Procedure : 2015/3034(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0060/2016

Ingediende teksten :

B8-0060/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 21/01/2016 - 8.4
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 170kWORD 62k
14.1.2016
PE575.962v01-00
 
B8-0060/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de toepassing van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (2015/3034(RSP))


Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de toepassing van artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (2015/3034(RSP))  
B8-0060/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de terrorismebestrijdingsstrategie van de Europese Unie,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 juni 2015 over de vernieuwde interneveiligheidsstrategie voor de Europese Unie 2015-2020,

–  gezien artikel 42, lid 7, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 222 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en de vaststelling van de regeling voor de toepassing ervan bij Besluit van de Raad 2014/415/EU,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de nacht van vrijdag 13 november 2015 een reeks vrijwel gelijktijdige aanvallen heeft plaatsgehad in Parijs, met als gevolg 130 doden en 368 gewonden;

B.  overwegende dat de terroristische groep Islamitische Staat de verantwoordelijkheid voor deze aanvallen heeft opgeëist en heeft gewaarschuwd dat in de toekomst meer aanvallen zullen volgen;

C.  overwegende dat met het Verdrag van Lissabon artikel 42, lid 7, van het VEU ("clausule inzake wederzijdse defensie") en artikel 222 van het VWEU ("solidariteitsclausule") zijn ingevoerd, om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van de lidstaten op het gebied van veiligheid;

D.  overwegende dat er zeven jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon nog steeds geen regeling is om de clausule inzake wederzijdse defensie van artikel 42, lid 7, toe te passen;

E.  overwegende dat president Hollande op maandag 16 november 2015 tijdens een gezamenlijke zitting van beide kamers van het parlement in Versailles heeft verklaard dat Frankrijk in oorlog is en verrassend heeft verwezen naar artikel 42, lid 7, van het VEU;

F.  overwegende dat in artikel 42, lid 7, van het VEU wordt bepaald: "Indien een lidstaat op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen, rust op de overige lidstaten de plicht deze lidstaat met alle middelen waarover zij beschikken hulp en bijstand te verlenen"; overwegende dat voor het eerst in de geschiedenis naar deze clausule is verwezen;

G.  overwegende dat de EU-ministers van Defensie tijdens de vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken van 17 november 2015 hun unanieme en volledige steun hebben uitgesproken voor Frankrijk en hebben aangeven bereid te zijn Frankrijk alle nodige steun en bijstand te verlenen;

H.  overwegende dat de Franse president door te kiezen voor een verwijzing naar artikel 42, lid 7, van het VEU in plaats van naar artikel 222 van het VWEU (de solidariteitsclausule van de EU) een louter intergouvernementele oplossing heeft verkozen (artikel 42, lid 7, van het VEU) boven een grotere betrokkenheid van de EU-instellingen (artikel 222 van het VWEU);

I.  overwegende dat de recente terroristische aanvallen op het grondgebied van de EU duidelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een gebrek aan informatiedeling en van ernstige tekortkomingen op het gebied van samenwerking en coördinatie tussen de Europese inlichtingendiensten;

J.  overwegende dat de EU nog steeds coherente en effectieve strategieën ontbeert voor de bestrijding van de diepere oorzaken van radicalisering, namelijk werkloosheid, vooral bij jongeren, onwetendheid en sociale uitsluiting, zowel binnen als buiten de EU; merkt op dat er naast dit gebrek aan erkenning van de diepere oorzaken van radicalisering ook een gebrek is aan consistentie in het buitenlands beleid van de EU ten aanzien van deze landen, dat te mild is voor extremistische moslimgroepen en voor de medestanders en donors hiervan;

K.  overwegende dat de respons op extremistisch geweld gericht, proportioneel en wettelijk moet zijn om echt doeltreffend te zijn en dat daarom elk optreden volledig moet voldoen aan het VN-Handvest, het EU-Handvest van de en het internationale recht;

1.  veroordeelt in de meest krachtige bewoordingen de weerzinwekkende door Islamitische Staat uitgevoerde terroristische aanvallen; spreekt zijn diepste medeleven, solidariteit en deelneming uit met alle slachtoffers van terreuraanvallen en hun families;

2.  neemt kennis van het verzoek van Frankrijk om artikel 42, lid 7, van het VEU te activeren, het militaire karakter van dit artikel en de louter intergouvernementele implicaties ervan;

3.  is op basis van zijn absolute weigering om Islamitische Staat te erkennen als soevereine staat, van mening dat de aanvallen in Parijs, ondanks het extreem ernstige karakter ervan, niet mogen worden beschouwd als een militaire aanval die in het toepassingsgebied valt van artikel 42, lid 7, van het VEU;

4.  is tevreden met het unanieme besluit van de EU-ministers van Defensie om Frankrijk na de aanvallen van 13 november 2015 in Parijs te steunen; is evenwel van mening dat de activering van artikel 42, lid 7, van het VEU in plaats van de solidariteitsclausule van artikel 222 van het VWEU, die specifiek bedoeld is voor het geval van een "terroristische aanval", een gemiste kans is, omdat door de activering van laatstgenoemd artikel de EU-instellingen bij de zaak zouden zijn betrokken, hetgeen de coördinatie en de informatie-uitwisseling op EU-niveau zou hebben bevorderd;

5.  benadrukt het feit dat de strijd tegen terrorisme eerst en vooral de aanpak vereist van de onderliggende oorzaken die tot geweld en radicalisering leiden en dus beleid vereist dat gericht is op de ontwikkeling van de sociale cohesie, inclusiviteit, dialoog, tolerantie en begrip tussen verschillende culturen en religies, alsmede een grotere consistentie en coherentie van het EU-beleid inzake buitenlandse betrekkingen met derde landen;

6.  herhaalt ervan overtuigd te zijn dat alleen een politieke oplossing van de crisis in Irak, Syrië, Jemen en Libië de activiteiten van extremistische groepen kan ondermijnen, terwijl militaire interventies vaak het potentieel hebben de situatie te verscherpen en de radicaliseringsprocessen te versterken;

7.  dringt er bij de lidstaten op aan de informatiedeling en operationele samenwerking op het gebied van inlichtingen op te voeren, door de nationale databanken aan elkaar te koppelen en bestaande kaders als Europols applicatie voor veilige informatie-uitwisseling (Secure Information Exchange Network Application, SIENA) ten volle te benutten en door maximaal gebruik te maken van andere platforms en diensten van Europol;

8.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de Raad praktische regelingen en richtsnoeren voor te stellen om te bepalen hoe de toepassing moet worden geregeld van de clausule inzake wederzijdse defensie, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42, lid 7, van het VEU, waarbij met name een verduidelijking vereist is van de betekenis van de term "militaire aanval", de omstandigheden waarin het artikel van toepassing is in plaats van de solidariteitsclausule van artikel 222 van het VWEU en de rol die moet worden gespeeld door de EU-instellingen;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de secretaris-generaal van de VN.

Juridische mededeling - Privacybeleid