Ontwerpresolutie - B8-0062/2016Ontwerpresolutie
B8-0062/2016

ONTWERPRESOLUTIE over het vredesproces in Colombia

14.1.2016 - (2015/3033(RSP))

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid
ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement

Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie

Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0041/2016

Procedure : 2015/3033(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus :  
B8-0062/2016
Ingediende teksten :
B8-0062/2016
Debatten :
Aangenomen teksten :

B8-0062/2016

Resolutie van het Europees Parlement over het vredesproces in Colombia

(2015/3033(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, over de overeenkomst van 24 september 2015 inzake overgangsrechtspraak in Colombia,

–  gezien de benoeming van een speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie voor het vredesproces in Colombia op 1 oktober 2015,

–  gezien de verklaring van VV/HV Federica Mogherini over de overeenkomst van 16 december 2015 over slachtoffers van het conflict in Colombia,

–  gezien de EU-Celac-top die op 10 en 11 juni 2015 in Brussel plaatsvond en de Verklaring van Brussel,

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 november 2015 over de steun van de EU voor overgangsrechtspraak,

–  gezien het pleidooi van de EU om een trustfonds op te zetten voor de post-conflictfase in Colombia, zodat het land is voorbereid wanneer een akkoord wordt bereikt,

–  gezien het communiqué van de regering en de FARC over de overeenkomst inzake overgangsrechtspraak van 23 september 2015,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Colombiaanse regering en de grootste linkse rebellengroepering van het land, de Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC), proberen om het gewapende conflict dat zich reeds vijf decennia voortsleept, te beëindigen, en in november 2012 formele vredesbesprekingen zijn begonnen in de Cubaanse hoofdstad Havana;

B.  overwegende dat er een overeenkomst is bereikt over enkele onderwerpen, met inbegrip van overeenkomsten over de teruggave van land, politieke participatie en drugshandel, en overwegende dat de partijen zichzelf een deadline hebben opgelegd om een definitief document te ondertekenen, te weten 23 maart 2016; overwegende dat dit definitieve akkoord in een referendum aan de Colombiaanse bevolking zal worden voorgelegd;

C.  overwegende dat meer dan 220 000 mensen in het gewapende conflict zijn omgekomen, terwijl 45 000 personen, van wie 80 % burgers, worden vermist, en overwegende dat miljoenen mensen in eigen land als gevolg van het geweld ontheemd zijn geraakt en velen tijdens het conflict zijn ontvoerd, bedreigd of verwond door landmijnen; overwegende dat Colombia na Afghanistan het meest door landmijnen getroffen land ter wereld is, aangezien landmijnen gedurende de afgelopen 15 jaar meer dan 11 000 mensen hebben gedood of verwond;

D.  overwegende dat niet al het geweld door FARC-rebellen is veroorzaakt, daar veel moorden werden gepleegd door rechtse paramilitaire bewegingen die aanvankelijk in het leven werden geroepen om de FARC te bestrijden; overwegende dat criminele bendes die vechten over de controle van de cocaïneproductie in Colombia eveneens een toenemende bedreiging vormen;

E.  overwegende dat de partijen op dinsdag 15 december 2015 een overeenkomst hebben getekend over de moeilijke vraag hoe de slachtoffers van meer dan vijftig jaar vechten moeten worden erkend en gecompenseerd; overwegende dat het akkoord voorziet in compensatie voor de slachtoffers en in de opzet van een integraal systeem voor waarheid, gerechtigheid, schadeloosstelling en niet-herhaling, dat een kader moet bieden voor de tenuitvoerlegging van dit akkoord en van het vorige akkoord van 23 september inzake de slachtoffers, met inbegrip van een overeenkomst om een waarheidscommissie op te zetten om vast te stellen wie welke wreedheden heeft begaan, evenals speciale rechtbanken om de daders te berechten, en een plechtige belofte van beide zijden om vermisten op te sporen;

F.  overwegende dat in het akkoord van 23 september wordt bepaald dat strijders in het conflict die bekennen zich schuldig te hebben gemaakt aan ernstige delicten "vrijheidsbeperkende" straffen van vijf tot acht jaar zullen krijgen opgelegd; overwegende dat strijders, om hiervoor in aanmerking te komen, zich gedurende hun straf zullen moeten inzetten voor maatschappelijke rehabilitatie - door middel van werk, opleiding of studie; overwegende dat degenen die aarzelen om schuld te bekennen gevangenisstraffen van vijf tot acht jaar zullen krijgen opgelegd onder "gewone omstandigheden", terwijl degenen die iedere medewerking weigeren indien zij schuldig worden bevonden tot twintig jaar gevangenisstraf kunnen krijgen;

G.  overwegende dat het akkoord eveneens voorziet in een plechtige belofte van zowel de regering als de guerillatroepen om ervoor te zorgen dat dat het geweld niet terugkeert; overwegende dat het enige resterende onderhandelingspunt de zogenoemde "einde van het conflict-overeenkomst" is, waarin de praktische regelingen moeten worden vastgelegd voor de demobilisatie, ontwapening en re-integratie van de FARC in de Colombiaanse samenleving;

H.  overwegende dat volgens vice-procureur-generaal Jorge Fernando Perdomo zeker 24 000 Colombiaanse overheidsfunctionarissen betrokken zijn bij aan oorlog gerelateerde misdaden en van het akkoord inzake overgangsrechtspraak zouden kunnen profiteren wanneer vrede wordt bereikt met de FARC-rebellen;

I.  overwegende dat Nicolás Rodríguez, de leider van het Nationaal Bevrijdingsleger (Ejército de Liberación Nacional of "ELN") - de op een na grootste rebellenbeweging - op 26 december 2015 verklaarde dat zijn guerillabeweging en de regering overeenstemming hebben bereikt over vredesbesprekingen, teneinde in de toekomst een vredesakkoord te sluiten; overwegende dat de regering, volgens de minister van Binnenlandse Zaken van het land, nog niet heeft ingestemd met vredesbesprekingen met het ELN;

1.  is verheugd over de geboekte voortgang in de richting van een definitieve vredesovereenkomst en prijst in het bijzonder de inspanningen om de slachtoffers centraal te stellen in het vredesproces;

2.  prijst de rol van de landen die bij de besprekingen in Havana garant staan, Cuba en Noorwegen, evenals de rol van de andere ondersteunende (Venezuela en Chili) en begeleidende landen, bij de ondersteuning van het vredesproces;

3.  is ingenomen met het akkoord inzake slachtoffers waarmee een "speciale jurisdictie voor vrede" tot stand wordt gebracht om bekentenissen af te nemen, plegers van oorlogsmisdaden en daden tegen de menselijkheid te proberen te straffen en schadevergoedingen voor slachtoffers vast te stellen, en met het communiqué waarin wordt toegelicht dat veiligheidstroepen in die speciale jurisdictie zullen worden opgenomen;

4.  is niettemin van mening dat er nog veel onduidelijk blijft en dat er nog enkele gevaarlijke potentiële mazen zijn, waaronder:

•  de precieze betekenis van "effectieve vrijheidsbeperking" voor degenen die hun misdaden bekennen;

•  de behandeling van "vals-positieve" mensenrechtenschendingen door militairen;

•  de verantwoordelijkheid van de commandanten;

•  de behandeling van gevangenen die zijn veroordeeld voor "politieke misdaden" en van de gevangenen die worden beschuldigd van drugshandel en gijzelneming;

•  de financiële herstelbetalingen van de FARC voor slachtoffers;

•  de mate waarin personen die "vrijheidsbeperking" opgelegd hebben gekregen kunnen deelnemen aan het politieke leven;

•  de benoeming van rechters bij rechtbanken, en

•  de sancties voor civiele sponsors van paramilitairen;

5.  dringt er bij beide partijen op aan om, vóór de ondertekening van het definitieve akkoord en rekening houdend met de evaluaties van het Internationaal Strafhof en het Inter-Amerikaanse mensenrechtenstelsel, details verder uit te werken en mazen in het akkoord te dichten, teneinde de terreinen waarover nog onduidelijkheid bestaat en die zich het beste lenen voor misbruik, beter te definiëren;

6.  is verheugd over het feit dat de partijen overeen zijn gekomen dat er geen amnestie wordt verleend voor ernstige misdaden, met inbegrip van misdaden tegen de menselijkheid, genocide, ernstige oorlogsmisdaden, foltering, gedwongen ontheemding, gedwongen verdwijningen, buitenrechtelijke executies en seksueel geweld, en prijst dit als een cruciale stap vooruit in de strijd tegen straffeloosheid;

7.  is van mening dat de oprichting van een subcommissie inzake gender om ervoor te zorgen dat bij de onderhandelingen rekening wordt gehouden met het genderperspectief, en de deelname van overlevenden van seksueel geweld en leiders van vrouwenrechtenorganisaties aan de vredesbesprekingen zonder precedent zijn en als inspiratiebron zouden moeten dienen voor andere vredesprocessen in de wereld;

8.  spreekt nogmaals de krachtige politieke steun van de EU voor de vredesbesprekingen in Havana uit, en is verheugd over de door de Commissie toegezegde verhoging van de financiële steun, alsook over het plan om een EU-trustfonds op te zetten om de post-conflictfase in Colombia te ondersteunen; is van mening dat dit trustfonds alleen effectief kan zijn als de EU-lidstaten en andere internationale donoren aanzienlijke financiële middelen ter beschikking stellen en als het primair gericht is op de slachtoffers van het conflict en op programma's voor de tenuitvoerlegging van het vredesakkoord, zoals projecten om landmijnen te verwijderen;

9.  onderstreept de cruciale rol die is weggelegd voor maatschappelijke organisaties in de nasleep van het akkoord; is van mening dat krachtige steun voor lokale maatschappelijke organisaties, met inbegrip van slachtoffer-, gemeenschaps-, religieuze en mensenrechtenorganisaties, de opbouw van vrede zal bevorderen, met name in plattelandsgebieden en afgelegen gebieden van het land;

10.  is van mening dat speciale ondersteuning moet worden geboden aan etnische gemeenschappen die onevenredig veel geleden hebben onder het conflict, in het bijzonder de Afro-Colombianen en inheemse gemeenschappen en personen;

11.  is verheugd over de overeenkomst die is gesloten over de kwestie van illegale drugshandel en het besluit om beleid in te voeren om illegale gewassen te vernietigen en te vervangen; onderstreept dat plannen nodig zijn om plattelandsgemeenschappen te ontwikkelen, met inbegrip van programma's om plattelandsgebieden van landmijnen te ontdoen, en verwelkomt de regelingen waarin ernaar wordt gestreefd telers van illegale gewassen anders te behandelen dan criminele organisaties die betrokken zijn bij andere fasen van de drugshandel, aangezien deze mensen de kans moeten krijgen te re-integreren in de Colombiaanse samenleving; dringt aan op steun voor mensen die te lijden hebben onder de gevolgen van de besproeiingen vanuit de lucht met glyfosaat, een kankerverwekkende stof die wordt gebruikt als belangrijkste ingrediënt voor fumigatie vanuit de lucht;

12.  is van mening dat wanneer een akkoord wordt bereikt de Colombiaanse regering moet werken aan de transitie naar een nieuwe en beperktere rol voor de strijdkrachten; is van mening dat zowel de strijdkrachten als de politie moeten worden opgeleid in technieken die verband houden met het concept van buurtpolitie en eerbiediging van mensenrechten, met een krachtig toezichtsmechanisme;

13.  is van mening dat vrede in Colombia uitsluitend geconsolideerd kan worden indien eveneens een akkoord wordt bereikt met het ELN; dringt er bij de partijen op aan manieren te vinden om voorgang te boeken bij de besprekingen en officiële onderhandelingen te beginnen;

14.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de regering en het Congres van Colombia.