaad, zonder dat deze begrippen evenwel duidelijk omschreven worden, en stelt vast dat deze beknotting ook plaatsheeft op het grondgebied van de Europese Unie of in het kader van specifieke overeenkomsten met landen waar de normen inzake de mensenrechten niet worden toegepast; maakt zich in het bijzonder zorgen over de schendingen van het recht op gegevensbescherming en bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

22.  hecht zeer veel belang aan het verslag over het recht op een privéleven in het digitale tijdperk; betreurt het dat Europese informatie- en communicatietechnologieën in derde landen zijn gebruikt om mensenrechten te schenden, met name in de vorm van censuur en massasurveillance; veroordeelt eveneens het feit dat de Amerikaanse NSA miljoenen mensen heeft bespioneerd; uit zijn ongerustheid over de verspreiding van surveillance-en filtertechnieken, die een steeds grotere bedreiging vormen voor mensenrechtenactivisten en vaak op gespannen voet staan met het recht op eerbiediging en bescherming van de persoonlijke levenssfeer; wenst dat met deze bezorgdheid rekening wordt gehouden als dit punt op de zitting wordt besproken;

23.  betreurt het dat de internationale gemeenschap nog altijd niet is begonnen met de onderhandelingen over de sluiting van een internationale overeenkomst betreffende de bescherming van persoonlijke gegevens, eventueel op basis van Verdrag 108 van de Raad van Europa, en verzoekt de delegatie van de Unie en die van haar lidstaten om samen met hun internationale gesprekspartners aan de opstelling van een dergelijke overeenkomst te werken;

24.  acht aanhoudende aandacht voor de wereldwijde praktijken met betrekking tot geheime detentie in het kader van terrorismebestrijding van wezenlijk belang; vraagt dat de lidstaten van de Europese Unie voor een passende follow-up van de bestaande verslagen zorgen, overeenkomstig de eerdere door het Europees Parlement aangenomen standpunten met betrekking tot dit onderwerp en in het bijzonder zijn resoluties over het gebruik door de CIA van Europese landen voor het vervoer, de illegale gevangenhouding en de foltering van gevangenen; veroordeelt eveneens het systematisch folteren door de Verenigde Staten op de militaire basis Guantánamo Bay; wijst er nogmaals op dat deze basis illegaal is; dringt aan op onmiddellijke sluiting en herstel van de Cubaanse territoriale integriteit;

Strijd tegen elke vorm van discriminatie

 

25.  acht van groot belang de aandacht die in 2016 aan het bevorderen van gelijke rechten en het bestrijden van discriminatie op grond van ras, het behoren tot een minderheid, geslacht, seksuele oriëntatie of identiteit, of handicap, besteed wordt; benadrukt dat ook op dit terrein de Europese Unie en haar lidstaten de aanbevelingen van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten ten uitvoer moeten leggen; onderstreept met name het belang, tijdens de 31e zitting, van het discussiepanel over de onverenigbaarheid van democratie en racisme;

26.  uit zijn tevredenheid over het belang dat aan de kwesties racisme en discriminatie wordt toegekend op de 31e zitting van de Mensenrechtenraad; veroordeelt nogmaals de uitingen van racistisch, antisemitisch, homofoob, xenofoob en tegen migranten gericht geweld, die in sommige lidstaten een alarmerend niveau hebben bereikt, bij gebrek aan een gedecideerd optreden van de zijde van de autoriteiten; is verontrust over de stijgende toename van haatdragende en stigmatiserende taal ten aanzien van minderheden en groepen van mensen en over de toenemende invloed ervan, in sommige lidstaten, in de media en in tal van politieke bewegingen en partijen op het hoogste beleidsniveau, wat met name geleid heeft tot restrictieve wetgeving;

27.  acht eveneens van fundamenteel belang de aandacht die tijdens de 32e zitting van de Mensenrechtenraad (van 13 juni tot en met 1 juli 2016) besteed wordt aan de discriminatie van vrouwen en de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen; benadrukt dat algemene toegang tot gezondheidszorg alsook reproductieve zorg, met inbegrip van vrije toegang tot seksuele voorlichting en voorlichting over contraceptie en abortus, een beleidsprioriteit moet blijven; benadrukt dat de uitroeiing van geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van seksuele uitbuiting en mensenhandel een prioriteit moeten zijn en de gelijkheid tussen man en vrouw tot doel moeten hebben; vraagt daarom aan de Mensenrechtenraad en de internationale gemeenschap de processen van ICPD+20, Peking+20 en Rio+20 ten uitvoer te brengen; benadrukt eveneens dat de lidstaten van de Unie de aanbevelingen van de Mensenrechtenraad van 2002 over de internationale bescherming met betrekking tot genderspecifieke vervolging moeten toepassen, met name in het kader van immigratiebeleid;

28.  is verheugd over het belang dat op deze 31e zitting zal worden toegekend aan de rechten van het kind en de bereidheid, naar aanleiding van de aanneming van resolutie 25/6, de kwesties van kindersmokkel en kinderhandel, jeugdprostitutie en kinderporno onder de loep te nemen;

29.  roept de Europese Unie en haar lidstaten ertoe op in de eerste plaats te ijveren voor concrete acties van de Mensenrechtenraad tot stopzetting van schendingen van de mensenrechten die betrekking hebben op burgers en met name vrouwen en kinderen in oorlogssituaties en gewelddadige conflicten; verlangt met name prioritaire acties om een einde te maken aan het ronselen van kindsoldaten en om hen te beschermen;

30.  betreurt het dat kwesties in verband met de rechten van LGBTI tijdens de conferenties in 2016 niet worden besproken; veroordeelt het geweld en de discriminatie waarvan LGBTI over de gehele wereld het slachtoffer zijn; veroordeelt in het bijzonder de gedwongen sterilisatie van transgenders waarvan nog steeds sprake is in een aantal landen, waaronder lidstaten van de EU, en roept op tot onmiddellijke beëindiging van deze schending van de mensenrechten; nodigt de landen over de hele wereld uit na te denken over de middelen om hun familierecht aan te passen aan de evolutie van familiewijzen en –vormen vandaag, met inbegrip van de mogelijkheid voor een verbintenis en adoptie voor personen van hetzelfde geslacht; benadrukt dat lesbiennes vaak te lijden hebben van meervoudige discriminatie (als vrouw en als lesbienne) en dat maatregelen voor de gelijkheid van LGBTI hand in hand moeten gaan met maatregelen voor de gelijkheid van vrouwen en meisjes om gelijkheid en niet-discriminatie te bereiken; uit zijn ongerustheid over de recente stijging van het aantal wetten en gewelddadige praktijken gericht tegen personen vanwege hun seksuele oriëntatie of hun geslacht; herhaalt zijn steun voor voortzetting van de werkzaamheden van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten gericht op bevordering en bescherming van de mensenrechten van LGBTI, met name in de vorm van verklaringen, rapporten en de campagne "Vrijheid en Gelijkheid"; moedigt de Hoge Commissaris van de VN aan de strijd tegen discriminerende wetten en praktijken voort te zetten;

Mensenrechten en migratie

 

31.  veroordeelt de impact van het beleid van uitbesteding ten aanzien van de grenzen van de Europese Unie, hetgeen ertoe leidt dat mensen die op zoek zijn naar een veilig heenkomen in Europa, meer risico nemen wat vervolgens op de route naar Europa tot een verhoging van het aantal doden te land en ter zee tot gevolg heeft; betreurt in dit verband de dood en verdwijning tot dusverre van meer dan 25 000 mensen op de Middellandse Zee, waarvan ten minste 3 771 in 2015, wat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie de migratieroute naar Europa tot de gevaarlijkste ter wereld maakt;

32.  benadrukt de noodzaak dat de Europese Unie elk migratiebeleid, met inbegrip van de grensbewaking, baseert op een coherente en geharmoniseerde aanpak die de mensenrechten, in overeenstemming met haar internationale verplichtingen, als uitgangspunt neemt; veroordeelt in dit verband het "Khartoum-proces", waarbij op het gebied van "migratiebeheer" met name wordt samengewerkt met de regimes van Eritrea en Sudan; roept de lidstaten van de Europese Unie er nogmaals toe op uitvoering te geven aan de clausules van democratie en mensenrechten in alle internationale overeenkomsten, ongeacht de aard van deze overeenkomsten, en toe te zien op de eerbiediging van de mensenrechten in hun eigen binnen- en buitenlandse beleid, om te voorkomen dat de positie Unie haar positie binnen de Mensenrechtenraad en alle andere internationale fora voor de mensenrechten anders ondermijnt;

33.  verzoekt de delegatie van de Europese Unie en die van haar lidstaten de internationale gemeenschap ertoe te brengen legale en veilige toegangsmogelijkheden te creëren voor migranten en asielzoekers, met name door humanitaire visa te verstrekken en hervestigingsplaatsen aan te bieden; spoort de lidstaten van de Unie hieraan dringend invulling te geven;

Mensenrechten en milieu

 

34.  hecht voorts buitengewoon veel belang aan het punt van mensenrechten en milieu en meent dat dit nauw verweven is met het recht van volkeren om over hun eigen hulpbronnen en grond te beschikken en een leefbaar milieu in stand te houden; acht daarom de ratificering en tenuitvoerlegging door allen van het Kyotoprotocol en van andere internationale verdragen die de uitoefening van deze rechten mogelijk maken, fundamenteel;

35.  is het eens met de opvatting van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN die de door de mens veroorzaakte klimaatverandering vergelijkt met het door een pyromaan in brand steken van zijn eigen huis; is van mening dat de in het kader van de in Parijs gehouden COP 21 gesloten akkoorden tekortschieten om aan de klimaatverandering een einde te maken en de sociale en ecologische rechten van volkeren te waarborgen; verzoekt de delegatie van de Unie en de vertegenwoordigers van de lidstaten binnen de Mensenrechtenraad het voorstel te steunen voor de oprichting van een internationaal milieutribunaal onder auspiciën van de Verenigde Naties, en te werken aan de invoering van een juridisch bindend instrument om de meest vervuilende staten en ondernemingen te bestraffen;

36.  wijst erop dat 17,5 miljoen mensen in 2014 ontheemd raakten ten gevolge van door klimaatproblemen veroorzaakte rampen; merkt op dat deze ontheemden vooral te vinden zijn in de gebieden in het zuiden, die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering; wijst erop dat 85 % van die ontheemden zich in ontwikkelingslanden bevinden, voornamelijk binnen één land of binnen delen van landen; merkt op dat de EU-lidstaten in het kader van de millenniumontwikkelingsdoelstellingen hebben toegezegd 0,7 % van het bbp toe te wijzen aan de financiering van ontwikkelingshulp; betreurt het dat talrijke lidstaten van de Unie de doelstelling om 0,7 % van hun bni aan ontwikkelingshulp te besteden, niet hebben verwezenlijkt en dat sommige het voor ontwikkelingshulp bestemde percentage hebben verlaagd; betreurt het dat lidstaten hun deelname aan voedselhulpprogramma's hebben beperkt; verzoekt de Unie en de lidstaten hun hulp in de vorm van giften te verstrekken en niet in de vorm van leningen, teneinde de schuldenlast niet te verzwaren; verzoekt met klem dat ontwikkelingshulp niet wordt geïnstrumentaliseerd voor het beperken van het aantal migranten, voor het bewaken van de grenzen of voor het waarborgen van de terugname van migranten;

37.  onderstreept dat volgens de Verenigde Naties tussen nu en 2050 naar schatting 200 miljoen mensen ontheemd zullen raken als gevolg van het klimaatomstandigheden; benadrukt de noodzaak van een wereldwijde aanpak voor de oplossing van problemen in verband met klimaatverandering, armoede, exploitatie en toegang tot hulpbronnen, alsook voor de bestrijding van roof van land en rijkdommen door de multinationale ondernemingen, teneinde de ontwikkeling en de toegang van volkeren tot elementaire goederen, rechten en diensten mogelijk te maken; verzoekt de delegatie van de Unie binnen de Mensenrechtenraad en de vertegenwoordigers van de lidstaten actief deel te nemen aan het debat over het begrip "klimaatvluchteling", teneinde tot een op grond van het internationaal recht juridisch bindende definitie te komen;

Zelfbeschikkingsrecht van volkeren en mensenrechtensituaties die de aandacht van de Mensenrechtenraad vereisen

 

38.  beklemtoont opnieuw het onvervreemdbare recht van volkeren op zelfbeschikking en het kiezen van hun eigen politieke, economische en sociale koers zonder inmenging van buitenaf; vraagt de Europese Unie en haar lidstaten om dit recht tijdens de zittingen van de Mensenrechtenraad in 2016 zonder voorbehoud te verdedigen en het huidige beleid los te laten; spreekt daarnaast zijn afkeuring uit over de sancties die de EU en de VS aan derde landen opleggen om, los van de humanitaire situatie in die landen, hun economische en geopolitieke belangen te beschermen;

39.  geeft opnieuw uiting aan zijn bezorgdheid over de verslechtering - in verscheidene opzichten en op verschillende niveaus, in de gehele wereld en dus ook binnen de Europese Unie - van de situatie van voorvechters van de mensenrechten en activisten, organisaties en instellingen op dit gebied, alsook journalisten;

40.  benadrukt het belang van eerbiediging van de fundamentele rechten van inheemse volkeren en stammen, zoals vastgelegd in Verdrag nr. 169 van de Internationale Arbeidsorganisatie;

41.  is bijzonder verontrust over de verslechtering van de humanitaire en veiligheidssituatie in Syrië als gevolg van de bezetting van een belangrijk deel van het grondgebied door de organisatie Islamitische Staat; spreekt opnieuw zijn krachtige veroordeling uit van de systematische schending van mensenrechten door de terreurorganisaties; is ook bijzonder verontrust over de schending van de mensenrechten door het Syrische regime, met name de inbreuken op de vrijheid van meningsuiting, de willekeurige opsluitingen en de repressie van mensenrechtenactivisten; onderstreept dat het conflict verhevigd is door de wapenhandel en de wapenleveranties; veroordeelt met klem de verschillende westerse interventies van de afgelopen jaren, die tot dramatisch gevolg de radicalisering van personen hebben gehad, met name in het Midden-Oosten en in de zuidelijke buurlanden; is sterk gekant tegen de rechtstreekse en onrechtstreekse steun die de Verenigde Staten, de Europese Unie, de NAVO en de Golf-monarchieën aan terreurgroeperingen hebben verstrekt en blijven verstrekken; is ingenomen met de inspanningen met het oog op een politieke dialoog onder leiding van de Verenigde Naties om uit de politieke crisis van het land te komen en onderstreept dat om doeltreffend te zijn ook de leden van de vreedzame oppositie van het Syrische regime aan deze dialoog moeten deelnemen;

42.  constateert dat de toestand van de mensenrechten in Iran nog steeds zorgwekkend is; veroordeelt de repressie van vreedzame demonstranten en dissidenten, waaronder studenten, academici, mensen- en vrouwenrechtenactivisten, juristen, journalisten, bloggers en geestelijken, die in dit land schering en inslag is; benadrukt de cruciale rol van de internationale gemeenschap voor het waarborgen van de vrede; toont zich bezorgd over het aantal politieke gevangenen en gewetensgevangenen, het onveranderd hoge aantal terechtstellingen (ook van minderjarigen), de folteringen, oneerlijke processen en buitensporig hoge borgsommen, en de ernstige beperkingen van de vrijheid van informatie, meningsuiting, vergadering, godsdienst en onderwijs en de vrijheid om te reizen;

43.  is ingenomen met het feit dat er op 8 november 2015 in Myanmar/Birma vrije verkiezingen zijn gehouden, wat voor het land een belangrijke mijlpaal in de overgang naar een democratie vormt; blijft evenwel bezorgd over het grondwettelijk kader voor deze verkiezingen, dat voorschrijft dat 25 % van de parlementszetels bestemd is voor het leger; erkent dat er vooruitgang is geboekt wat de mensenrechten betreft, maar wijst op een aantal nog steeds bestaande tekortkomingen, met name ten aanzien van de rechten van minderheden en de vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering; veroordeelt de discriminatie jegens de Rohingya, die nog verergerd wordt door het feit dat deze gemeenschap geen wettelijke status heeft, en door de toenemende haatzaaiende uitlatingen tegen niet-boeddhisten; dringt aan op een grondig, transparant en onafhankelijk onderzoek naar alle berichten van mensenrechtenschendingen jegens de Rohingya en is van mening dat de vier door het parlement in 2015 aangenomen wetten "ter bescherming van ras en religie" discriminerende aspecten bevatten wat geslacht betreft; herhaalt zijn verzoek om het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) toestemming te verlenen een kantoor in het land te openen;

44.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de onthullingen in het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten over de mensenrechtensituatie in Oekraïne; veroordeelt de aanhoudende schending van het internationale recht en de mensenrechten door alle partijen verwikkeld in het oorlogsconflict in het oostelijk deel van het land, waaronder de gedwongen verdwijningen, willekeurige opsluitingen, folteringen en de mishandeling van personen die verdacht worden van inbreuk op de territoriale integriteit, terrorisme of voorstander te zijn van de "Volksrepubliek Donetsk" en de Volksrepubliek Loehansk"; spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het feit dat het politie- en veiligheidspersoneel in hoge mate straffeloos kan handelen; veroordeelt krachtig het verbod van de communistische partij van Oekraïne dat door het administratief tribunaal van het district Kiev is uitgesproken; spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over de aanvallen op de vrijheid van meningsuiting en op de democratische politieke partijen in Oekraïne; verzoekt de delegatie van de Europese Unie bij de Mensenrechtenraad, alsook de vertegenwoordigers van de lidstaten, om de ernstige aanval op de democratie in het land met kracht te veroordelen; is verontrust over de sociale situatie in Oekraïne waar, volgens het ministerie van Sociaal Beleid van het land, tussen 20 % en 25 % van de Oekraïense huishoudens in armoede is vervallen als gevolg van het huidige regeringsbeleid;

45.  uit zijn ernstige verontrusting over het huidige conflict in Zuid-Sudan; roept op tot een onmiddellijk staakt-het-vuren tussen beide partijen en spreekt zijn steun uit voor een neutrale bemiddeling om zo snel mogelijk tot een akkoord te komen; dringt aan op meer humanitaire steun voor de burgerbevolking die door het geweld vastzit en of het gebied ontvlucht; verzoekt de EU en haar lidstaten het beginsel van non-refoulement na te leven door hun grenzen open te stellen voor vluchtelingen die de crisis in Zuid-Sudan ontvluchten; verzoekt eveneens om een internationaal engagement om een einde te maken aan alle leveranties van wapens en militaire uitrusting aan Zuid-Sudan en alle uitvoer van wapens naar de regio te beëindigen;

46.  is verontrust over de crisissituatie waarin de Centraal-Afrikaanse Republiek sinds 2003 verkeert; betuigt nogmaals zijn deelneming met de families van de slachtoffers van deze conflicten; spreekt opnieuw zijn steun uit voor de onafhankelijkheid, eenheid en territoriale integriteit van de CAR; herhaalt zijn steun aan het staakt-het-vuren dat onderdeel is van het akkoord van Brazzaville, de uitvoering van het ontwapenings-, demobilisatie- en verzoeningsproces, de aanstaande pluralistische en transparante parlements- en presidentsverkiezingen, alsook aan concrete maatregelen ter bescherming van de mensenrechten; wijst op het belang van het zelfbestemmingsrecht van de bevolking zonder inmenging van buitenaf; verzoekt om de spoedige terugtrekking van Franse strijdkrachten uit de DRC en de sluiting van vaste buitenlandse militaire bases op haar grondgebied; roept op tot een versterkte controle door de strijdkrachten van de Verenigde Naties, alsook een grondig, onpartijdig en transparant onderzoek naar de berichten over misbruik en misdrijven; is in het bijzonder bezorgd over de voornemens van transnationale ondernemingen in de DRC, met name de bedrijven die actief zijn op het gebied van winning van edelstenen en hout; herinnert aan het onvervreemdbare recht van volkeren om over hun bodemschatten te beschikken en de verplichting van ondernemingen het internationale recht in acht te nemen; onderstreept het belang voor de Unie en haar lidstaten, om zich met name binnen de Mensenrechtenraad ten volle in te zetten voor de ontwikkeling door de Verenigde Naties van een bindend instrument ten aanzien van ondernemingen die de mensenrechten niet eerbiedigen;

47.  uit zijn tevredenheid over het belang dat aan Haïti wordt toegekend op de 31e zitting van de Mensenrechtenraad; betreurt de nog steeds dramatische humanitaire situatie in het land en het feit dat de door orkanen in 2010 veroorzaakte schade nog steeds niet is hersteld; benadrukt dat de extreme armoede van het land de vernietigende gevolgen van de natuurrampen nog heeft verergerd en heeft geleid tot de ergste humanitaire crisis van de afgelopen decennia; spreekt opnieuw zijn afkeuring uit over de regeling die Frankrijk en internationale instellingen (het IMF voorop) Haïti hebben opgelegd ter aflossing van de kolossale schuld van het land, terwijl zij juist verantwoordelijkheid dragen voor de onderontwikkeling van Haïti; begroet de betoonde internationale solidariteit om Haïti te helpen, in de allereerste plaats de solidariteit uit de regio, onder meer blijkend uit: het zenden door Cuba van artsen en gespecialiseerd personeel die tienduizenden mensen hebben ingeënt tegen cholera, de financiële steun die Haïti heeft ontvangen uit het humanitaire fonds van de ALBA, de voortdurende energiesteun van Petrocaribe en het opzetten van een speciaal plan voor rechtstreekse brandstoflevering voor voertuigen ingezet bij humanitaire hulpverlening, de landbouwinitiatieven voor voedselverstrekking en productieprogramma's, en de herbebossingscampagne; eist een onderzoek naar de reden waarom bepaalde steun uit onder meer de Europese Unie, nooit op Haïti is aangekomen, alsmede onderzoek naar de doelmatigheid van het hulpverdelingsnetwerk; verlangt ook een staat van de daadwerkelijk uitbetaalde hulpbedragen;

48.  onderstreept het belang van de besprekingen in de Mensenrechtenraad over de crisis in Burundi; betoont zich uiterst verontrust over de situatie in het land en waarschuwt voor de rampzalige gevolgen die hieruit voor de hele regio kunnen voortvloeien; dringt aan op naleving van het pact inzake veiligheid, stabiliteit en ontwikkeling in het Grote Merengebied en het protocol inzake non-agressie en wederzijdse verdediging; is van mening dat de huidige crisis uitsluitend kan worden opgelost door middel van een politieke dialoog op nationaal en regionaal niveau en in geen geval als voorwendsel mag dienen voor een nieuwe militaire interventie in de regio; is van mening dat de problemen in Burundi uitsluitend kunnen worden opgelost door te waarborgen dat alle burgers dezelfde rechten genieten, door het hoofd te bieden aan de problemen in verband met de controle over vruchtbare landbouwgrond, werkloosheid en armoede, door de strijd aan te gaan met corruptie, armoede, ongelijkheden en discriminatie, en door sociale, politieke en economische hervormingen te bevorderen, teneinde een vrije, democratische en stabiele staat te creëren;

49.  betreurt dat de toestand in Latijns-Amerika en met name in Honduras en Paraguay niet op de agenda van de zitting is gezet; wenst dat de mensenrechtensituatie in Honduras en Paraguay sinds de staatsgrepen in deze landen nauwlettend wordt gevolgd en dat alles in het werk wordt gesteld om de democratie en de rechtsstaat in deze landen te herstellen; roept de delegaties van de EU en de lidstaten op te ijveren voor een veroordeling van de staatsgrepen, de "de facto" regeringen niet te erkennen en te eisen dat de schuldigen voor de rechter worden gebracht; vraagt eveneens dat er een onderzoek wordt gevoerd naar de pogingen tot staatsgrepen in andere Latijns-Amerikaanse landen (zoals Ecuador en Venezuela) en dat wordt uitgezocht wie daarvoor verantwoordelijk was en welke rol derde landen hebben gespeeld;

50.  betreurt evenzeer dat de mensenrechten in Mexico op deze zitting niet aan de orde zullen worden gesteld, ondanks het feit dat de verdwijningen en standrechtelijke executies, die ook een groot aantal vrouwen het leven heeft gekost, hand over hand toenemen en de hand van de regering hierin is aangetoond; is zeer bezorgd over het klimaat van straffeloosheid in Mexico, waar ruim 22 000 mensen zijn verdwenen, van wie meer dan de helft in de afgelopen paar jaar, maar waar 98 % van de misdrijven onbestraft blijven; veroordeelt de criminalisering en onderdrukking van studenten, journalisten, activisten, boerenleiders en vakbondsleiders, die soms simpelweg verdwijnen of worden vermoord; verzoekt de delegaties van de EU en de lidstaten om zich op de 31e zitting te scharen achter het verzoek van de ngo's aan de aanklager van het Internationaal Strafhof en het Tribunaal van Den Haag om bijzondere aandacht te besteden aan de misdaden in Mexico en eventueel een internationaal onderzoek te starten;

51.  betreurt het evenzeer dat de mensenrechten in Turkije niet op de agenda staan; veroordeelt met name de uitholling van de democratie in dit land en de steeds grotere druk die wordt uitgeoefend op verdedigers van de democratie, volksvertegenwoordigers, politieke activisten, vakbondsleiders, journalisten, mensenrechtenactivisten en kunstenaars; stelt vast dat deze onderdrukking met name de Koerden betreft, gezien het feit dat de Turkse regering een echt gewapend offensief leidt dat niet alleen tegen politieke leiders maar ook tegen de burgerbevolking gericht is; vraagt de delegatie van de Unie om erop toe te zien dat deze kwestie tijdens de 31e zitting van de Mensenrechtenraad aan bod komt en dat er uitdrukkelijke steun komt voor de hervatting van de gesprekken over het vredesproces;

52.  onderstreept het belang om, tijdens de zitting van de Mensenrechtenraad in 2016, de kwestie Djibouti te behandelen, waar de repressie van politieke activisten en verenigingen toeneemt, met meer dan 300 willekeurige aanhoudingen tussen oktober en december 2015; verzoekt de delegatie van de EU en die van haar lidstaten een onmiddellijk einde aan de repressie te verlangen en de invrijheidstelling van alle politieke gevangenen, met name degene die onder hen het langst vastgehouden wordt, Mohamed Ahmed bijgenaamd Jabha, en Omar Ali Ewado, oprichter van de Djiboutiaanse mensenrechtenliga en vraagt om de instelling van een internationaal onderzoek, onder leiding van de Verenigde Naties, naar de bloedbaden van Buldhuqo (december 2015) en Arhiba (december 1991), alsook naar de andere grootschalige misdrijven in het land, zodat de verantwoordelijken vervolgd en berecht worden;

53.  uit zijn tevredenheid over de speciale aandacht die de afgelopen jaren door de Mensenrechtenraad is besteed aan de mensenrechtensituatie in Palestina en in de andere bezette Arabische gebieden, met name aan het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk en het recht om een onafhankelijke en levensvatbare staat op richten langs de grenzen van 1967; moedigt de delegatie van de Unie krachtig aan elke vorm van kolonialisme te veroordelen, met name in Palestina, de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem, waar het gestaag toeneemt; veroordeelt evenzeer het geweld van de kolonisten tegen de Palestijnse bevolking, in het bijzonder in Hebron, en het plan tot gedwongen verplaatsing van bedoeïenen;

54.  herinnert aan het belang van het verslag van de Verenigde Naties over de mensenrechtensituatie in de Palestijnse gebieden, waarin geprotesteerd wordt tegen het feit dat "het beleid van Israël op de Westelijke Jordaanoever en de Gaza-strook tot apartheid lijkt te leiden wegens de systematische verdrukking van het Palestijnse volk en de de facto-onteigening van hun gronden"; hekelt de schending door de Israëlische troepen van de fundamentele rechten van Palestijnen, de etnische zuivering in Oost-Jeruzalem, alsook de poging van de Israëlische autoriteiten om de stad Jeruzalem zich toe te eigenen door deze Joods te maken; betreurt het feit dat Israël de speciale rapporteur van de Verenigde Naties de toegang tot de bezette Palestijnse gebieden steeds verbiedt, wat hem in januari 2016 heeft doen besluiten ontslag te nemen, en vraagt de delegatie van de Unie bij de Mensenrechtenraad en de vertegenwoordigers van de lidstaten om druk uit te oefenen op de Israëlische autoriteiten zodat het mandaat van de Verenigde Naties kan worden uitgevoerd;

55.  veroordeelt de situatie van Palestijnse gevangenen in Israëlische gevangenissen; roept de staat Israël op onmiddellijk een einde te maken aan de praktijk van massale opsluiting, die in 2015 nog meer toegepast is, met meer dan 6 000 gevangengehouden personen, van wie een groot deel minderjarig is; veroordeelt evenzeer de buitengerechtelijke executies, de administratieve detenties, de overbrenging van politieke gevangenen naar buiten de bezette gebieden waardoor ze geen familiebezoek meer kunnen ontvangen, mishandeling, foltering en de voeding onder dwang van gevangenen, het ontzeggen van adequate en tijdige medische verzorging, aangezien dit evenzovele schendingen zijn van het internationale recht; herhaalt zijn veroordeling van alle vormen van foltering en slechte behandeling; vraagt Israël onmiddellijk de naleving van het VN-Verdrag tegen foltering, waarbij het land partij is, te garanderen; hekelt de detentie en de slechte behandeling van kinderen en eist dat opgesloten vrouwen en kinderen onmiddellijk worden vrijgelaten; protesteert tegen de behandeling van kinderen door Israëlische rechtbanken; verzoekt eveneens de onmiddellijke vrijlating van de gevangengehouden Palestijnse parlementsleden, met name Khalida Jarrar en Marwan Barghouti;

56.  is onder meer bijzonder verontrust over de beperking van de burgerlijke en politieke vrijheden in Israël, met name als gevolg van de verschillende wetten betreffende ngo's, die inbreuk maken op de vrijheden van vereniging, vergadering en organisatie; hekelt evenzeer de toegenomen discriminatie van minderheden in het land, met name de "Arabische" minderheid;

57.  betreurt het dat het vraagstuk van de Westelijke Sahara niet op de agenda van de zittingen in 2016 is gezet; benadrukt opnieuw dat het conflict in de Westelijke Sahara een zaak is van dekolonisering en dat het koninkrijk Marokko volgens het internationale recht geen enkele aanspraak kan maken op de Westelijke Sahara en beschouwd moet worden als een bezetter; veroordeelt de aanhoudende schendingen van de grondrechten van de Sahrawi; dringt erop aan dat de grondrechten van de bevolking van de Westelijke Sahara, waaronder de vrijheid van vereniging, meningsuiting en betoging, worden beschermd; verlangt de onmiddellijke vrijlating van alle politieke gevangenen van het Sahrawivolk en op korte termijn de vrijlating van de leden van de groep Gdeim Izik die door het Marokkaanse militaire tribunaal veroordeeld zijn; herhaalt zijn oproep aan Spanje om asiel te verlenen aan de jonge Sahrawi Hassana Aalia, die in zijn rechtszaak tot levenslang veroordeeld is; benadrukt dat internationaal toezicht moet komen op de mensenrechtensituatie in de Westelijke Sahara; dringt er bij Marokko en het Polisario-front op aan om de onderhandelingen met het oog op een vreedzame en duurzame oplossing van het conflict in de Westelijke Sahara voort te zetten en herhaalt andermaal dat de Sahrawi recht op zelfbeschikking hebben in de vorm van een democratisch referendum in overeenstemming met resoluties 34/37 en 35/19 van de Verenigde Naties;

 

°

° °

 

58.  geeft zijn delegatie voor de 31e, 32e en 33e zitting van de Mensenrechtenraad een mandaat om de in deze resolutie vermelde punten van zorg aan de orde te stellen; verzoekt de delegatie om na afloop van zijn mandaat verslag uit te brengen aan de Subcommissie mensenrechten en acht het van belang om een delegatie van het Europees Parlement naar de zittingen van de Mensenrechtenraad te blijven sturen;

59.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid /vicevoorzitter van de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de voorzitter van de Algemene Vergadering, de voorzitter van de VN-Raad voor de rechten van de mens, de Hoge Commissaris van de VN voor de rechten van de mens en de Werkgroep EU-VN opgericht door de Commissie buitenlandse zaken.

Juridische mededeling - Privacybeleid