Procedure : 2016/2568(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0318/2016

Ingediende teksten :

B8-0318/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/03/2016 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0090

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 261kWORD 68k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0318/2016
2.3.2016
PE579.748v01-00
 
B8-0318/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))


Charles Tannock, Mark Demesmaeker, Ryszard Antoni Legutko, Arne Gericke, Mirosław Piotrowski, Ryszard Czarnecki, Edward Czesak, Ruža Tomašić, Angel Dzhambazki namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))  
B8-0318/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Eritrea,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 9 maart 2016,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de grondwet van Eritrea van 1997,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, waarbij Eritrea partij is, en met name de artikelen 6, 7 en 9,

–  gezien artikel 9 van de in 2005 herziene partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de ACS (de Overeenkomst van Cotonou), die door Eritrea is ondertekend,

–  gezien verslag A/HRC/29/42 van 4 juni 2015 van de VN-onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea,

–  gezien resolutie 2224(2015) van de VN-Veiligheidsraad van 23 oktober 2015,

–  gezien het overzicht 2015 van de UNHCR over Eritrea,

–  gezien de presentatie van 30 januari 2015 van Christian Solidarity Worldwide voor de onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea,

–  gezien het Besluit betreffende de militaire dienst nr. 82/1995, dat op 23 oktober 1995 in het Eritrese staatsblad is gepubliceerd,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Eritreeërs, na een dertigjarige onafhankelijksstrijd die in 1991 tot een einde kwam, in een referendum van 1993 met een overweldigende meerderheid vóór onafhankelijkheid hebben gestemd; overwegende dat in 1997 een nieuwe grondwet met waarborgen voor een volledige eerbiediging van de mensenrechten is goedgekeurd en geratificeerd, maar niet ten uitvoer is gelegd;

B.  overwegende dat de voor 2001 geplande parlementsverkiezingen voor onbepaalde tijd werden uitgesteld vanwege een grensoorlog met Ethiopië en dat er sindsdien nog altijd geen verkiezingen hebben plaatsgevonden, en overwegende dat het People's Front for Democracy and Justice (PFDJ) de enige toegestane politieke partij is; overwegende dat de Nationale Vergadering sinds 2002 niet is bijeengekomen en dat alleen de regeringsmedia zijn toegestaan;

C.  overwegende dat Isaias Afwerki sinds de in 1993 verkregen onafhankelijkheid de enige president van Eritrea is geweest, dat hij met name sinds 2001 een bijzonder autocratisch en onderdrukkend bewind voert en dat zijn regering een in hoge mate gemilitariseerde samenleving heeft gecreëerd;

D.  overwegende dat alle Eritrese onderdanen, zowel mannen als vrouwen, tussen 18 en 40 jaar een actieve militaire dienstplicht van 18 maanden moeten vervullen en tot de leeftijd van 50 jaar in de reserve blijven staan; overwegende dat dienstplichtigen in de praktijk vaak in scholen worden opgeroepen, ook kinderen onder 15 jaar;

E.  overwegende dat meisjes tijdens de dienstplicht vaak seksueel worden misbruikt, met name tijdens de militaire training, en dat veel vrouwen en meisjes de militaire dienst proberen te vermijden door te trouwen of een kind te krijgen, of daar door familieleden toe worden gedwongen; overwegende dat de militaire dienst van officieel 18 maanden in tijden van 'nationale crisis' kan worden verlengd;

F.  overwegende dat de London South Bank University een onderzoek heeft uitgevoerd onder 200 tijdens de militaire dienst ontsnapte Eritreeërs, waaruit bleek dat de gemiddelde duur van de militaire dienst 6,5 jaar was, en sommigen zelfs meer dan 12 jaar in militaire dienst waren; overwegende dat veel jongeren Eritrea ontvluchten om oproeping te vermijden;

G.  overwegende dat de Verenigde Naties hun wapenembargo tegen Eritrea hebben verlengd vanwege de bedreiging van de vrede en stabiliteit in de regio, en Eritrea opnieuw hebben verzocht de Monitoringgroep voor Somalië en Eritrea informatie te verstrekken over de Djiboutische strijders die sinds de onlusten van 2008 vermist zijn;

H.  overwegende dat er medio 2015 444 000 uit Eritrea afkomstige vluchtelingen en asielzoekers waren, op een totale bevolking van 6 500 000; overwegende dat het relatief hoge aantal niet-begeleide minderjarigen uit Eritrea een groot risico lopen het slachtoffer te worden van mensenhandel;

I.  overwegende dat in 2015 39 000 Eritrese vluchtelingen en migranten de Middellandse Zee zijn overgestoken van Noord-Afrika naar Italië, wat Eritrea tot het land van oorsprong maakt van de meeste vluchtelingen die de oversteek naar Italië maken;

J.  overwegende dat er in Eritrea systematische, wijdverbreide en grove mensenrechtenschendingen worden begaan op gezag van de regering, met inbegrip van grootschalig toezicht op de bevolking, strenge controle van verplaatsingen binnen het land en van mensen die het land willen verlaten, volledige onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting en ernstige schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging; overwegende dat sommige van deze schendingen zouden kunnen worden aangemerkt als misdaden tegen de menselijkheid;

K.  overwegende dat het Eritrese regime van oudsher een ideologische antipathie koestert tegen religie en alle religies vervolgt, omdat deze een concurrerende en gevaarlijke loyaliteit en nationale verdeeldheid in de hand zouden werken; overwegende dat de voormalige patriarch van de Eritrese orthodoxe kerk Tewahedo van 2007 tot zijn dood in december 2015 onder huisarrest heeft gestaan: overwegende dat veel priesters, dominees en andere geestelijken onder huisarrest staan of in de gevangenis zitten;

L.  overwegende dat er nog altijd tienduizenden Eritreeërs zonder aanklacht of proces in levensbedreigende omstandigheden gevangen zitten in faciliteiten in het hele land, waar stelselmatig wordt gefolterd;

1.  spoort Eritrea ertoe aan zijn geratificeerde grondwet volledig ten uitvoer te leggen en de daarin verankerde rechten, met name die in de artikelen 17 en 19, te eerbiedigen;

2.  roept Eritrea ertoe op het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te ondertekenen, ratificeren en onmiddellijk toe te passen, en zijn verplichtingen in het kader van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en van het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren – die beiden een verbod op foltering inhouden – volledig na te komen;

3.  dringt aan op een beëindiging van de willekeurige arrestaties, gedwongen verdwijningen en detenties voor onbepaalde tijd zonder aanklacht of proces; onderstreept dat de Eritrese regering alle langdurig gedetineerden in de aanwezigheid van internationale waarnemers bij erkende rechtbanken moet voorgeleiden of moet vrijlaten, en dat alle gedetineerden die willekeurig en onwettig zijn opgesloten onmiddellijk moeten worden vrijgelaten;

4.  verzoekt de regering te erkennen dat de mensenrechten worden geschonden en ervoor te zorgen dat er volledig rekenschap wordt afgelegd voor de begane schendingen van de mensenrechten, met inbegrip van onder meer buitengerechtelijke executies, gedwongen verdwijningen, foltering, wederrechtelijke vrijheidsberoving, seksueel geweld en gedwongen arbeid, ook tijdens de militaire dienst;

5.  beveelt aan een einde te maken aan de militaire dienst voor onbepaalde duur door deze te beperken tot 18 maanden voor alle huidige en toekomstige dienstplichtigen – die minimaal 18 jaar moeten zijn – en te voorzien in het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren;

6.  veroordeelt de 'diasporabelasting' die de Eritrese regering via afpersing en andere onwettige middelen int bij Eritreeërs die buiten Eritrea wonen en die in strijd met VN-resoluties wordt gebruikt om gewapende groepen in buurlanden te financieren, waardoor de stabiliteit in de regio wordt ondermijnd;

7.  maakt zich grote zorgen over het extreem hoge aantal Eritrese vluchtelingen die de oversteek van de Middellandse Zee naar Europa wagen, en is van mening dat het antidemocratische en totalitaire regime in Eritrea hier de voornaamste oorzaak van is; spoort de president en de regering van Eritrea ertoe aan onmiddellijk hervormingen door te voeren;

8.  is er sterk van overtuigd dat de door de regering gecreëerde barre omstandigheden en het gebrek aan vrijheid, en met name de oproepen voor een militaire dienstplicht van onbepaalde tijd, bijdragen aan de migratie uit Eritrea, en dat deze niet alleen te wijten is aan de economische situatie van het land; wijst de Commissie erop dat deze kwesties niet worden opgelost door het uitbreiden van de steun in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds;

9.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, het Pan-Afrikaanse Parlement, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de Afrikaanse Unie, en de president, het parlement en de regering van Eritrea.

Juridische mededeling - Privacybeleid