Procedure : 2016/2529(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0161/2016

Ingediende teksten :

B8-0161/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/02/2016 - 8.10
CRE 04/02/2016 - 8.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0051

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 308kWORD 104k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0149/2016
27.1.2016
PE576.522v01-00
 
B8-0161/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door ISIS (2016/2529(RSP))


Lars Adaktusson, Cristian Dan Preda, Elmar Brok, Andrej Plenković, Antonio Tajani, Michael Gahler, Mariya Gabriel, David McAllister, Michèle Alliot-Marie, Esther de Lange, Kinga Gál, Tunne Kelam, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Lorenzo Cesa, Roberta Metsola, Philippe Juvin, Adam Szejnfeld, Davor Ivo Stier, Therese Comodini Cachia, Barbara Matera namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de stelselmatige massamoord op religieuze minderheden door ISIS (2016/2529(RSP))  
B8-0161/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties van 27 februari 2014 over de situatie in Irak(1), van 18 september 2014 over de situatie in Irak en Syrië, en het IS-offensief, met inbegrip van de vervolging van minderheden(2), met name paragraaf 4, van 27 november 2014 over Irak: ontvoeringen en mishandeling van vrouwen(3), van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS(4), met name paragraaf 27, van 12 maart 2015 over recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da'esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs(5), met name paragraaf 2, van 12 maart 2015 over het jaarverslag inzake mensenrechten en democratie in de wereld in 2013 en het beleid van de Europese Unie ter zake(6), met name de paragrafen 129 en 211, van 12 maart 2015 over de prioriteiten van de EU voor de VN-Mensenrechtenraad in 2015(7), met name de paragrafen 66 en 67, van 30 april 2015 over de vervolging van christenen in de hele wereld, naar aanleiding van de moord op studenten in Kenia door de terreurgroepering Al-Shabaab(8), met name paragraaf 10, en van 30 april 2015 over de vernieling van cultuurgoederen door ISIS/Da'esh(9);

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2006 over de situatie van de vrouw in gewapende conflicten en haar rol in de wederopbouw en het democratische proces in landen die zich in een postconflictsituatie bevinden(10),

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 18 april 2013 over het VN-beginsel van 'verantwoordelijkheid tot bescherming' (Responsibility to Protect, R2P)(11),

–  gezien de conclusies van de Raad van 16 maart 2015 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die uitgaat van ISIL/Da'esh, van 20 oktober 2014 over de ISIL/Da'esh-crisis in Syrië en Irak, van 30 augustus 2014 over Irak en Syrië, van 14 april 2014 en 12 oktober 2015 over Syrië, en van 15 augustus 2014 over Irak,

–  gezien Besluit 2003/335/JBZ van de Raad van 8 mei 2003 inzake opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en oorlogsmisdrijven(12),

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging, de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht, de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van deze groepen, de richtsnoeren voor EU-beleid ten aanzien van derde landen inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, de EU‑richtsnoeren over kinderen en gewapende conflicten, de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van de rechten van het kind en de EU-mensenrechtenrichtsnoeren inzake vrijheid van meningsuiting online en offline,

–  gezien de interventie van de EU tijdens de VN-Mensenrechtenraad van 25 maart 2015 (interactieve dialoog over het rapport van het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten over Irak),

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv) over Irak en Syrië, en gezien haar antwoorden op parlementaire vragen over: 'De genocide van Grieks-orthodoxe christenen in Syrië' (E-004733/2015) van 1 juni 2015; 'Irak – gemartelde en beroofde christenen' (E-004152-15) van 30 juni 2015; 'Vervolging van en genocide op christenen' (P-012721/2015) van 30 oktober 2015; 'Ontvoering van christenen in Syrië' (E-004156-15), en 'De bescherming van christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten' (E-004001/15), die zij tegelijk beantwoordde op 10 november 2015,

–  gezien de verklaring van 27 maart 2015 van Stavros Lambrinidis, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, namens de Europese Unie tijdens het openbaar debat van de VN-Veiligheidsraad over de slachtoffers van aanvallen en misbruik op etnische of religieuze gronden in het Midden-Oosten,

–  gezien Resolutie 60/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 24 oktober 2005 over het slotdocument van de VN-Wereldtop (paragrafen 138 t/m 140), en gezien het rapport van de secretaris-generaal van de VN van 12 januari 2009 over de tenuitvoerlegging van het beginsel van de verantwoordelijkheid tot bescherming,

–  gezien de verklaringen van de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, over Irak en over de verantwoordelijkheid tot bescherming,

–  gezien de briefing door de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor Irak, Ján Kubiš, tijdens de VN-Veiligheidsraad van 11 november 2015,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Navi Pillay, van 25 augustus 2014 over Iraakse burgers die blootstaan aan verschrikkelijke, grootschalige en stelselmatige vervolging,

–  gezien de verklaringen van de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor seksueel geweld in conflictsituaties, Zainab Hawa Bangura, van 15 juli 2014 over Irak – strijders mogen geen seksueel geweld gebruiken voor militair of politiek gewin, en van 3 augustus 2015 over een jaar na de tragedie in Sinjar,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de speciale vertegenwoordiger van de secretaris‑generaal van de VN voor seksueel geweld in conflictsituaties, Zainab Hawa Bangura, en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor Irak, Nickolay Mladenov, van 13 augustus 2014 over Irak – VN-functionarissen roepen op tot de onmiddellijke beëindiging van seksueel geweld tegen Iraakse minderheden,

–  gezien de recente resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Irak en Syrië, en met name Resolutie 2249 (2015) waarin de recente terroristische aanvallen door ISIS worden veroordeeld,

–  gezien Resolutie S-22/1 van 3 september 2014, aangenomen door de VN‑Mensenrechtenraad, over de mensenrechtensituatie in Irak en de Levant in het licht van de wandaden van de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en daaraan gelieerde groeperingen,

–   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en het bijbehorende Facultatief Protocol inzake de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten van 2000,

–  gezien de VN-Verklaring inzake de uitbanning van alle vormen van intolerantie en discriminatie op grond van religie of overtuiging van 1981,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984,

–  gezien het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van de genocide van 9 december 1948,

–  gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof van 26 februari 2007 in de zaak betreffende de toepassing van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Bosnië en Herzegovina tegen Servië en Montenegro), de uitspraak van 2 augustus 2001 door de strafkamer van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sinds 1991 (aanklager tegen Radislav Krstic), en de uitspraak van 19 april 2004 van de kamer van beroep in dezelfde zaak,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof, en met name de artikelen 5 en 8,

–  gezien het analytisch kader, opgezet door het Bureau van de speciale adviseur van de VN inzake de preventie van genocide (OSAPG),

–  gezien de verklaring van 12 augustus 2014 over de situatie in Irak van de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de preventie van genocide, en van de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming,

–  gezien de rapporten van de VN-missie voor bijstand aan Irak (Unami) over de bescherming van burgers bij het gewapende conflict in Irak, die de periodes bestrijken van 11 september t/m 10 december 2014 resp. 11 december 2014 t/m 30 april 2015,

–  gezien het rapport van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over de mensenrechtensituatie in Irak in het licht van de wandaden van de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant en daaraan gelieerde groeperingen van 27 maart 2015, en met name paragraaf 16 over mensenrechtenschendingen door ISIL – aanvallen op religieuze en etnische groepen,

–  gezien het rapport van de speciale rapporteur inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme van 16 juni 2015, met name paragraaf 11,

–  gezien het rapport van de Mensenrechtenraad van zijn 28e zitting op 8 juli 2015, en gezien de standpunten van de Iraakse delegatie, met name paragraaf 746,

–  gezien de verklaring van 13 oktober 2015 over de escalatie van het aanzetten tot geweld in Syrië op religieuze gronden door de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de preventie van genocide en de speciale adviseur van de secretaris‑generaal van de VN inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming,

–  gezien het rapport van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over de verlening van technische bijstand ter bevordering en bescherming van de mensenrechten in Irak van 27 juli 2015, met name paragraaf 18,

–  gezien het rapport van het VN-Mensenrechtencomité van 13 maart 2015, opgesteld op verzoek van de Iraakse regering,

–  gezien het rapport van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie voor de Arabische Republiek Syrië, dat op 13 augustus 2015 in de Mensenrechtenraad werd toegelicht, met name de paragrafen 165 t/m 173,

–  gezien de toespraak van paus Franciscus in Santa Cruz de la Sierra (Bolivia) op 9 juli 2015,

–  gezien het actieplan Parijs van 8 september 2015,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de internationale gemeenschap te veel kwetsbare bevolkingsgroepen in de steek heeft gelaten sinds het beginsel 'verantwoordelijkheid tot bescherming' (R2P) werd aangenomen, zoals ook naar voren kwam in de opmerkingen van de secretaris-generaal van de VN tijdens de informele interactieve dialoog van de Algemene Vergadering over een cruciale en duurzame inzet – de tenuitvoerlegging van het beginsel van de verantwoordelijkheid tot bescherming van 8 september 2015;

B.  overwegende dat genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden, waar en wanneer ze dan ook plaatsvinden, niet ongestraft mogen blijven, en overwegende dat de doeltreffende vervolging daarvan moet worden gewaarborgd met maatregelen op nationaal niveau en betere internationale samenwerking;

C.  overwegende dat oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide een bron van zorg zijn voor alle EU-lidstaten die vastberaden zijn samen te werken om dergelijke misdaden te voorkomen en een einde te maken aan de straffeloosheid van de daders, in overeenstemming met Gemeenschappelijk Standpunt 2003/444/GBVB van de Raad van 16 juni 2003;

D.  overwegende dat volgens de jurisprudentie van het Internationaal Gerechtshof 'de verplichting van een staat om [genocide] te voorkomen en de bijbehorende plicht om te handelen, ontstaat op het moment dat de staat kennis neemt, of normaalgesproken kennis moet hebben genomen van het bestaan van een aanzienlijk risico dat er genocide zal worden gepleegd'(13);

E.  overwegende dat de gewelddadige extremistische ideologie, de terreurdaden, de voortdurende afschuwelijke stelselmatige en wijdverspreide aanvallen op burgers, de mensenrechtenschendingen en schendingen van het internationaal humanitair recht, ook op etnische of religieuze gronden, de vernietiging van cultureel erfgoed en handel in cultuurgoederen van de zogenoemde ISIS/Da'esh een mondiale en ongekende bedreiging van de internationale vrede en veiligheid vormen, zoals wordt onderschreven in Resolutie 2249(2015) van de VN-Veiligheidsraad;

F.  overwegende dat christenen de kwetsbaarste groep in Irak en Syrië zijn op wie de zogenoemde ISIS/Da'esh het continu en stelselmatig gemunt heeft, met het doel ze te vernietigen en hun cultuur te laten verdwijnen in de gebieden die de organisatie in handen heeft; overwegende dat christenen vermoord, afgeslacht, geslagen, afgeperst, ontvoerd en gemarteld zijn; overwegende dat ze tot slaaf zijn gemaakt (voornamelijk vrouwen en meisjes die ook zijn blootgesteld aan andere vormen van seksueel geweld), gedwongen werden zich tot de islam te bekeren en het slachtoffer zijn geworden van gedwongen huwelijken en mensenhandel; overwegende dat er ook kinderen onder dwang zijn gerekruteerd; overwegende dat christelijke kerken en religieuze en culturele plaatsen vernield zijn;

G.  overwegende dat christenen de meest vervolgde religieuze groep ter wereld zijn, en overwegende dat uit statistieken blijkt dat er elk jaar meer dan 150 000 christenen vermoord worden, zoals werd erkend door het Parlement in zijn resolutie van 30 april 2015 over de vervolging van christenen over de hele wereld; overwegende dat de ondervoorzitter van het Parlement, Antonio Tajani, die verantwoordelijk is voor de dialoog met kerken en religieuze gemeenschappen uit hoofde van artikel 17 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, tijdens de ad-hocbijeenkomst op hoog niveau van 1 december 2015 over de vervolging van christenen in de wereld – een oproep tot actie verklaarde dat geen enkele religieuze gemeenschap zo wordt blootgesteld aan haat, geweld en stelselmatige agressie als de christenen; overwegende dat de Voorzitter van het Parlement, Martin Schulz, tijdens dezelfde bijeenkomst verklaarde dat de vervolging van christenen onderschat wordt en niet adequaat wordt aangepakt;

H.  overwegende dat extremisme en de nog altijd voortdurende vervolging van christenen een steeds grotere rol spelen bij de toenemende massamigratie en interne ontheemding; overwegende dat als gevolg van de vervolging van christenen in Syrië en Irak, hun aantallen drastisch zijn gedaald: in Irak van 1 400 000 in 2003 naar ongeveer 300 000 nu en in Syrië van 1,25 miljoen in 2011 naar slechts 500 000 nu, volgens gegevens die zijn verstrekt door de pauselijke stichting Aid to the Church in Need (ACN) in haar verslag 'Persecuted and Forgotten? A Report on Christians oppressed for their Faith 2013-2015' (Vervolgd en vergeten? Een verslag over christenen die onderdrukt zijn vanwege hun geloof, 2013-2015') en andere betrouwbare publieke bronnen;

I.  overwegende dat de internationale juridische definitie van genocide, op grond van artikel II van het VN-Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide uit 1948 luidt: 'een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen: a) het doden van leden van de groep; b) het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep; c) het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging; d) het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen; en e) het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep'; overwegende dat in artikel III van dat verdrag is bepaald dat niet alleen genocide strafbaar is, maar ook samenspanning om genocide te plegen, rechtstreeks en openbaar aanzetten tot genocide en medeplichtigheid aan genocide;

J.  overwegende dat de uitspraak van 2 augustus 2001 door de strafkamer van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sinds 1991, in de zaak aanklager tegen Radislav Krstic over de genocide in Srebrenica, luidde: 'Ook gelijktijdige aanvallen op de culturele en religieuze eigendommen en symbolen van de groep die het doelwit vormt […], kunnen met recht worden beschouwd als bewijs van de intentie om die groep lichamelijk te vernietigen' (punt 580);

K.  overwegende dat de uitspraak van 19 april 2004 door de kamer van beroep van het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sinds 1991, in de zaak aanklager tegen Radislav Krstic over de genocide in Srebrenica, luidde: 'De omvang van dat gedeelte van de groep waartegen de schendingen gericht zijn, vormt het noodzakelijke en belangrijke uitgangspunt voor, maar niet in alle gevallen het eindpunt van het onderzoek. Het aantal personen tegen wie de schendingen gericht zijn, moet niet alleen worden geëvalueerd in absolute zin, maar ook in verhouding tot de grootte van de hele groep. Naast de hoeveelheid personen tegen wie de schendingen gericht zijn, kan ook hun positie binnen de groep een passende overweging zijn. Als een bepaald gedeelte van de groep representatief is voor de hele groep of essentieel voor het overleven ervan, kan dat bijdragen aan de bevinding dat dat gedeelte geldt als substantieel in de zin van artikel 4';

L.  overwegende dat de totale moslimbevolking in Srebrenica voorafgaand aan de gevangenneming in 1995 ongeveer 40 000 mensen telde, van wie 7 000 à 8 000 moslimmannen vermoord werden, een daad die door het Internationaal Tribunaal voor de vervolging van personen verantwoordelijk voor ernstige schendingen van internationaal humanitair recht op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië sinds 1991 als genocide werd aangemerkt;

M.  overwegende dat de meeste van de acht categorieën van niet-cumulatieve factoren die zijn opgenomen in het analytisch kader inzake genocide, dat is opgezet door het Bureau van de speciale adviseur van de VN inzake de preventie van genocide (OSAPG), al aanwezig zijn in het geval van vervolgde christenen in Syrië en Irak (discriminatie en mensenrechtenschendingen; omstandigheden die van invloed zijn op het vermogen om genocide te voorkomen; aanwezigheid van illegale wapens en gewapende personen; motivatie van leidende actoren in de staat/regio; handelingen die ertoe dienen om de verdeeldheid tussen nationale, raciale, etnische en religieuze groeperingen aan te wakkeren; omstandigheden die het plegen van genocide in de hand werken; daden van genocide; bewijs van de intentie tot 'gehele of gedeeltelijke vernietiging'; en factoren die daar aanleiding toe geven);

N.  overwegende dat het eerste stadium van de in Irak plaatsvindende genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden tegen christenen, zijn oorsprong had in de moord op christenen in 2003, en overwegende dat sindsdien de aantallen hand over hand zijn toegenomen en dat inmiddels alle christenen als doelwit gelden vanwege hun religieuze achtergrond; overwegende dat in de meeste gevallen de plegers van de misdaden hebben verklaard dat ze geen christenen meer willen in Irak;

O.  overwegende dat op 31 oktober 2010 58 mensen, onder wie 51 gegijzelden en 2 priesters, werden gedood na een aanval op de Syrische katholieke kerk Onze-Lieve-Vrouw van de Verlossing in Bagdad; overwegende dat een groep die verbonden was aan 'Al-Qaeda, de Islamitische Staat voor Irak' verklaarde dat christenen een gelegitimeerd doelwit waren; overwegende dat enkele weken na dat incident een reeks bomaanslagen en dodelijke aanvallen werden gepleegd op delen van Bagdad met een christelijke minderheid;

P.  overwegende dat 66 kerken zijn aangevallen of gebombardeerd tijdens de stelselmatige bomaanslagen op christelijke kerken in Irak van de afgelopen jaren (41 in Bagdad, 19 in Mosul, 5 in Kirkuk en 1 in Ramadi); overwegende dat er ook twee nonnenkloosters, een mannenklooster en een weeshuis van de kerk zijn gebombardeerd;

Q.  overwegende dat in de nacht van 6 augustus 2014 meer dan 150 000 christenen zijn gevlucht voor de zogenoemde ISIS/Da'esh die oprukte naar Mosul, Qaraqosh en andere dorpen in de vlakte van Nineveh, nadat ze beroofd waren van hun bezittingen, en overwegende dat ze nog steeds ontheemd zijn en in erbarmelijke omstandigheden leven in het noorden van Irak;

R.  overwegende dat de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal voor seksueel geweld in conflicten, Zainab Hawa Bangura, op 15 juli 2014 heeft verklaard dat volgens berichten etnische en religieuze minderheden in Irak het slachtoffer zijn geworden van fysiek geweld, waaronder seksueel geweld; overwegende dat zij op 3 augustus 2015, één jaar na de tragedie in Sinjar, heeft verklaard: 'In de dagen daarna maakte ISIL, te midden van vreselijke moordpartijen, jacht op vrouwen en meisjes van etnische en religieuze minderheden en nam er honderden gevangen. Sindsdien maakt deze organisatie zich stelselmatig schuldig aan seksueel geweld, slavernij, ontvoering en mensenhandel. Deze vormen van seksueel geweld in een conflictsituatie zijn gruwelijke misdaden, die kunnen ontaarden in oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en/of genocide, en zullen niet worden vergeten';

S.  overwegende dat de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor seksueel geweld in conflicten, Zainab Hawa Bangura, en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor Irak, Nickolaj Mladenov, op 13 augustus 2014 een gezamenlijke verklaring hebben afgelegd waarin zij bevestigen dat ISIL vermoedelijk ongeveer 1 500 christelijke en jezidi-vrouwen heeft ontvoerd en vervolgens heeft gedwongen tot seksuele slavernij; overwegende dat de twee speciale vertegenwoordigers in deze verklaring verwijzen naar 'vrouwen en kinderen als expliciet doelwit' en naar 'het barbaarse optreden van de 'Islamitische Staat van Irak en de Levant' jegens minderheden in de gebieden die deze organisatie in handen heeft';

T.  overwegende dat de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de preventie van genocide en de speciale adviseur van de secretaris-generaal van de VN inzake de verantwoordelijkheid tot bescherming met betrekking tot de situatie in Irak op 12 augustus 2014 hebben verklaard dat de rapporten die zij hadden ontvangen over de door 'Islamitische Staat' gepleegde daden wellicht tevens wijzen op het risico van genocide;

U.  overwegende dat in het rapport van het VN-Mensenrechtencomité van 13 maart 2015, dat is opgesteld op verzoek van de regering van Irak, wordt gesteld dat onder meer jezidi's, christenen, Turkmenen, Sabiërs-Mandaeërs, Kaka'i, Koerden en sjiieten behoren tot de etnische en religieuze groepen die het doelwit vormen van ISIL en dat redelijkerwijs kan worden geconcludeerd dat enkele incidenten die in de periode 2014‑2015 in Irak hebben plaatsgevonden aangemerkt kunnen worden als genocide;

V.  overwegende dat in het rapport over de bescherming van burgers bij het gewapende conflict in Irak van 1 mei t/m 31 oktober over de situatie in Irak, opgesteld door het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en de VN-missie voor bijstand aan Irak – Bureau voor de mensenrechten, gepubliceerd op 19 januari 2016, wordt gesteld: 'Burgers in Irak zijn nog altijd het slachtoffer van een ontstellende hoeveelheid geweld. De stelselmatige en wijdverbreide gewelddaden en schendingen van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het humanitaire recht door de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant (ISIL) duren voort. Deze daden kunnen in sommige gevallen ontaarden in oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en zelfs genocide.';

W.  overwegende dat de zogenoemde ISIS/Da'esh de mensen die niet in staat waren te vluchten uit Mosul en de vlakte van Nineveh gevangen heeft genomen, en overwegende dat de vrouwen en kinderen die geen moslims waren tot slaaf werden gemaakt, waarbij sommigen van hen werden verkocht en andere op wrede wijze werden vermoord en gefilmd door de daders;

X.  overwegende dat de zogenoemde ISIS/Da'esh en extremistische milities in Syrië opzettelijk en stelselmatig aanvallen uitvoerden op christelijke kerken en andere gebouwen, zoals de St. Franciscuskerk in Aleppo, Syrië, waar tijdens de mis op 25 oktober 2015 granaten werden gegooid;

Y.  overwegende dat het klooster St. Elian in Qaryatain, Syrië, uit de vijfde eeuw, na de ontvoering van zijn priesters in mei 2015 door bulldozers met de grond gelijk werd gemaakt, en slechts een van de vele christelijke gebouwen met een grote culturele betekenis is die verwoest is door de zogenoemde ISIS/Da'esh;

Z.  overwegende dat na de inname van Qaryatain (Syrië) de zogenoemde ISIS/Da'esh 230 inwoners heeft ontvoerd, van wie het merendeel christen was;

AA.  overwegende dat 'ISIS/Da'esh' in februari 2015 meer dan 220 Assyrische christenen heeft ontvoerd na verschillende landbouwgemeenschappen op de zuidelijke oever van de rivier de Khabur in de noordoostelijke provincie Hassakeh te hebben veroverd, en overwegende dat tot nog toe slechts enkelen van hen zijn vrijgelaten, terwijl het lot van de anderen onbekend blijft;

AB.  overwegende dat op 2 april 2015 aanvallers in Garissa het gemunt hadden op niet-moslims, om vervolgens alleen de christenen op wrede wijze te executeren; overwegende dat Al-Shabaab openlijk en in het openbaar heeft verklaard een oorlog te voeren tegen christenen in de regio;

AC.  overwegende dat in paragraaf 16 (mensenrechtenschendingen door ISIL – aanvallen op religieuze en etnische groepen) van het rapport van 27 maart 2015 van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over de mensenrechtensituatie in Irak in het licht van de wandaden van de zogenoemde Islamitische Staat in Irak en de Levant en daaraan gelieerde groeperingen wordt gesteld dat een aantal gevallen van geweld tegen burgers op grond van het feit dat zij tot een bepaalde etnische of religieuze groep behoren of op grond van een vermoeden dat zij tot een dergelijke groep behoren, gelet op alle verzamelde informatie, aangemerkt kan worden als genocide;

AD.  overwegende dat volgens het rapport van de VN-missie voor bijstand aan Irak over de bescherming van burgers bij het gewapende conflict in Irak (van 11 december 2014 t/m 30 april 2015) ISIL zich nog altijd schuldig maakt aan stelselmatige en wijdverbreide schendingen van het internationale recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht en dat deze schendingen in een aantal gevallen aangemerkt kunnen worden als oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en wellicht genocide;

AE.  overwegende dat in paragraaf 18 van het rapport van 27 juli 2015 van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN over de verlening van technische bijstand ter bevordering en bescherming van de mensenrechten in Irak wordt gesteld dat Unami/OHCHR nog altijd een groot aantal geloofwaardige berichten ontvangt over klaarblijkelijk op grootschalige of stelselmatige wijze door ISIL gepleegde mensenrechtenschendingen van burgers en ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht, die aangemerkt kunnen worden als oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide;

AF.  overwegende dat er in paragraaf 11 van het rapport van 16 juni 2015 van de speciale rapporteur van de VN inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme wordt gesteld dat 'er bewijzen zijn dat ISIL ernstige schendingen van het internationaal recht heeft begaan, waaronder genocide, misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en ernstige schendingen van het recht inzake de mensenrechten';

AG.  overwegende dat in het rapport over de 28e zitting van de Mensenrechtenraad van 8 juli 2015 de Iraakse delegatie bevestigde dat 'Da'esh barbaarse misdaden begaan heeft die gelijkgesteld kunnen worden aan genocide, misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden in de vorm van bloedbaden en massale executies van gevangenen en ongewapende soldaten, geestelijken, kinderen en vrouwen die de ideologie van deze organisatie verwierpen';

AH.  overwegende dat als een staat (of niet-statelijke actor) duidelijk nalaat zijn bevolking te beschermen of in feite zelf de pleger is van dergelijke misdaden, de internationale gemeenschap volgens de beginselen van de verantwoordelijkheid tot bescherming (R2P) de verantwoordelijkheid heeft om gezamenlijk op te treden teneinde bevolkingsgroepen te beschermen, overeenkomstig het VN-Handvest;

AI.  overwegende dat in de resolutie van het Parlement van 12 maart 2015 over recente aanvallen en ontvoeringen door ISIS/Da'esh in het Midden-Oosten, met name van Assyriërs, het volgende werd gesteld: 'spreekt zijn krachtige afkeuring uit over ISIS/Da'esh en diens monsterachtige mensenrechtenschendingen, die volgens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) kunnen worden gelijkgesteld met misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden en als genocide kunnen worden bestempeld' (paragraaf 2);

1.  veroordeelt in de meest krachtige de zogenoemde ISIS/Da'esh en de gruwelijke mensenrechtenschendingen en ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht die deze organisatie pleegt in haar streven naar uitroeiing van christenen en andere inheemse religies en etnische minderheden in de gebieden die zij in handen heeft;

2.  is van mening dat degenen die wreedheden en internationale misdaden tegen christenen (Chaldeeërs/Assyriërs/Aramezen, Melchiten, Armeniërs), en andere etnische en religieuze minderheden, waaronder jezidi's, Turkmenen, Shabakken, Sabiërs-Mandaeërs, Kaka'i en Koerden beramen, plannen, aanmoedigen, begaan of pogen te begaan, hierbij betrokken zijn of deze steunen, en die het om etnische of religieuze redenen uitdrukkelijk gemunt hebben op deze minderheden, misdaden begaan waarbij zij worden aangemerkt als daders en verantwoordelijken voor 'oorlogsmisdaden', 'misdaden tegen de menselijkheid' en 'genocide';

3.  verzoekt alle partijen bij het VN-Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide, dat op 9 december 1948 in Parijs werd ondertekend, en de partijen bij andere relevante internationale overeenkomsten met klem oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide op hun grondgebied te voorkomen; dringt er bij Syrië en Irak op aan de jurisdictie van het Internationaal Strafhof te erkennen;

4.  verzoekt alle partijen bij het VN-Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide uit 1948, en de partijen bij andere relevante internationale overeenkomsten ter voorkoming en bestraffing van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide, en in het bijzonder de bevoegde autoriteiten van landen – en hun onderdanen – die deze misdaden op enigerlei wijze steunen, financieren, daaraan meewerken of daarbij betrokken zijn, met klem om hun juridische verplichtingen uit hoofde van het verdrag en andere internationale overeenkomsten volledig na te leven;

5.  dringt er bij de bevoegde autoriteiten van de landen die deze oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide op enigerlei wijze direct of indirect steunen, financieren, daaraan meewerken of daarbij betrokken zijn, met klem om hun juridische verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht volledig na te leven en een einde te maken aan deze wandaden waarmee de Iraakse en Syrische samenleving, en vooral de christenen en andere religieuze minderheden, enorme schade wordt toegebracht en de buurlanden en de internationale vrede en veiligheid ernstig worden gedestabiliseerd;

6.  verzoekt de lidstaten met klem hun wettelijke en gerechtelijke stelsels te verbeteren om te voorkomen dat hun onderdanen en burgers het land verlaten, zich bij 'ISIS/Da'esh' aansluiten, en deelnemen aan oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide tegen christenen en andere religieuze minderheden in Irak en Syrië, en om er verder voor te zorgen dat zij, indien zij dat toch doen, zo snel mogelijk strafrechtelijk worden vervolgd, ook voor het online aanzetten tot en het steunen van deze misdaden;

7.  dringt er bij elke regering en openbare instantie, met inbegrip van de EU (met name de Europese Dienst voor extern optreden) en haar lidstaten, evenals bij internationale organen en instellingen, en hun leiders en vertegenwoordigers, op aan om de wreedheden die door de zogenoemde ISIS/Da'esh worden begaan jegens christenen en andere inheemse religieuze minderheden, waaronder jezidi's, met de juiste terminologie te benoemen: misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide;

8.  verzoekt de VN, de secretaris-generaal van de VN, speciale vertegenwoordigers, speciale rapporteurs en de Hoge Commissaris voor de mensenrechten de wreedheden die op deze plaatsen worden begaan jegens christenen en andere inheemse religieuze minderheden in Irak en Syrië met de juiste terminologie te benoemen: oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid en genocide;

9.  erkent het onvervreemdbare recht van alle religieuze en etnische – inheemse of andere ‑ minderheden in Irak en Syrië om in hun historische en traditionele thuislanden te blijven wonen, met garanties betreffende waardigheid, gelijkheid en veiligheid, en om hun religie ongehinderd te belijden zonder enige vorm van dwang, geweld of discriminatie, en schaart zich achter dit recht en eist dat het door iedereen wordt gerespecteerd; is van mening dat, om een eind te maken aan het lijden en de massale uittocht van christenen en andere inheemse volken uit de regio, alle politieke en religieuze leiders in de regio op duidelijke en ondubbelzinnige wijze moeten verklaren dat zij de aanwezigheid van deze groepen in de regio ten volle steunen en dat deze groepen als burgers van hun land volledige en gelijke rechten hebben;

10.  verzoekt de internationale gemeenschap, waaronder de EU en haar lidstaten, de veiligheidsvoorwaarden en -omstandigheden te creëren die nodig zijn om christenen en leden van andere religieuze minderheden die het gebied waar ze woonden gedwongen hebben verlaten of die ontheemd zijn op zo kort mogelijke termijn in staat te stellen gebruik te maken van hun recht op terugkeer, hun huizen, land, eigendommen en bezittingen, alsmede hun kerken en religieuze en culturele plaatsen te beschermen, een waardig leven te leiden en uitzicht te hebben op een waardige toekomst;

11.  laakt en verwerpt elke interpretatie van de boodschap van de islam die de weg vrijmaakt voor een gewelddadige, wrede, totalitaire, onderdrukkende en op expansie gerichte ideologie waarmee de uitroeiing van christelijke minderheden gerechtvaardigd wordt; dringt er bij de Organisatie voor islamitische samenwerking (OIS) en haar organen, de Raad voor samenwerking van de Arabische Golfstaten (de Samenwerkingsraad van de Golf of GCC) en moslimleiders over de hele wereld op aan om de wreedheden die door de zogenoemde ISIS/Da'esh worden begaan jegens christenen en andere inheemse religieuze minderheden zonder voorbehoud te veroordelen en deze daden met de juiste terminologie te benoemen: misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genocide;

12.  verzoekt de VN-Veiligheidsraad, aangezien andere nationale en internationale mechanismen daar niet in geslaagd zijn, te overwegen hoofdstuk VII van het VN‑Handvest als uitgangspunt voor de inrichting van veilige gebieden waar ontheemde christenen en andere religieuze minderheden beschermd kunnen worden door troepen onder VN-gezag;

13.  verzoekt de afdelingen humanitaire hulp en samenwerking van de EU bij hun werkzaamheden volledig en rechtstreeks samen te werken met de erkende leiders van de christelijke kerken en gemeenten en andere religieuze en etnische minderheden op wie de aanvallen gericht zijn, en hen niet uit te sluiten van hun plannen of van de praktische uitvoering en verdeling van hulp, teneinde beter in hun behoeften en die van de bevolking in het algemeen te voorzien; is van mening dat Erbil (Irak) als voorbeeld van een goede gang van zaken kan dienen, waar onder leiding van de aartsbisschop van de Chaldeeuws-katholieke Kerk, Bashar Matti Warda, intern ontheemden een gemeenschap hebben gevormd die onderwijsvoorzieningen aanbiedt (van voorschools tot universitair onderwijs) en na één jaar winkeltjes en bedrijfjes openden ten dienste van de gastgemeenschap;

14.  benadrukt dat, krachtens de bepalingen van de bovengenoemde VN-verdragen en overeenkomsten, geen van de daders ongestraft mag blijven, noch degenen die dergelijke misdaden hebben beraamd, gepland, aangemoedigd, begaan of proberen te begaan, en dat de verantwoordelijken naar bevoegde nationale of internationale rechtbanken moeten worden doorverwezen, zowel bestaande tribunalen als eventueel speciaal voor dit doel op te richten rechtbanken;

15.  verwerpt zonder voorbehoud de aankondiging door de leider van de zogenoemde ISIS/Da'esh over de oprichting van een 'kalifaat' in de gebieden die zij momenteel in handen heeft, en beschouwt die aankondiging als onrechtmatig; benadrukt dat de oprichting en uitbreiding van het 'islamitisch kalifaat' en de activiteiten van andere gewelddadige extremistische groeperingen in het Midden-Oosten een rechtstreekse bedreiging vormen voor de regio en Europese landen en een duidelijke schending vormen van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van Syrië, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, de regionale regering van Koerdistan, de instellingen van de Organisatie van Islamitische Samenwerking (OIC), de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten (GCC), de secretaris-generaal van de VN, de Algemene Vergadering van de VN, de VN-Veiligheidsraad en de VN-Mensenrechtenraad.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0011.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0027.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0066.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0040.

(5)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0071.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0076.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0079.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0178.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0179.

(10)

PB C 298 E van 8.12.2006, blz. 287.

(11)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0180.

(12)

PB L 118 van 14.5.2003, blz. 12.

(13)

Uitspraak van 26 februari 2007 in de zaak betreffende de toepassing van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide (Bosnië en Herzegovina tegen Servië en Montenegro), punt 431.

Juridische mededeling - Privacybeleid