Procedure : 2016/2537(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0180/2016

Ingediende teksten :

B8-0180/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 04/02/2016 - 8.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 187kWORD 74k
1.2.2016
PE576.541v01-00
 
B8-0180/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Libië (2016/2537(RSP))


Javier Couso Permuy, Sabine Lösing, Paloma López Bermejo, Neoklis Sylikiotis, Fabio De Masi, Ángela Vallina, Sofia Sakorafa, Kostas Chrysogonos, Stelios Kouloglou, Kostadinka Kuneva namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Libië (2016/2537(RSP))  
B8-0180/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over Libië 2009 (2011) van 16 september 2011, 1973 (2011) van 17 maart 2011, 2017 (2011) van 31 oktober 2011, 2022 (2011) van 2 december 2011, 2040 (2012) van 13 maart 2012, 2174 (2014) van 27 augustus 2014, 2238 (2015) van 10 september 2015 en 2259 (2015) van 23 december 2015,

–  gezien de benoeming op 4 november 2015 van Martin Kobler als speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor Libië,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 30 augustus, 20 oktober, 17 en 18 november, en 15 december 2014, van 19 januari, 9 februari, 16 maart en 12 oktober 2015, en van 18 januari 2016,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), Federica Mogherini, van 30 april, 26 en 27 mei, 30 juni, 12 juli, 17 augustus, 13 en 22 september, 9 oktober, en 19 en 26 november 2015, en van 7 januari 2016, en haar verklaring over de ondertekening van het politieke akkoord voor Libië van 17 december 2015,

–  gezien de Conventies van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen daarbij van 1977, en de verplichting van partijen bij gewapende conflicten ervoor te zorgen dat het internationaal humanitair recht in alle omstandigheden wordt geëerbiedigd,

–  gezien de verklaringen van de VN-Ondersteuningsmissie in Libië (UNSMIL) bij het gezamenlijke verslag van 4 september 2014 van UNSMIL en het VN-bureau voor de mensenrechten over de schending van internationale mensenrechten en het internationale humanitaire recht tijdens het aanhoudende geweld in Libië, en de aanvullingen daarop van 27 december 2014, 12 januari en 16 november 2015,

–  gezien Besluit 2013/233/GBVB van de Raad van 22 mei 2013 tot instelling van een missie van de Europese Unie voor bijstandsverlening inzake geïntegreerd grensbeheer in Libië (EUBAM Libië)(1),

–  gezien het op 17 december 2015 gesloten politieke akkoord voor Libië dat een overeenkomst bevat over een regering van nationale eenheid,

–  gezien zijn resoluties van 15 september 2011(2), 18 september 2014(3) en 15 januari 2015(4) over de situatie in Libië,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de NAVO-interventie in 2011, waaraan ook werd deelgenomen door het Franse leger en de Britse Special Air Service (SAS), vele onschuldige burgers het leven heeft gekost en heeft geleid tot een humanitaire crisis en grootschalige vernietiging, en daarmee tot volledige destabilisatie van de staat Libië; overwegende dat het escalerende geweld ertoe heeft geleid dat Libië in een toestand van chaos en totale oorlog verkeert, met nadelige gevolgen voor de buurlanden;

B.  overwegende dat na het uitbreken van het conflict in het land twee rivaliserende regeringen zich opwerpen als de enige legitieme regering: het Algemeen Nationaal Congres, dat in 2012 gekozen is en in Tripoli zijn basis heeft, en het Huis van Afgevaardigden (HoR), dat in juni 2014 gekozen is, en naar Tobruk verhuisd is nadat milities de controle van de twee grootste steden van het land overgenomen hadden en welke door de het grootste deel van de internationale gemeenschap erkend is;

C.  overwegende dat na 14 maanden onderhandelingen onder auspiciën van de VN de twee partijen op 17 december 2015 een politiek akkoord voor Libië gesloten hebben over, onder meer, de vorming van een regering van nationale eenheid die in Tripoli haar zetel moet hebben; overwegende dat op 25 januari 2016 het Libische Huis van Afgevaardigden de door de VN gesteunde regering heeft afgewezen;

D.  overwegende dat gewapende conflicten, andere daden van geweld in het hele land en schendingen van internationale mensenrechten en het humanitair recht voortduren, met honderden doden, massale ontheemding en een humanitaire crisis in veel gebieden tot gevolg; overwegende dat volgens de VN meer dan 2,4 miljoen mensen onmiddellijke humanitaire bijstand nodig hebben, ongeveer 435 000 Libiërs door de gevechten binnenlands ontheemd zijn en nog eens 150 000 mensen, waaronder veel arbeidsmigranten, het land hebben verlaten om hun toevlucht te zoeken in buurlanden zoals Tunesië, waardoor de capaciteit van dat land onder druk wordt gezet;

E.  overwegende dat veel migranten, met name die van bezuiden de Sahara, geconfronteerd worden met willekeurige opsluiting door verschillende gewapende groepen in het land; overwegende dat duizenden migranten en vluchtelingen, die het geweld in Libië wilden ontvluchten, naar verluidt zijn omgekomen toen ze probeerden via de Middellandse Zee naar Europa over te steken;

F.  overwegende dat de zogeheten Islamitische Staat (IS) en groeperingen die daaraan trouw gezworen hebben, Ansar al-Sharia en andere gewapende groeperingen die banden hebben met Al Qaida, in deze chaotische toestand zijn opgekomen, door te profiteren van de verspreiding van wapens in het land, welke het gevolg is van het militaire ingrijpen en het langdurige machtsvacuüm in het land;

G.  overwegende dat een escalerende strijd plaatsvindt over olieopslagplaatsen en hijskranen in het olierijke oosten van het land dat over de negen na grootste oliereserves in de wereld beschikt en de grootste in Afrika; overwegende dat op 21 januari 2016 aanhangers van IS, in een aanval op de terminal van Ras Lanuf olieopslagtanks in de brand hebben gestoken; overwegende dat, twee weken voordien, als gevolg van gevechten tussen IS en de met de bewaking van de olievoorzieningen in het gebied rond Es Sider en Ras Lanuf belaste "Petroleum Facilities Guard", zeven olieopslagtanks door brand zijn beschadigd en ten minste 18 bewakers zijn gedood;

H.  overwegende dat het VS-leger heeft verklaard dat dringend en afdoend militair optreden nodig is om het oprukken van IS in Libië een halt toe te roepen; overwegende dat buurlanden zoals Algerije elke verdere buitenlandse militaire interventie in Libië afwijzen; overwegende dat het erop lijkt dat veel westerse landen druk uitoefenen om tot de vorming van een regering van nationale eenheid te komen, niet omdat zij een belang hebben bij een politieke oplossing van de situatie, maar om verder militair ingrijpen in het land te rechtvaardigen, deze keer onder het mom van het bestrijden van IS;

I.  overwegende dat een nieuw militair ingrijpen zal leiden tot verdere verwoesting van het land en verdere destabilisatie van de regio; overwegende dat elk buitenlands militair ingrijpen voor IS aanleiding zal zijn om de rekrutering op te voeren;

J.  overwegende dat naar verluidt ongeveer 3 000 Tunesiërs en honderden Marokkanen zich in Libië hebben aangemeld als jihadisten; overwegende dat IS onlangs heeft aangekondigd meer jihadisten uit Noord-Afrikaanse landen te ronselen om zijn invloed over het continent uit te breiden; overwegende dat als reactie op de massale en ongebruikelijke stroom van Marokkanen uit Casablanca die via Algerije op weg zijn naar Libië, honderden Marokkanen zonder wettige verblijfplaats in Libië door de Algerijnse autoriteiten zijn tegengehouden; overwegende dat Algerije onlangs alle commerciële vluchten naar Libië heeft geannuleerd;

K.  overwegende dat de wapens die aan de zogeheten rebellen zijn geleverd zich inmiddels in heel Noord-Afrika bevinden en gebruikt zijn in verschillende conflicten en op die manier hebben bijgedragen aan destabilisatie van landen zoals de Centraal-Afrikaanse Republiek en Mali, en inmiddels ook in Algerije worden aangetroffen;

L.  overwegende dat de NAVO-leden in 2011, in strijd met het internationale recht, wezenlijke steun hebben verleend aan een van de partijen in het Libische conflict, met als redenering dat de no-fly zone en de wapenleveranties aan de (zogenaamde) rebellen in overeenstemming waren met het R2P-concept ("responsability to protect");

M.  overwegende dat voor Libië nog steeds een in 2011 door de VN-Veiligheidsraad ingesteld internationaal wapenembargo geldt; overwegende dat, desondanks, NAVO-leden en bondgenoten (met name de Verenigde Staten, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Qatar en de Verenigde Arabische Emiraten) het wapenembargo hebben geschonden; overwegende dat ondanks het embargo de toevoer van wapens naar Libië blijft doorgaan;

N.  overwegende dat op 18 januari 2016 de Raad van ministers in zijn conclusies heeft verklaard dat de EU bereid is de Libische autoriteiten onder gezag van de regering van nationale eenheid steun te verlenen op het gebied van de hervorming van de veiligheidssector; overwegende dat in mei 2013 de EU-bijstandsmissie inzake grensbeheer (EUBAM Libië) is gestart om de Libische autoriteiten militaire ondersteuning te bieden op het gebied van grensbewaking en grenscontroles; overwegende dat het belangrijkste doel van de missie is om ervoor te zorgen dat er geen vluchtelingenstromen en geen migratie op gang komt naar Europa en te waarborgen dat de olievelden en de olieraffinaderijen onder staatscontrole komen te staan; overwegende dat EUBAM Libië 30 miljoen EUR kost en daarmee de duurste missie is die ooit door de EU is gestart; overwegende dat de helft van dit bedrag besteed wordt aan particuliere beveiligingsbedrijven;

O.  overwegende dat de eenheid van de Libische staat op het spel staat en er een reëel gevaar bestaat op afscheiding, als een compromisoplossing, samen met een inclusief verzoeningsproces, niet spoedig ten uitvoer wordt gelegd;

P.  overwegende dat de oliesector goed is voor 80 % van het bbp van Libië; overwegende dat voor de NAVO-interventie de olieproductie 1,6 miljoen vaten per dag bedroeg, de huidige productie ongeveer 360 000 vaten omvat en zij als gevolg van de recente aanvallen op olietanks en infrastructuur waarschijnlijk veel meer zal afnemen; overwegende dat, volgens de ramingen van de National Oil Corporation (NOC), Libië alleen al sinds 2013 meer dan 68 miljard USD aan olie-inkomsten heeft misgelopen;

1.  neemt kennis van de ondertekening van het politieke akkoord voor Libië over de vorming van een regering van nationale eenheid; stelt met bezorgdheid vast dat deze regering door het Libische Huis van Afgevaardigden is afgewezen;

2.  maakt zich ernstige zorgen over de huidige economische en politieke desintegratie van het land, die de precaire situatie waar de bevolking zich in bevindt nog verder verslechtert; spreekt nogmaals zijn afkeuring uit over het militaire ingrijpen in 2011 van Frankrijk, het VK, de VS en Canada in Libië, in het kader van de NAVO, onder het mom van de zogeheten "responsability to protect"-doctrine, en die tot de huidige situatie heeft geleid; is ervan overtuigd dat deze buitenlandse militaire interventie als voedingsbodem heeft gediend voor de huidige situatie van verwoesting van Libië en destabilisatie van de regio;

3.  is ernstig bezorgd over de aanwezigheid van IS in Libië, met name rond Sirte; veroordeelt alle terreurdaden die in Libië worden gepleegd door groeperingen die trouw hebben gezworen aan IS, waaronder personen en groeperingen die in verbinding staan met IS of Al Qaida;

4.  is fel gekant tegen elk verder extern militair ingrijpen in Libië; maakt zich ernstige zorgen over meldingen van een gepland nieuw militair ingrijpen in het land door de VS, Frankrijk, het VK en Italië; waarschuwt voor de gevolgen van een nieuwe buitenlandse interventie; herhaalt zijn engagement voor de soevereiniteit, onafhankelijkheid en territoriale integriteit van Libië;

5.  verwerpt het gebruik van het beginsel "responsibility to protect", omdat het tot schending van het internationaal recht leidt en als rechtsgrond onvoldoende rechtvaardiging biedt voor het gebruik van unilateraal geweld, in veel gevallen met als doel het regime omver te werpen; veroordeelt het dat sterke staten, zoals de VS, of de NAVO zich de rol van mondiale politieagent toe-eigenen; veroordeelt ook de zogenaamde selectieve luchtaanvallen en het inzetten van buitenlandse troepen op de grond; hekelt de poging van de NAVO om de pacificatie- en stabilisatietaken te vervullen die alleen op basis van een brede overeenstemming in het kader van de Algemene Vergadering van de VN kunnen worden uitgevoerd;

6.  betreurt het aanhoudende geweld in Libië; veroordeelt het gebruik van geweld, dat onder de burgers geleid heeft tot vele doden, gewonden en ontheemden; dringt erop aan dat degenen die verantwoordelijk zijn voor deze schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht ter verantwoording worden geroepen voor hun daden;

7.  dringt er bij alle partijen op aan zich te onthouden van schendingen van het internationale recht, met name alle handelingen die als oorlogsmisdaden of misdaden tegen de mensheid worden beschouwd, zoals willekeurige aanvallen, aanvallen op medische faciliteiten, gedwongen verdwijningen, moord, gijzeling, foltering en andere mishandeling; wijst alle partijen erop die bij de gevechten in Libië betrokken zijn, dat zij gebonden zijn aan de betreffende bepalingen van de internationale regelgeving inzake mensenrechten en humanitair recht; brengt in herinnering dat alle partijen het verbod moeten naleven op rechtstreekse aanvallen op burgers en civiele faciliteiten zoals ziekenhuizen, scholen, vliegvelden en havens;

8.  dringt er bij de landen in de regio, de Arabische liga en de Afrikaanse Unie op aan om de voortzetting van de constructieve besprekingen tussen partijen te steunen zodat een oplossing gevonden kan worden; spoort met name de staten in de Sahel-, de Maghreb- en de Mashrek-regio aan om hun inspanningen te coördineren om terroristische groeperingen te beletten de grenzen te overschrijden en een wijkplaats te zoeken in de Sahel-regio; verzoekt deze staten de samenwerking en coördinatie onderling te vergroten om inclusieve en doeltreffende strategieën te ontwikkelen die de expansie van deze groeperingen voorkomt en de verspreiding van alle wapens en transnationale georganiseerde criminaliteit in de regio voorkomt; stemt in dit verband in met de oproep van de Algerijnse regering tot meer samenwerking in deze kwesties tussen de landen in de regio;

9.  dringt aan op stopzetting van wapenexport naar en wapenleveranties aan Libië en de rest van de regio, stopzetting van wapenexport naar de Golfstaten en stopzetting van de financiering van milities door de Golfstaten, en - indirect - door westerse landen, hetgeen inhoudt dat deze landen geen olie meer moeten kopen die afkomstig is van olievelden die in handen zijn van milities; dringt aan op onderzoek naar de schendingen van het bij resolutie 1970 (2011) van de VN-Veiligheidsraad ingestelde wapenembargo;

10.  herhaalt zijn steun voor het onvervreemdbare recht van volkeren op toegang tot en controle over de hulpbronnen van hun land; veroordeelt derhalve de aanvallen op belangrijke olie-infrastructuur, die cruciaal is voor de welvaart van de Libische bevolking; veroordeelt tevens alle betrokkenheid bij directe of indirecte handel met IS of groeperingen die banden hebben met IS of Al Qaida, met name in olie en olieproducten, modulaire raffinaderijen en daarmee verband houdende materialen, waaronder chemische stoffen en smeeroliën; wijst erop dat de Libische olie aan de Libische bevolking toebehoort en derhalve niet door welke groepering dan ook mag worden beheerd;

11.  is van mening dat de EU in het kader van de evaluatie van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) haar externe beleid, en met name haar strategie voor het zuidelijke Middellandse Zeegebied, grondig moet herzien, aangezien dit gefaald heeft; verzoekt de EU voor de betrekkingen met deze landen en regio's een nieuw kader tot stand te brengen dat gebaseerd is op niet-inmenging in hun interne aangelegenheden en eerbied voor hun soevereiniteit, en dat beoogt de ontwikkeling van naburige regio's te steunen, en niet gebaseerd is op "associatieovereenkomsten" die voornamelijk dienen om vrijhandelszones te creëren in het belang van het bedrijfsleven aan Europese zijde, of militair ingrijpen dat gericht is op de versterking van de geopolitieke invloed in de regio;

12.  herinnert eraan dat de Europese Unie, een groot aantal lidstaten en de Verenigde Staten een bijzondere verantwoordelijkheid dragen voor de huidige situatie in Libië, omdat zij tientallen jaren lang het regime van Kaddafi en naderhand de militaire interventie van de NAVO in Libië hebben gesteund;

13.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de humanitaire crisis in Libië, die ertoe heeft geleid dat duizenden vluchtelingen het land hebben ontvlucht; spoort de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger ertoe aan alle nodige financiële en personele middelen ter beschikking te stellen om de vluchtelingen bij te staan; benadrukt dat ontheemden passende humanitaire hulp geboden moet worden; verwerpt de plannen om in Libische territoriale wateren strijdkrachten van EUNAVFOR MED operatie SOPHIA in te zetten; dringt er bij de EU op aan haar beleid inzake vluchtelingen uit Noord-Afrika per direct te wijzigen; herhaalt zijn standpunt ten aanzien van Frontex en is van mening dat het beginsel van non-refoulement van artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie met zich meebrengt dat Frontex-operaties er niet toe mogen leiden dat mensen naar Libië of naar een ander land waar hun leven gevaar loopt, worden teruggestuurd;

14.  verzoekt de EU de EUBAM Libië-missie te beëindigen, omdat deze bijdraagt aan verdere militarisering van de Libische grenzen en tot de dood van vluchtelingen leidt; stelt zich op het standpunt dat de EU Libië alleen maar humanitaire en civiele hulp moet verlenen;

15.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de staatshoofden en parlementen van de lidstaten, de EU-bijstandsmissie inzake grensbeheer (EUBAM), VN-Ondersteuningsmissie in Libië, het Huis van Afgevaardigden en het Algemeen Nationaal Congres van Libië, de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie.

(1)

PB L 138 van 24.5.2013, blz. 15.

(2)

PB C 51 E van 22.2.2013, blz. 114.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0028.

(4)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0010.

Juridische mededeling - Privacybeleid