Procedure : 2016/2568(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0320/2016

Ingediende teksten :

B8-0320/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/03/2016 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0090

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 290kWORD 95k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0318/2016
2.3.2016
PE579.750v01-00
 
B8-0320/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))


Judith Sargentini, Heidi Hautala, Barbara Lochbihler, Igor Šoltes, Maria Heubuch, Jordi Sebastià namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))  
B8-0320/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Eritrea, en met name die over de mensenrechten in Eritrea en de zaak van Dawit Isaak,

–  gezien het verslag 2015 van de VN-onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea,

–  gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 14 juli 2014 over de situatie van de mensenrechten in Eritrea,

–  gezien de verklaring van 18 september 2014 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over politieke gevangenen in Eritrea,

–  gezien resoluties 1862 (2009), 1907 (2009) en 2244 (2015) van de VN-Veiligheidsraad,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou van 23 juni 2000 als herzien,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Eritrea in 1993 onafhankelijk werd na een decennialange oorlog tegen Ethiopië;

B.  overwegende dat Eritrea en Ethiopië in 1998 een andere oorlog over de afbakening van hun grens uitvochten, waarbij meer dan 100 000 slachtoffers vielen;

C.  overwegende dat de gemeenschappelijke Grenscommissie Ethiopië-Eritrea, onder de auspiciën van het Permanent Hof van Arbitrage, in 2002 een besluit heeft genomen over de afbakening van de grens tussen beide landen; overwegende dat dit besluit door Ethiopië verworpen maar door Eritrea aanvaard werd, wat tot een patstelling en aanhoudende spanningen tussen beide landen leidde;

D.  overwegende dat Ethiopische strijdkrachten in maart 2012 aanvallen in Eritrea hebben uitgevoerd op vermeende stellingen van het Afar Revolutionary Democratic Unity Front (ARDUF); overwegende dat Ethiopië stelde dat het handelde uit vergelding voor de ontvoering van en moord op een groep Europese toeristen in januari 2011 in de Ethiopische deelstaat Afar; overwegende dat Eritrea verklaarde dat het geen represailles zou treffen;

E.  overwegende dat de president van Eritrea, Isaias Afewerki, in het land een draconisch totalitair regime heeft gevestigd, zonder een grondwet, totaal geen rechtsstatelijkheid noch mediavrijheid, geen godsdienstvrijheid, geen verkiezingen, willekeurige en eenzame opsluiting op grote schaal, foltering en een militaire dienstplicht die de VN omschrijft als slavernij, waarbij de gespannen veiligheidssituatie tussen Eritrea en Ethiopië als voorwendsel wordt gebruikt;

F.  overwegende dat de VN-onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea tot de vaststelling is gekomen dat de schendingen op het gebied van buitengerechtelijke executies, foltering (waaronder seksuele foltering en seksuele slavernij), dienstplicht als een vorm van slavernij, dwangarbeid en het schieten met scherp aan de grens misdaden tegen de menselijkheid kunnen inhouden;

G.  overwegende dat de EU, ondanks Eritrea's grove en stelselmatige schendingen van de essentiële en fundamentele elementen van de Overeenkomst van Cotonou inzake de mensenrechten, nooit overleg op grond van artikel 96 heeft opgestart, hoewel het Europees Parlement daartoe had opgeroepen;

H.  overwegende dat de EU daarentegen haar ontwikkelingsprogramma voor Eritrea opnieuw heeft ingevoerd en in januari 2016 een vijfjarig ontwikkelingsprogramma ter waarde van 200 miljoen EUR is aangegaan; overwegende dat de lidstaten dit programma unaniem hebben goedgekeurd hoewel het Europees Parlement het verworpen had;

I.  overwegende dat het EU-ontwikkelingsprogramma in Eritrea, volgens de EDEO, te kampen heeft met verschillende problemen op het gebied van begrotingscontrole en ‑toezicht, waaronder het ontbreken van een nationale begroting, een statistisch bureau of een controleorgaan, het gebrek aan een onafhankelijke centrale bank, capaciteitsgebrek van de Eritrese instellingen, het ontbreken van enige andere bedrijvigheid buiten de economische activiteiten die door het leger zijn goedgekeurd, de onstabiele wisselkoers, die door de militaire leiding wordt gecontroleerd, de onstabiele regionale situatie en de gevolgen daarvan voor de binnenlandse situatie, waaronder beperkingen op de toegang tot het land, het beperkte aantal ontwikkelingsactoren en de opstelling van het gastland ten aanzien van de doeltreffendheid van steun;

J.  overwegende dat Eritrea de EU toezeggingen had gedaan dat het de dienstplicht tot 18 maanden zou inkorten, maar nu heeft aangekondigd dat het door zal gaan met zijn beleid van oproeping voor onbepaalde tijd waarbij het de karige soldij voor dienstplichtigen met 700 % zal optrekken, een belofte die er kwam net na een devaluatie van de nationale munt, de nakfa;

K.  overwegende dat de VN-waarnemers hebben opgeroepen tot "waakzaamheid, monitoring en volledig toezicht inzake de toekenning van hoge steunbedragen aan Eritrea", aangezien de hulp anders gebruikt dreigt te worden voor het financieren van opstanden in de regio;

L.  overwegende dat de meeste hulporganisaties zich gedwongen zagen het land te verlaten nadat het regime in mei 2005 een wet had aangenomen om hun activiteiten te controleren;

M.  overwegende dat Eritrea, een van de 15 armste landen ter wereld, nog steeds sterk afhankelijk is van buitenlandse hulp; overwegende dat andere internationale donoren dan de EU hun bijdragen fors hebben teruggeschroefd vanwege de rampzalige staat van dienst van het Eritrese bewind op het gebied van de mensenrechten, de rol die het lijkt te spelen als regionale ordeverstoorder, en de enorme problemen die gepaard gaan met de uitvoering van en het toezicht op hulpprogramma's;

N.  overwegende dat sinds 2000 meer dan 300 000 Eritreeërs op een bevolking van naar schatting 6,3 miljoen het land zijn ontvlucht; overwegende dat volgens schattingen van de UNHCR maandelijks ongeveer 5 000 Eritreeërs het land verlaten, wat grotendeels wordt verklaard door het voortduren van ernstige mensenrechtenschendingen; overwegende dat de afgelopen jaren jaarlijks meer dan 30 000 Eritreeërs naar de EU zijn gevlucht; overwegende dat in 2014 in 61 % van de asielzaken de vluchtelingenstatus werd toegekend in de EU, terwijl nog eens 27 % van de asielzoekers subsidiaire bescherming kregen, wat de ernst van de vervolging in Eritrea aantoont;

O.  overwegende dat mensenhandel voor losgeld, met ernstige folterpraktijken in de Sinaï, tot gevolg heeft dat veel ontvoerde Eritrese vluchtelingen vermoord worden of verdwijnen, terwijl de zwaar getraumatiseerde overlevenden verstoken blijven van verzorging of ondersteuning; overwegende dat er volstrekte straffeloosheid heerst zolang de schuldigen niet zijn berecht;

P.  overwegende dat het bewind ook de Eritreeërs in het buitenland in zijn totalitaire greep heeft door geld van hen af te persen via een belasting van 2 % op buitenlandse inkomsten, door ze te bespioneren en door familieleden die in Eritrea zijn achtergebleven, te beschuldigen van vermeend wangedrag; overwegende dat in Nederland, Zwitserland, Zweden en Duitsland tolken bij asielgesprekken banden met het Eritrese bewind bleken te hebben;

Q.  overwegende dat mensenhandelaars in de Sinaï-woestijn naar verluidt meestal uit Eritrea en andere landen ten zuiden van de Sahara afkomstige asielzoekers en migranten, onder wie kinderen, weken- of maandenlang op verschillende plekken gegijzeld houden of misbruiken totdat hun familie in het buitenland losgeld betaalt om hen vrij te krijgen; overwegende dat Israël Eritrese vluchtelingen maar zelden asiel verleent en hen daarmee het recht op bescherming ontzegt;

R.  overwegende dat het Eritrese regime aan zijn grenzen met scherp schiet op Eritreeërs die het land ontvluchten, terwijl hoge militairen en grenswachters betrokken zijn bij mensenhandel;

S.  overwegende dat het EU-ontwikkelingsprogramma voor Eritrea voorziet in capaciteitsopbouw voor het gerechtelijk apparaat en bewustmaking rond het proces van Khartoem inzake regionale samenwerking met betrekking tot de migratieproblematiek;

T.  overwegende dat de grondwet uit 1997 nooit ten uitvoer is gelegd; overwegende dat de president in 2014 de opstelling van een nieuwe grondwet beloofde maar dat daar tot dusver niets van in huis is gekomen;

U.  overwegende dat er slechts één wettige partij is, het Volksfront voor democratie en rechtvaardigheid (People's Front for Democracy and Justice, PFDJ); overwegende dat andere politieke partijen verboden zijn; overwegende dat volgens Freedom House de PFDJ en het leger in de praktijk de enige instellingen van politiek belang zijn in Eritrea, en dat beide strikt ondergeschikt zijn aan de president;

V.  overwegende dat president Afewerki democratische verkiezingen voor onbepaalde tijd heeft uitgesteld;

W.  overwegende dat in 2001 vijftien vooraanstaande regerings- en partijfiguren (die nu bekendstaan als de G-15) het steeds repressievere politieke klimaat in Eritrea aan de kaak stelden, het leiderschap van de president bekritiseerden en aandrongen op de toepassing van de nationale grondwet; overwegende dat deze kritiek bericht en uitvoerig becommentarieerd werd in de destijds alsmaar assertievere onafhankelijke pers;

X.  overwegende dat dit leidde tot de aanhouding van elf van de G-15, terwijl de overige vier wisten te vluchten; overwegende dat zij sindsdien van de buitenwereld zijn afgesloten, zonder dat er een aanklacht tegen hen is geformuleerd en zonder informatie over de plaats en omstandigheden van de detentie, of de gezondheidstoestand van de gevangenen; overwegende dat enkele leden van de G-15 wellicht in gevangenschap zijn overleden; overwegende dat enkele dagen na hun aanhouding tien onafhankelijke journalisten, onder wie Dawit Isaak, een Zweeds-Eritrese journalist, werden gearresteerd en acht onafhankelijke kranten werden opgedoekt, met als argument dat zij een gevaar vormden voor de nationale veiligheid; overwegende dat andersdenkendheid onder onafhankelijke perslui en studenten hierna verder de kop werd ingedrukt; overwegende dat er sindsdien van mediavrijheid helemaal geen sprake meer is, waardoor Eritrea de afgelopen acht jaar telkens op de laatste plaats in de persvrijheidindex van Verslaggevers zonder Grenzen prijkte en is uitgegroeid tot Afrika's grootste gevangenis voor mediapersoneel, met 16 gedetineerde journalisten in 2015;

Y.  overwegende dat de vertegenwoordiger van het EU-Raadsvoorzitterschap, de Italiaanse ambassadeur Antonio Bandini, naar aanleiding van de repressie in 2001 een protestbrief naar de autoriteiten stuurde en prompt werd uitgewezen;

Z.  overwegende dat de zaak van de G-15 aanhangig werd gemaakt bij de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en van de volkeren, die de arrestatie van de elf regeringsfunctionarissen in 2001 door Eritrea en het feit dat ze nog steeds opgesloten zaten, in strijd achtte met het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren; overwegende dat de Afrikaanse Unie Eritrea heeft opgeroepen de elf gedetineerden onverwijld vrij te laten; overwegende dat de regering van Eritrea in reactie op dat verslag stelde dat het feit dat de berechting van de gevangenen op zich liet wachten, louter aan de normale procedure lag;

AA.  overwegende dat internationale organisaties geen toegang hebben gekregen tot strafinrichtingen, met uitzondering van één bovengrondse gevangenis in Asmara; overwegende dat de (meer dan 200) andere detentiefaciliteiten over het hele land ontoegankelijk blijven en dat gevangenen, met inbegrip van vrouwen en kinderen, naar verluidt gefolterd, in afzondering opgesloten en lange tijd in uiterst onmenselijke omstandigheden op donkere plaatsen onder de grond of in scheepscontainers vastgehouden worden, na bij willekeurige arrestaties te zijn opgesloten zonder enige toegang tot een onafhankelijke rechtbank of een eerlijk proces;

AB.  overwegende dat de Eritrese autoriteiten Dawit Isaak niet hebben vrijgelaten, ondanks twee habeas corpus-verzoeken, waarvan de autoriteiten de ontvangst niet hebben bevestigd;

AC.  overwegende dat het Eritrese parlement sinds 2002 niet is bijeengekomen; overwegende dat de regering uitsluitend bij decreet regeert, wat betekent dat belangrijke beleidsmaatregelen van de regering, waaronder maatregelen met zware gevolgen voor de individuele rechten en vrijheden, niet in de wetgeving vastgelegd zijn en gewoon worden "aangekondigd" door regeringsmedia of in berichten van lokale overheden, met alle onduidelijkheid van dien;

AD.  overwegende dat optreden van het maatschappelijk middenveld sterk aan banden is gelegd; overwegende dat de regeringspartij in 1993 bijvoorbeeld besloot de activiteiten van het Regionaal Centrum voor mensenrechten en ontwikkeling – de in 1992 opgerichte eerste nationale Eritrese ngo – op te schorten nadat het een conferentie over "ngo-beleid, multilateraal beleid en landbouwkrediet in Eritrea" had georganiseerd en honderden onafhankelijke waarnemers had aangezocht om toe te zien op het in april 1993 gehouden referendum over de Eritrese onafhankelijkheid;

AE.  overwegende dat de Universiteit van Asmara, Eritrea's enige universiteit, in 2006 gesloten werd na protesten tegen het regime; overwegende dat het onderwijsstelsel onder militaire controle staat;

AF.  overwegende dat de VN-werkgroep inzake willekeurige detentie de detenties in Eritrea heeft veroordeeld omdat ze het internationaal recht schenden;

AG.  overwegende dat de rechterlijke macht niet onafhankelijk is; overwegende dat rechters naar wens van de president benoemd, overgeplaatst en afgezet worden en blootstaan aan beïnvloeding en sturing van hun optreden;

AH.  overwegende dat het regime in 1996 een bijzondere rechtbank heeft ingesteld, bestaande uit rechtstreeks door de president benoemde hoge militaire officieren, voor het behandelen van zaken waarbij hoge ambtenaren betrokken zijn op beschuldiging van corruptie, misbruik van overheidsgeld en andere halsmisdaden; overwegende dat deze bijzondere rechtbank, bij gebrek aan onafhankelijkheid van de uitvoerende macht, opgeleid personeel en waarborgen voor een eerlijk proces, al snel een middel werd om andersdenkendheid en kritiek de kop in te drukken;

AI.  overwegende dat de Eritrese regering in mei 2002 de "ontwikkelingscampagne Warsai Yikealo" invoerde, waarbij de dienstplicht voor onbepaalde tijd is verlengd en alle laatstejaarsscholieren verplicht zijn een militaire opleiding te volgen en hun middelbare school af te maken en eindexamens af te leggen in een legerkamp; overwegende dat jonge studenten lange tijd niet met hun ouders of verwanten mogen communiceren; overwegende dat de dienstplichtigen, afgezien van de landsverdediging, gedwongen worden in de landbouw, wegenbouw of mijnbouw te werken zonder een passende financiële vergoeding en in op slavernij gelijkende omstandigheden; overwegende dat er hoogstwaarschijnlijk een verband bestaat tussen deze dienstplicht en de grote migratiestromen uit Eritrea; overwegende dat Eritrea het recht op dienstweigering op grond van gewetensbezwaren niet erkent;

AJ.  overwegende dat de VN-onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea melding heeft gemaakt van talrijke gevallen van dwangarbeid, onder meer voor een Canadees mijnbouwbedrijf;

AK.  overwegende dat gas- en olievondsten voor de kust van Eritrea de belangstelling van nog meer bedrijven heeft gewekt voor ontginningsdoeleinden;

AL.  overwegende dat het straffen van familieleden voor het gedrag van verwanten een wijdverbreide praktijk is in Eritrea;

AM.  overwegende dat discriminatie en geweld jegens vrouwen in alle geledingen van de Eritrese samenleving voorkomen; overwegende dat vrouwen niet alleen groot gevaar op seksueel geweld lopen in het leger en militaire opleidingskampen maar ook in de samenleving in het algemeen, waar geweld jegens vrouwen wordt gepleegd in een klimaat van straffeloosheid;

AN.  overwegende dat naar schatting 89 % van de meisjes in Eritrea genitale verminking hebben ondergaan; overwegende dat de regering in maart 2007 afkondigde dat vrouwelijke genitale verminking een misdaad is, deze praktijk verbood en dat jaar voorlichtingsprogramma's ondersteunde ter ontmoediging ervan;

AO.  overwegende dat veel vrouwen en meisjes het land arm en zonder enige bestaansmiddelen ontvluchten, omdat ze in Eritrea afhankelijk zijn van voedselbonnen, die ze niet langer ontvangen als hun mannelijke familieleden er niet meer verblijven; overwegende dat de behoefte aan bescherming van vrouwen en meisjes op grond van de eerbiediging van het recht op leven volgens het internationaal recht een reden is om asiel te verlenen;

AP.  overwegende dat de economie hoofdzakelijk uit traditionele zelfvoorzieningslandbouw bestaat, met chronische problemen op het vlak van voedselonzekerheid en een door de PFDJ gecontroleerde informele economie die gebaseerd is op transacties in harde valuta via een ondoorzichtig netwerk van ondernemingen die in verschillende rechtsgebieden gevestigd zijn;

AQ.  overwegende dat Eritrea op de laatste plaats staat in de 189 landen tellende ranglijst "Ease of Doing Business" 2015 van de Wereldbank;

AR.  overwegende dat Eritrese strijdkrachten in juni 2008 de grens met Djibouti overstaken en Ras Doumeira innamen, waarbij op zijn minst negen Djiboutiaanse soldaten om het leven kwamen; overwegende dat Eritrea zijn troepen pas twee jaar later terugtrok;

AS.  overwegende dat de VN-Veiligheidsraad Eritrea in december 2009 sancties oplegde, waaronder een wapenembargo, reisverboden en de bevriezing van de tegoeden van een aantal politieke en militaire functionarissen van het land, nadat Eritrea steun bleef geven aan bepaalde regionale gewapende groeperingen die regionale regeringen omver probeerden te werpen, met name in Somalië; overwegende dat de Veiligheidsraad in juni 2015 zijn wapenembargo tegen de Eritrese regering bevestigde;

AT.  overwegende dat Saudi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten volgens VN-waarnemers militair aanwezig zijn in Eritrea als onderdeel van de militaire campagne tegen de Houthi-rebellen in Jemen;

AU.  overwegende dat de PFDJ de vluchtelingen- en diasporagemeenschappen controleert en in de gaten houdt via de ambassades, die betrokken zijn bij de afpersing van diasporabelastingen en "vrijwillige" afdrachten in ruil voor diensten, zoals de afgifte van identiteitspapieren, paspoorten, geboortebewijzen en essentiële documenten waarvan vluchtelingen afhankelijk kunnen zijn; overwegende dat deze praktijken in strijd zijn met het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en dat de VN-Veiligheidsraad de VN-lidstaten in een resolutie uit 2009 en daaropvolgende resoluties heeft verzocht met afpersing te stoppen;

AV.  overwegende dat de ambassades betrokken zijn bij een campagne om de werkzaamheden van de VN-onderzoekscommissie te ondermijnen door leden van de Eritrese diaspora- en vluchtelingengemeenschap te dwingen documenten te ondertekenen waarin staat dat ze vrijwillig hun dienstplicht hebben vervuld en economische vluchtelingen zijn;

AW.  overwegende dat de VN-onderzoekscommissie, de speciale rapporteur van de VN en de VN-monitoringgroep voor Eritrea en Somalië de toegang tot Eritrea is ontzegd;

AX.  overwegende dat de PFDJ, via zijn afdelingen, waaronder de jongerenafdelingen, een uitgebreid internationaal netwerk van informanten heeft opgezet om informatie over "vijanden" te verzamelen, en betrokken is bij illegale handel en afpersing in EU-lidstaten; overwegende dat dit heeft geleid tot de uitzetting van een Eritrese diplomaat door Zweden in 2015;

AY.  overwegende dat leiders van de jeugdorganisatie van de PFDJ in Nederland rechtszaken tegen Nederlandse academici, media en overheidsinstellingen hebben aangespannen, met steun van de politieke leiding in Asmara, vermoedelijk om critici van het regime het zwijgen op te leggen;

AZ.  overwegende dat de vluchtelingengemeenschappen in de buurlanden en elders door het Eritrese regime gecontroleerd en voortdurend in de gaten gehouden worden; overwegende dat vluchtelingen door het Eritrese leger uit buurlanden of bevriende landen worden ontvoerd en naar Eritrea worden teruggebracht, en dat het aantal onbegeleide minderjarigen die het land ontvluchten, toeneemt terwijl vluchtelingen na hun vlucht in een aantal landen met onvoldoende veiligheid en ondersteuning geconfronteerd worden en voortdurend represailles vrezen;

BA.  overwegende dat Eritrese vluchtelingen uit Israël vrijwillig naar Rwanda en Uganda worden gedeporteerd, maar in die landen geen asiel krijgen, en worden weggesmokkeld naar Zuid-Sudan, waar zij gevangen worden gezet wegens illegale grensoverschrijding, of naar Sudan en Libië, waar velen in de handen van terroristische organisaties vallen;

1.  is geschokt over de rampzalige mensenrechtensituatie in Eritrea en het volledig ontbreken van rechtsstatelijkheid en mediavrijheid;

2.  herinnert Eritrea aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Cotonou om mensenrechten, democratische waarden en de rechtsstaat te respecteren;

3.  veroordeelt met klem Eritrea's voortdurende schendingen van deze beginselen, waaronder foltering, buitengerechtelijke executies, eenzame opsluiting zonder tenlastelegging of zonder proces, het schieten met scherp aan de grenzen en het op slavernij lijkende dienstplichtsysteem;

4.  roept Eritrea op de grondrechten van alle Eritreeërs te respecteren en te beschermen – inclusief de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering–, de media onverwijld open te stellen, de oppositieleiders in ballingschap te laten terugkeren naar het land, alle politieke gevangenen onvoorwaardelijk vrij te laten, te stoppen met het beknotten van maatschappelijke organisaties, en uitvoering te geven aan de andere aanbevelingen die de VN-Mensenrechtenraad heeft gedaan in de universele periodieke doorlichting van de Staat Eritrea in 2014;

5.  is met name bezorgd over de continue gevangenhouding zonder aanklacht, proces of bijstand van een raadsman, sedert 18 september 2001, van een groep van elf prominente leden van het Eritrese parlement en van het Volksfront voor democratie en rechtvaardigheid, en, sedert 23 september 2001, van tien onafhankelijke journalisten, waaronder de Eritrese EU-burger Dawit Isaak;

6.  verzoekt de regering van Eritrea met klem deze gevangenen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten, samen met anderen die wegens hun politieke standpunten gevangen worden gehouden, en vraagt dat alle informatie over de verblijfplaats van deze gevangenen openbaar wordt gemaakt en dat ze contact met hun familieleden en advocaten mogen opnemen, niet het minst om humanitaire redenen;

7.  dringt er bij de regering van Eritrea op aan de gedetineerden vrije en eerlijke toegang tot een onafhankelijk gerechtelijk apparaat te verlenen en de omstandigheden in de gevangenissen te verbeteren, onder meer door het gebruik van ondergrondse cellen en scheepscontainers voor het opsluiten van gevangenen te verbieden, niet langer gebruik te maken van geheime detentiecentra, geheime rechtbanken en eenzame opsluiting, alsmede verwanten, advocaten, medisch personeel en andere bevoegde en wettelijk erkende autoriteiten en instellingen regelmatig toegang tot de gevangenen te verlenen;

8.  verzoekt de regering van Eritrea een einde te maken aan het systeem van militaire dienst voor onbepaalde duur door de dienstplichtigen die hun 18 maanden militaire dienst hebben vervuld, uit het leger te ontslaan en door daadwerkelijk ermee te stoppen de dienstplichtigen nadien voor dwangarbeid in te zetten, te voorzien in de mogelijkheid om militaire dienst op grond van gewetensbezwaren te weigeren, en een einde te maken aan de verplichting voor alle scholieren om hun laatste schooljaar in een militair opleidingskamp door te brengen;

9.  neemt nota van de bevindingen van de VN-onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea in verband met dwangarbeid voor internationale bedrijven; meent dat dit andermaal wijst op de behoefte aan een wettelijk bindend internationaal instrument voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten;

10.  vraagt om humanitaire en mensenrechtenorganisaties onbevreesd en zonder intimidatie te laten werken in Eritrea, en dringt erop aan de volledige uitvoering van het samenwerkingskader voor een strategisch partnerschap voor de periode 2013-2016, dat de regering van Eritrea en de VN op 28 januari 2013 hebben gesloten, in de hand te werken;

11.  dringt er bij president Afewerki op aan de grondwet uit te voeren die in overleg met alle belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld werd opgesteld en is aangenomen;

12.  prijst de maatregelen die de Eritrese regering heeft genomen ter bestrijding van vrouwelijke genitale verminking; roept de regering ertoe op de bevordering en verdediging van de rechten van de vrouw in het algemeen te verbeteren, onder meer door aanvullende maatregelen te treffen ter bestrijding van schadelijke praktijken, zoals het kindhuwelijk, het huwelijk op jonge leeftijd en het gedwongen huwelijk, en een einde te maken aan straffeloosheid in gevallen van seksueel geweld;

13.  dringt er bij de regering op aan een einde te maken aan het beleid van "schuld door associatie" ten aanzien van familieleden van mensen die zich aan de dienstplicht onttrekken, Eritrea trachten te ontvluchten of de 2 % inkomstenbelasting niet betalen die de regering aan Eritreeërs in het buitenland oplegt;

14.  twijfelt aan de doeltreffendheid van het beleid van "hernieuwde samenwerking" dat de EU ten aanzien van Eritrea heeft aangenomen; merkt op dat dit beleid geen resultaten heeft opgeleverd, aangezien geen enkele politieke gevangene, zelfs niet Dawit Isaak, is vrijgelaten en er geen vooruitgang is geboekt in verband met enige andere mensenrechtenkwestie; betreurt dat de bezorgdheid van het Parlement in verband met het nationaal indicatief programma dat onlangs tussen de EU en Eritrea is afgesloten, door de Commissie en de Raad volledig is genegeerd; beklemtoont dat deze bezorgdheid hoofdzakelijk betrekking heeft op de omvang en ernst van de mensenrechtenschendingen door het Eritrese regime, de vele tekenen dat het weinig inzit met het welzijn van zijn burgers, de geringe betrouwbaarheid van het regime als partner op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, de wijdverbreide corruptie en de haast volledige ondoorzichtigheid van het beheer van de overheidsfinanciën in het land, en het risico dat EOF-middelen voor migratiebeheer worden misbruikt; vraagt om de samenwerking onmiddellijk op te schorten in het licht van de recente aankondiging van Eritrea dat het zal doorgaan met de oproeping voor het leger voor onbepaalde duur in op slavernij lijkende omstandigheden;

15.  betreurt het ontbreken van enige vorm van politieke dialoog tussen Eritrea en de EU in het kader van de Overeenkomst van Cotonou; begrijpt niet waarom de EU nooit overleg op grond van artikel 96 heeft opgestart met Eritrea en dringt erop aan dat onmiddellijk te doen;

16.  betreurt de pogingen van de EU om met Eritrea samen te werken op het gebied van migratie; wijst erop dat de Eritrese ordestrijdkrachten zelf betrokken zijn bij smokkelactiviteiten, en vraagt een onafhankelijk onderzoek naar de commandostructuur in verband met het smokkelen van Eritrese migranten; stipt aan dat het Eritrese leger aan de grens met scherp schiet op mensen die het land trachten te ontvluchten, en vraagt om daar onmiddellijk mee te stoppen; herinnert de regering van Eritrea aan haar verplichting haar eigen burgers te beschermen; wijst er voorts op dat de regering van Eritrea als dader van ernstige en aanhoudende mensenrechtenschendingen tegen zijn burgers wordt beschouwd; verzoekt de Commissie en de lidstaten bovendien onmiddellijk een eind te maken aan de samenwerking inzake het voorkomen van illegale migratie en verbetering van grenscontroles met Eritrea; wijst erop dat Eritreeërs in de EU-lidstaten in erg veel gevallen asiel of subsidiaire bescherming verleend krijgen, en roept de lidstaten dan ook op om Eritreeërs die asiel zoeken in Europa, niet terug te sturen; is met name bezorgd omdat de aankondiging door de Eritrese regering dat zij de dienstplicht tot 18 maanden zal beperken, waarvan de toepassing niet is gecontroleerd, een aantal EU-lidstaten ertoe heeft gebracht zich harder op te stellen tegenover Eritrese asielzoekers;

17.  dringt er bij de EU op aan te waarborgen dat haar delegaties in de landen rond Eritrea de toegang van Eritrese asielzoekers tot de UNHCR en asieldiensten vergemakkelijken; verzoekt alle internationale organisaties te zorgen voor snelle en transparante procedures voor vluchtelingen; vraagt om voorrang te geven aan de behoeften aan internationale bescherming van slachtoffers van foltering en mensenhandel;

18.  erkent dat Egypte het recht heeft het verkeer aan zijn grenzen te reguleren, maar vraagt de Egyptische overheid en politietroepen met aandrang illegale migranten die de landsgrenzen overschrijden niet met dodelijk geweld tegemoet te treden, het internationale recht inzake de mensenrechten en de internationale normen voor de behandeling van migranten na te leven, hun waardigheid en lichamelijke en geestelijke onschendbaarheid te beschermen, hun recht op een eerlijk proces te eerbiedigen, erop toe te zien dat gearresteerde migranten in contact kunnen treden met de UNHCR, en de UNHCR toegang te verlenen tot alle asielzoekers en vluchtelingen die door de overheid gevangen worden gehouden; vraagt de Egyptische overheid met aandrang de nodige maatregelen te nemen om de vrijlating van de gegijzelde Eritreeërs te bewerkstelligen;

19.  dringt er bij de Israëlische autoriteiten op aan het recht op bescherming van Eritrese vluchtelingen te erkennen en ze zo nodig asiel te verlenen;

20.  vraagt de EU zich veel harder op te stellen tegenover het Eritrese regime indien er geen vooruitgang wordt geboekt inzake de mensenrechten, en gerichte beperkende maatregelen in overweging te nemen, zoals reisverboden voor en de bevriezing van tegoeden van degenen wier handelingen geleid kunnen hebben, of wellicht kunnen leiden, tot geweldpleging, onderdrukking en ernstige mensenrechtenschendingen; wijst erop dat alleen sancties zoals die van de VN tot dusver enig resultaat hebben opgeleverd in Eritrea;

21.  verzoekt de EU-lidstaten de werking van de Eritrese ambassades te onderzoeken en ervoor te zorgen dat asielaanvragen geenszins aan de medewerking van de Eritrese ambassades gekoppeld zijn;

22.  vraagt Eritrea zijn volledige medewerking te verlenen aan de VN-monitoringgroep voor Eritrea en Somalië, de VN-onderzoekscommissie voor Eritrea en de speciale VN-rapporteur, en hen toegang tot het land te verlenen;

23.  verzoekt de VN, de Afrikaanse Unie, de EU en bilaterale partners van Ethiopië druk uit te oefenen op Ethiopië om de voorgestelde grensafbakening te aanvaarden, wat tot minder spanningen tussen Ethiopië en Eritrea zou leiden, wat op zijn beurt de stabiliteit in de hele Hoorn van Afrika ten goede zou komen en het Eritrese regime geen reden meer zou geven voor de handhaving van uitzonderlijke maatregelen;

24.  roept alle internationale bedrijven die in Eritrea investeren, ertoe op de volledige verwezenlijking van de mensenrechten in acht te nemen en geen schade te berokkenen;

25  dringt er bij de EU-lidstaten op aan een onderzoek in te stellen naar de ambassades en de rol van de PFDJ en haar verschillende afdelingen, inclusief de jongerenafdeling, en elke vorm van samenwerking en activiteiten te verbieden die rechtstreeks bijdragen tot controle en spionage in Europa, indruisen tegen democratische beginselen en de rechtsstaat, en patronen van intimidatie en afpersing doen ontstaan; dringt er bij de lidstaten op aan zich in te spannen voor de beëindiging van de diasporabelasting, een onderzoek in te stellen naar de financiële transacties in verband met andere "bijdragen" die door verenigingen met banden met de Eritrese regering in het buitenland worden geïnd, en de asielrechten van alle Eritrese vluchtelingen in Europa volledig te beschermen;

26.  dringt erop aan dat Eritrea informatie beschikbaar stelt over de Djiboutiaanse strijders die sinds de gevechten van 10 tot 12 juni 2008 vermist zijn, zodat de bevoegde instanties de aanwezigheid en de gezondheidstoestand van de Djiboutiaanse krijgsgevangenen kunnen vaststellen;

27.  herhaalt zijn verzoek dat er een nationale, inter-Eritrese conferentie wordt gehouden, waarop de diverse partijleiders en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld elkaar kunnen ontmoeten om een oplossing voor de huidige crisis te vinden en het land op weg te zetten naar democratie, politieke pluriformiteit en duurzame ontwikkeling;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, de regeringen van Eritrea, Egypte en Israël, de Afrikaanse Unie, en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties.

Juridische mededeling - Privacybeleid