Procedure : 2016/2568(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0324/2016

Ingediende teksten :

B8-0324/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 10/03/2016 - 7.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0090

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 177kWORD 74k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0318/2016
2.3.2016
PE579.754v01-00
 
B8-0324/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))


Davor Ivo Stier, Lars Adaktusson, Lara Comi, Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Michael Gahler, György Hölvényi, Roberta Metsola, Maurice Ponga, Cristian Dan Preda, Fernando Ruas, Antonio Tajani, Bogdan Brunon Wenta, Joachim Zeller namens de PPE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Eritrea (2016/2568(RSP))  
B8-0324/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn debat van 27 mei 2015 over EU-ontwikkelingshulp aan Eritrea in het licht van schriftelijk vastgelegde mensenrechtenschendingen,

–  gezien de verklaring van de speciale VN-rapporteur over de mensenrechtensituatie in Eritrea, Sheila B. Keetharuth, afgelegd op 28 oktober 2015 tijdens de 70e Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien het verslag van de VN-onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea van 4 juni 2015,

–  gezien resolutie 1907 (2009) van de VN-Veiligheidsraad, waarin Eritrea een wapenembargo en zijn leiders een reisverbod werden opgelegd, en waarin werd besloten de activa van een aantal politieke en militaire functionarissen van het land te bevriezen, nadat de regering van Eritrea ervan was beschuldigd Al-Shabaab in Somalië te ondersteunen en de terugtrekking van zijn troepen van de betwiste grens met Djibouti, naar verluidt, te weigeren,

–  gezien resolutie 2023(2011) van de VN-Veiligheidsraad, waarin de sancties tegen Eritrea werden aangescherpt,

–  gezien resolutie 2244(2015) van de VN-Veiligheidsraad, waarin de wapenembargo's tegen Somalië en Eritrea werden uitgebreid,

–  gezien Besluit 2010/127/CFSP van de Raad van 1 maart 2010 betreffende restrictieve maatregelen tegen Eritrea(1), zoals gewijzigd door Besluit 2010/414/CFSP van de Raad van 26 juli 2010(2), zoals verder gewijzigd door Besluit 2012/632/CFSP van de Raad van 15 oktober 2012(3).

–  gezien Verordening (EG) nr. 667/2010 van de Raad van 26 juli 2010 inzake beperkende maatregelen ten aanzien van Eritrea(4),

–  gezien de verklaring afgelegd door de woordvoerder van de EDEO op 18 september 2014 over politieke gevangenen in Eritrea,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over migratie van 18 februari 2016,

–  gezien de conclusies van de top van Valetta van 12 november 2015,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat een sterke verbintenis om de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat overal ter wereld te bevorderen en te beschermen, de basis vormt van de Europese Unie, en overwegende dat deze beginselen in de oprichtingsverdragen van de EU zijn opgenomen;

B.  overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie is bepaald dat het "internationaal optreden van de Unie berust en is gericht op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

C.  overwegende dat volgens de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten in Eritrea er drie belangrijke punten van zorg zijn: het genot van economische, sociale en culturele rechten, waaronder het recht op passende huisvesting; smokkel en illegale handel; het stijgende aantal niet-begeleide minderjarigen dat deel uitmaakt van de ruim 5000 personen die maandelijks het land ontvluchten;

D.  overwegende dat de belangrijkste reden om het land te ontvluchten de dienstplicht blijft, die feitelijk gelijkstaat met dwangarbeid; overwegende dat in dit kader onevenredige straffen voor onbeduidende misstappen worden opgelegd en het risico bestaat om tientallen jaren in dienst te worden gehouden; overwegende dat de regering voorwendt zo de integriteit van de staat te verdedigen en ervoor te zorgen dat het land zelfverzorgend is;

E.  overwegende dat het recht op passende huisvesting wordt bedreigd door gedwongen uitzettingen en dat dit recht sterker in gedrang is gekomen sinds begin 2015; overwegende dat circa 800 huizen zijn gesloopt in Asmara en in een aantal andere dorpen in de buurt van Asmara, evenals in andere steden, zoals Adi Keyh; overwegende dat circa 3000 personen dakloos zijn geworden als gevolg van de gedwongen uitzettingen en de sloop;

F.  overwegende dat op 26 juni 2015 honderden Eritrese vluchtelingen voor het hoofdkantoor van de Afrikaanse Unie hebben gedemonstreerd, om de regionale organisatie ertoe aan te zetten aan te sturen op democratische hervormingen in hun moederland; overwegende dat demonstranten de al lang zittende president van Eritrea Isaias Afewerki ervan hebben beschuldigd een dictator te zijn en de Afrikaanse Unie hebben opgeroepen tussenbeide te komen;

G.  overwegende dat volgens de VN-onderzoekscommissie voor de mensenrechten in Eritrea de Eritrese regering "stelselmatige, wijdverspreide en grove schendingen van de mensenrechten" begaat zonder hierover verantwoording te hoeven afleggen; overwegende dat het genot van rechten en vrijheden ernstig wordt beknot in een algehele context van een falende rechtsstaat; overwegende dat de schendingen op het gebied van buitengerechtelijke executies, foltering (waaronder seksuele foltering), dienstplicht en dwangarbeid misdaden tegen de menselijkheid kunnen inhouden;

H.  overwegende dat volgens het verslag getiteld "Human Smuggling and Trafficking on the Horn of Africa-Central Mediterranean Route" van het Veiligheidssectorprogramma (ISSP) van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD) en de in Nairobi gevestigde SAHAN-stichting, Eritrese diplomaten en vooraanstaande burgers van het land aan de Rode Zee massaal betrokken zijn bij mensenhandel en -smokkel in de Hoorn van Afrika;

I.  overwegende dat Eritrea onderaan de ranglijst betreffende persvrijheid in 2015 van Verslaggevers zonder Grenzen staat, onder Noord-Korea;

J.  overwegende dat Human Rights Watch benadrukt dat er in Eritrea geen sprake is van vrijheid van godsdienst; overwegende dat de regering burgers die een andere godsdienst dan de vier in het land erkende godsdiensten belijden, het leven zeer moeilijk maakt; overwegende dat de regering zich zelfs mengt in de manier waarop aanhangers van een van de erkende godsdiensten hun religie uitoefenen;

K.  overwegende dat de EU Eritrea in eerste instantie in maart 2010 sancties heeft opgelegd om resolutie 1907 (2009) van de VN-Veiligheidsraad ten uitvoer te leggen, en overwegende dat deze een wapenembargo, reisverboden en tegoedbevriezingen voor personen die een dreiging voor vrede en nationale verzoening vormen, omvatten;

L.  overwegende dat de Eritrese minister van nationale ontwikkeling en het EU-delegatiehoofd op 28 januari 2016 in Asmara het nationaal indicatief programma (NIP) hebben ondertekend in het kader van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), ter waarde van EUR 200 miljoen voor de komende vijf jaar; overwegende dat de nadruk moet komen te liggen op hernieuwbare energie, bestuur en het beheer van overheidsfinanciën in het bijzonder in de energiesector;

M.  overwegende dat op 13 november 2015 de Commissie ontwikkelingssamenwerking van het Parlement, de Commissie en de Europese Dienst voor Extern Optreden heeft verzocht rekening te houden met de aan het Comité van het EOF toegezonden conclusies over het ontwerp van nationaal indicatief programma voor Eritrea, waarin wordt verwezen naar de schaal en de ernst van de mensenrechtenschendingen begaan door het Eritrese regime, de geringe betrouwbaarheid van dit regime als partner in ontwikkelingssamenwerking, de wijdverbreide corruptie en het feitelijke totale gebrek aan transparantie in het beheer van de overheidsfinanciën in het land, en het risico op misbruik van EOF-middelen voor migratiebeheer; overwegende dat de Commissie ontwikkelingssamenwerking het Comité van het EOF heeft opgeroepen het NIP niet aan te nemen in afwachting van verdere besprekingen;

N.  overwegende dat op 19 november 2015 het Comité van het EOF het NIP voor Eritrea met algemene stemmen heeft aangenomen zonder enige wijzing van betekenis van het aanvankelijke Commisievoorstel;

O.  overwegende dat de regeringen in Europa het stijgende aantal vluchtelingen, asielzoekers en migranten in het Middellandse Zeegebied en langs andere illegale routes, nauwelijks aankunnen; overwegende dat volgens VN-schattingen, 9% van de Eritrese bevolking van 4,5 miljoen mensen het land reeds is ontvlucht; overwegende dat in 2015 Eritreeërs de op drie na grootste groep asielzoekers in Europa vormden, na Syriërs, Irakezen en Afghanen;

1.  roept de Eritrese autoriteiten op om alle politieke gevangenen vrij te laten, de dienstplicht te hervormen en te verkorten, een einde te maken aan alle verplichte uitzettingen en alle sloop en de sociale huisvesting uit te breiden; benadrukt dat Eritrea het recht op onderwijs zonder dwang moet eerbiedigen en uitvoeren, en dat het niet-eerbiedigen hiervan ertoe leidt dat veel jonge Eritreeërs het land ontvluchten;

2.  benadrukt dat "het tekort aan gerechtigheid", het democratisch bestuur en het herstel van de rechtsstaat in de eerste plaats moeten worden aangepakt door een einde te maken aan het autoritaire bewind dat berust op de angst voor dienstplicht voor onbepaalde tijd, willekeurige detentie in volledige isolatie, foltering en andere mensenrechtenschendingen;

3.  drukt diepe bezorgdheid uit over de geringe vrijheid van meningsuiting en over het feit dat er nog altijd politieke gevangenen worden vastgehouden in strijd met de beginselen van de rechtsstaat; vraagt om de onmiddellijke vrijlating van de Zweeds-Eritese journalist Dawit Isaak, die sinds september 2001 in barre omstandigheden en zonder proces wordt vastgehouden; onderstreept met de grootste nadruk het spoedeisende karakter van deze zaak;

4.  herhaalt dat vrijheid van meningsuiting een grondrecht is, en veroordeelt met klem iedere vorm van geweld of discriminatie op grond van godsdienst;

5.  benadrukt dat duurzame vrede, ontwikkeling en welvaart slechts kunnen bestaan indien de mensenrechten worden geëerbiedigd; roept de lidstaten, de EU en andere internationale donors ertoe op blijk te geven van passende zorgvuldigheid wat betreft de mensenrechtensituatie in het kader van ontwikkelingssamenwerking;

6.  herinnert eraan dat de eerbiediging van de mensenrechten tot de kernwaarden behoort van het buitenlands beleid van de EU en van de omvattende benadering van de EU jegens de Hoorn van Afrika, en dat de mensenrechtensituatie dan ook regelmatig moet worden besproken in de dialoog met Eritrea; is in dit kader van mening dat de onvoorwaardelijke aard van de ontwikkelingshulp waarover de EU en Eritrea het onlangs eens zijn geworden afbreuk zou kunnen doen aan de hoofdbeginselen van de EU-benadering van deze onstabiele Afrikaanse regio;

7.  is van mening dat het Comité van het EOF rekening had moeten houden met de aanbevelingen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking om het NIP niet aan te nemen en nadere besprekingen aan te gaan; meent dat het besluit om het NIP voor Eritrea aan te nemen ondanks bezwaren van het Parlement een democratisch tekort aan het licht brengt en de rol van het Parlement om ervoor te zorgen dat de EU-ontwikkelingsdoelen daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd, ernstig ondermijnt; wenst in dit verband dat aan het Parlement controlebevoegdheden over het EOF worden toegekend via een interinstitutionele overeenkomst met een bindend karakter op grond van artikel 295 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; onderstreept dat de conclusies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking over ontwerp-programmeringsdocumenten automatisch door de Commissie aan de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten moeten worden gestuurd;

8.  onderstreept dat democratisch bestuur en sociaal-economische ontwikkeling in Eritrea zullen leiden tot een hogere productiviteit, meer investeringen en meer banen en commerciële mogelijkheden, en dan ook van het allergrootste belang zijn bij de bestrijding van armoede; roept de EU ertoe op de onlangs overeengekomen steun aan voorwaarden te verbinden en er verder voor te zorgen dat het NIP Eritrea ondersteunt bij het ingrijpend hervormen van zijn energiebeleid met als doel energie voor iedereen toegankelijk te maken, in het bijzonder in plattelandsgebieden waar op dit moment nog altijd geen elektriciteitsvoorziening is; is bovendien van mening dat in het onderdeel "bestuur" van het NIP een sterke nadruk moet komen te liggen op de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van de universele periodieke doorlichting betreffende de mensenrechten onder leiding van de VN;

9.  roept op tot de eerbiediging van de internationale mensenrechtennormen- en standaards betreffende vluchtelingen; is van mening dat Eritrese vluchtelingen die mensenrechtenschendingen ontvluchten internationale bescherming moeten blijven genieten;

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de president en regering van Eritrea, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het Pan-Afrikaanse Parlement.

(1)

PB L 51 van 2.3.2010, blz. 19.

(2)

PB L 195 van 27.7.2010, blz. 74.

(3)

PB L 282 van 16.10.2012, blz. 46.

(4)

PB L 195 van 27.7.2010, blz. 16.

Juridische mededeling - Privacybeleid