Procedure : 2016/2555(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0314/2016

Ingediende teksten :

B8-0314/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 09/03/2016 - 11.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0082

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 175kWORD 68k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0312/2016
2.3.2016
PE579.742v01-00
 
B8-0314/2016

naar aanleiding van vragen met verzoek om mondeling antwoord B8-0109/2016, B8-01102016, B8-0111/2016, B8-0112/2016, B8-0113/2016, B8-0114/2016 en B8-0115/2016

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) (2016/2555(RSP))


Marco Valli, Piernicola Pedicini, Isabella Adinolfi namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de tabaksovereenkomst (PMI-overeenkomst) (2016/2555(RSP))  
B8-0314/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 11 maart 2015 over het jaarverslag 2013 over de bescherming van de financiële belangen van de EU – De bestrijding van fraude(1), en zijn besluit van 29 april 2015 inzake het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2013, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen(2),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 februari 2016 over de technische beoordeling van de ervaring met de antismokkel- en antinamaakovereenkomst en algemene vrijgave van 9 juli 2004 tussen Philip Morris International en dochterondernemingen enerzijds en de Unie en haar lidstaten anderzijds, betreffende een mogelijk besluit tot het openen van onderhandelingen tussen de Europese Unie en de tabaksindustrie (SWD(2016)0044),

–  gezien het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging ("WHO-Kaderverdrag") en het Protocol betreffende de uitbanning van illegale handel in tabaksproducten,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol betreffende de uitbanning van illegale handel in tabaksproducten bij het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging, voor wat betreft de bepalingen van het protocol die onder titel V van deel III van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen (2015/0100(NLE)),

–  gezien Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG(3) (de tabaksproductenrichtlijn),

–  gezien de vier samenwerkingsovereenkomsten die momenteel van kracht zijn tussen de lidstaten en de EU enerzijds, en Philip Morris International (PMI), Japan Tobacco International (JTI), Imperial Tobacco Limited (ITL) en British American Tobacco (BAT) anderzijds,

–  gezien de vragen aan de Commissie over de aanbeveling van de Commissie betreffende het besluit tot het openen/nastreven van onderhandelingen tussen de Europese Unie en Philip Morris (O-000010/2016 – B8-0109/2016, O-000014/2016 – B8-0110/2016, O‑000015 – B8-0111/2016, O-000016 – B8-0112/2016, O-000017 – B8-0113/2016, O‑000018/2016 – B8-0114/2016 en O-000019/2016 – B8-0115/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bescherming van de financiële belangen van de EU een van de grote prioriteiten van de Commissie is en dat de nationale en EU-begrotingen als gevolg van de illegale handel in tabaksproducten, en met name de smokkel en namaak van sigaretten, volgens een voorzichtige schatting jaarlijks meer dan 10 miljard EUR aan overheidsinkomsten mislopen;  

B.  overwegende dat illegale handel een ernstig misdrijf is dat bijdraagt aan de financiering van andere internationaal georganiseerde criminele activiteiten, waaronder mensen-, drugs- en wapenhandel en, in sommige gevallen, terroristische groeperingen;

C.  overwegende dat tabakssmokkel het volksgezondheidsbeleid van de EU ondermijnt en met zich meebrengt dat illegale tabaksproducten op vele plaatsen tegen een aanzienlijke illegale korting beschikbaar zijn, onder andere voor jongeren; overwegende dat namaaksigaretten niet alleen op illegale wijze worden vervaardigd en ingevoerd, maar dat bovendien de hierin gebruikte ingrediënten niet bekend zijn en dus een ernstig gezondheidsrisico vormen;

D.  overwegende dat het roken van tabak volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) wereldwijd de op een na belangrijkste doodsoorzaak en de belangrijkste vermijdbare doodsoorzaak is; overwegende dat roken elk jaar wereldwijd 5,4 miljoen slachtoffers eist;

E.  overwegende dat, om het probleem van de smokkel en namaak van sigaretten aan te pakken, de EU en de lidstaten (met uitzondering van Zweden in het geval van de BAT- en ITL-overeenkomsten) juridisch bindende overeenkomsten hebben gesloten met Philip Morris International (PMI) (2004), Japan Tobacco International (JTI) (2007), British American Tobacco (BAT) (2010) en Imperial Tobacco Limited (ITL) (2010); overwegende dat de fabrikanten zich er via deze overeenkomsten toe hebben verbonden gezamenlijk in totaal 2,15 miljard USD te betalen aan de EU en de ondertekenende staten om de illegale handel in sigaretten te bestrijden;

F.  overwegende dat de illegale EU-markt vijftien jaar geleden werd gedomineerd door smokkelwaar van de vier grootste tabaksfabrikanten; overwegende dat de grootschalige smokkel door deze fabrikanten afneemt; overwegende dat er op de huidige markt steeds meer merkloze sigaretten ("goedkope witte") circuleren, en dat bijna alle 600 miljoen sigaretten die in 2015 met de hulp van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) in beslag werden genomen goedkope witte sigaretten waren; overwegende dat de ramingen van het bureau voor gegevensonderzoek Euromonitor van 11 juni 2015 uitwijzen dat het totale volume van de illegale sigarettenmarkt van de EU in de afgelopen vijf jaar licht is toegenomen van 64 miljard tot 66 miljard sigaretten; overwegende dat, hoewel het aantal inbeslagnames van sigaretten van PMI en de merken van de overige drie grootste tabaksfabrikanten over de hele linie is gedaald, het volume en de beschikbaarheid van illegale producten op de tabaksmarkt van de EU nog steeds zorgwekkend zijn;

G.  overwegende dat de overeenkomsten met een totaal gebrek aan doorzichtigheid en transparantie zijn aangegaan; overwegende dat er geen gegevens voorhanden zijn over de wijze waarop de lidstaten de uit hoofde van deze overeenkomsten ontvangen middelen hebben uitgegeven;

H.  overwegende dat de overeenkomst met PMI in juli 2016 verstrijkt, wat betekent dat de betrokken partijen binnenkort bijeen moeten komen om te onderzoeken of de samenwerkingsovereenkomst al dan niet wordt verlengd; overwegende dat de Commissie tevens heeft toegezegd het WHO-protocol betreffende illegale handel te ratificeren teneinde de illegale handel in tabaksproducten te bestrijden en zich ertoe heeft verbonden derde partijen te verzoeken het protocol te ratificeren;

I.  overwegende dat alle EU-lidstaten het WHO-protocol naar verwachting zullen ratificeren en dat vijf lidstaten dit reeds hebben gedaan; overwegende dat het protocol in werking zal treden zodra het door veertig partijen is geratificeerd;

J.  overwegende dat volgens het secretariaat van het WHO-Kaderverdrag de overeenkomsten met de tabaksindustrie, waaronder die van de EU en Interpol, in strijd zijn met het WHO-Kaderverdrag omdat zij het belang van de tabaksfabrikanten dienen en een bedreiging vormen voor de vooruitgang op het gebied van tabaksontmoediging;

1.  betreurt ten zeerste dat de Commissie haar beoordeling van de overeenkomst met PMI pas op 21 februari 2016 heeft gepubliceerd, ofschoon het Parlement daar herhaaldelijk om had verzocht; is van oordeel dat de Commissie door deze vertraging van de publicatie ernstig in gebreke is gebleven voor wat haar transparantieverplichtingen betreft, ten aanzien van zowel het Parlement als de burgers van de Unie;

2.  merkt op dat er in deze beoordeling op wordt gewezen dat er geen direct causaal verband kan worden aangetoond tussen de PMI-overeenkomst en de afname van inbeslagnames, ook al is het aantal inbeslagnames van echte PMI-producten sinds 2006 met circa 85 % gedaald;

3.  benadrukt dat de in de PMI-overeenkomst gebruikte specifieke parameters voorzien in een meldingsdrempel van 50 000, en dat de daling van het aantal gemelde inbeslagnames verband kan houden met verschillende operationele methoden, in het bijzonder een toename van de "mierenhandel" (d.w.z. het herhaaldelijk smokkelen van kleinere hoeveelheden); wijst er nogmaals op dat er slechts beperkte gegevens over deze handel beschikbaar zijn, omdat de lidstaten zelden melding maken van inbeslagnames onder deze drempel;

4.  betreurt het feit dat de Commissie en de lidstaten jaarlijks aanzienlijke bedragen door de tabaksindustrie krijgen uitbetaald voor de bestrijding van namaaksigaretten, en is van oordeel dat het overwegen van de mogelijkheid om de overeenkomsten met de tabaksindustrie te verlengen de geloofwaardigheid van een echte strijd tegen sigarettensmokkel kan ondermijnen; wijst er nogmaals op dat er geen gegevens beschikbaar zijn over de manier waarop de lidstaten deze bedragen uitgeven en betreurt dit gebrek aan transparantie;

5.  benadrukt dat de tabaksfabrikanten uit hoofde van de tabaksproductenrichtlijn reeds wettelijk verplicht zijn een tracerings- en opsporingssysteem in te voeren en in stand te houden, hetgeen uiterlijk 20 mei 2019 van kracht moet worden voor sigaretten en shagtabak en uiterlijk 20 mei 2024 voor andere tabaksproducten; wijst er nogmaals op dat in het protocol uit 2015 bij het WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging in een gelijkaardige algemene verplichting wordt voorzien, hetgeen waarschijnlijk in 2022 of 2023 van kracht zal worden; benadrukt voorts dat de uitvoerings- en gedelegeerde handelingen inzake het toekomstige traceersysteem dat uit hoofde van artikel 15 van de tabaksproductenrichtlijn moet worden ingevoerd, verenigbaar moeten zijn met de bepalingen van het protocol over dezelfde kwestie (artikel 8);

6.  betreurt het feit dat de Commissie en de lidstaten niet in staat zijn een onafhankelijk tracerings- en opsporingssysteem in te voeren; betreurt tevens dat enkele lidstaten reeds in gesprek zijn met tabaksfabrikanten over overeenkomsten inzake de opzet van tracerings- en opsporingssystemen terwijl de normen voor traceerbaarheid nog niet door middel van gedelegeerde handelingen zijn vastgesteld en de EU het Protocol betreffende de uitbanning van illegale handel in tabaksproducten bij het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging nog niet heeft geratificeerd;

7.  dringt er bij de Commissie op aan het Protocol betreffende de uitbanning van illegale handel in tabaksproducten bij het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake tabaksontmoediging onverwijld te ratificeren en is er verheugd over dat zij heeft toegezegd de lidstaten en derde landen te verzoeken dit ook te doen; wijst er nogmaals op dat het protocol een duidelijk verbod bevat op ongepaste interacties met de tabaksindustrie;

8.  verzoekt de Commissie alle verdere contacten met PMI en andere tabaksfabrikanten over een mogelijke verlenging van de tabaksovereenkomsten stop te zetten en de huidige overeenkomsten niet te hernieuwen, te verlengen of opnieuw te bespreken;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0062.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0118.

(3)

PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1.

Juridische mededeling - Privacybeleid