Ontwerpresolutie - B8-0488/2016Ontwerpresolutie
B8-0488/2016

    ONTWERPRESOLUTIE over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)

    20.4.2016 - (2016/2662(RSP))

    naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-0361/2016
    ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement

    Charles Goerens, Petras Auštrevičius, Marietje Schaake, Paavo Väyrynen, Louis Michel, Beatriz Becerra Basterrechea, Renate Weber namens de ALDE-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0488/2016

    Procedure : 2016/2662(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B8-0488/2016
    Ingediende teksten :
    B8-0488/2016
    Aangenomen teksten :

    B8-0488/2016

    Resolutie van het Europees Parlement over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)

    (2016/2662(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere mensenrechteninstrumenten van de VN,

    –  gezien de Verdragen van Genève en andere rechtsinstrumenten inzake het internationaal humanitair recht (IHR),

    –  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 8 december 2009 inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitaire recht,

    –  gezien de geactualiseerde richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitaire recht[1],

    –  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties van 2 februari 2016 voor de wereldtop over humanitaire hulp getiteld "One humanity, shared responsibility" (Één mensheid, gedeelde verantwoordelijkheid),

    –  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 1998(2011) van 12 juli 2011 en 2143(2014) van 7 maart 2014 over de bescherming van door gewapende conflicten getroffen kinderen,

    –  gezien resolutie A/RES/64/290 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 juli 2010 over het recht op onderwijs in noodsituaties,

    –  gezien de verklaring inzake veilige scholen van mei 2015, die sinds de door het Noorse Ministerie van Buitenlandse Zaken in mei 2015 bijeengeroepen Conferentie van Oslo inzake veilige scholen kan worden onderschreven, en de daarmee verband houdende richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten,

    –  gezien de resolutie van het 32e Internationale Congres van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan van 10 december 2015 over betere naleving van het internationaal humanitair recht,

    –  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de humanitaire situatie in Jemen[2],

    –  gezien zijn resolutie van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS[3],

    –  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 over de voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp[4],

    –  gezien de vraag aan de Raad over aanvallen op ziekenhuizen en scholen als schendingen van het internationaal humanitair recht (O-000063/2016 – B8-0361/2016),

    –  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

    A.  overwegende dat de internationale gemeenschap getuige is van een schokkende tendens van aanvallen op ziekenhuizen en scholen in gewapende conflicten overal ter wereld, zoals de meest recente aanvallen op gezondheidscentra van Artsen zonder Grenzen in Kunduz (Afghanistan) op 3 oktober 2015, in Razah (Jemen) op 10 januari 2016 en in handen van rebellen gevallen Syrische steden op 15 februari 2016;

    B.  overwegende dat de eerste humanitaire wereldtop op 23 en 24 mei 2016 zal plaatsvinden te Istanbul; overwegende dat de secretaris-generaal van de Verenigde Naties in zijn verslag getiteld "One humanity, shared responsibility" de aandacht vestigt op wat hij noemt de schaamteloze en brute uitholling van de eerbiediging van de mensenrechten en het humanitair recht bij gewapende conflicten, wat dreigt te leiden tot een terugval naar een tijdperk waarin oorlog geen grenzen kende; overwegende dat in het verslag wordt geconstateerd dat het nalaten om respect voor onze gedeelde waarden te eisen en te bevorderen en om de bestaande mechanismen voor handhaving, toezicht en verantwoordingsplicht te ondersteunen, bijdraagt tot deze uitholling;

    C.  overwegende dat het internationaal humanitair recht (IHR) – ook bekend als recht bij gewapende conflicten – bedoeld is om de gevolgen van een gewapend conflict te verlichten door degenen die niet aan het conflict deelnemen, te beschermen, en door de middelen en methoden van oorlogvoering te reguleren;

    D.  overwegende dat ziekenhuizen en medisch personeel expliciet beschermd worden krachtens het internationaal humanitair recht en dat de doelbewuste aanvallen op burgers en civiele infrastructuur eenduidig verboden is uit hoofde van het IHR en als een ernstige inbreuk daarop wordt beschouwd;

    E.  overwegende dat op 14 maart 2016 52 landen, waaronder diverse maar niet alle EU-lidstaten, de Verklaring inzake veilige scholen na de in mei 2015 gehouden Conferentie van Oslo over veilige scholen hadden onderschreven;

    F.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken bij de goedkeuring van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht de nadruk legde op het belang van de doeltreffende afhandeling van de nasleep van ernstige schendingen door zijn steun uit te spreken voor passende verantwoordingsmechanismen, en de aandacht vestigde op de cruciale rol die het Internationaal Strafhof (ICC) kan spelen in situaties waarin de staat of staten in kwestie niet bij machte of niet bereid zijn hun rechtsbevoegdheid uit te oefenen; overwegende dat in de EU-richtsnoeren de relevante werkgroepen van de Raad wordt opgedragen toezicht uit te oefenen op situaties die voor toepassing van het IHR in aanmerking kunnen komen en in dergelijke gevallen maatregelen op te stellen en aan te bevelen die de naleving van het IHR ten goede kunnen komen (paragraaf 15a);

    G.  overwegende dat het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) tussen 2012 en 2015 een breed raadplegingsproces heeft gehouden over hoe de rechtsbescherming van slachtoffers van gewapende conflicten kan worden verbeterd en hoe de mechanismen voor de naleving van het IHR doeltreffender kunnen worden gemaakt;

    H.  overwegende dat de staten die deelnamen aan het 32e Internationale Congres van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan in december 2015 uiteindelijk niet in staat waren overeenstemming te bereiken over een nieuw, door het ICRC en de Zwitserse regering voorgesteld mechanisme voor betere naleving van het IHR; overwegende dat het voorgestelde nieuwe mechanisme de organisatie van een jaarlijkse bijeenkomst van de landen die partij zijn bij de Verdragen van Genève met zich mee zou hebben gebracht; overwegende dat de deelnemende landen zijn overeengekomen een nieuw intergouvernementeel proces op te starten om mogelijkheden te onderzoeken voor een betere naleving van het IHR, met als doel de resultaten te presenteren op het volgende internationale congres in 2019;

    1.  geeft uiting aan zijn geschoktheid en diepe bezorgdheid over de dodelijke aanvallen op ziekenhuizen en scholen, die in steeds alarmerendere mate voorkomen als onderdeel van gewapende conflicten overal in de wereld, waarbij patiënten, studenten, medisch en onderwijzend personeel, verleners van humanitaire hulp en gezinnen doelwitten en slachtoffers worden, terwijl internationale veroordelingen zelden leiden tot onafhankelijke onderzoeken en het werkelijk afleggen van verantwoording; verzoekt de lidstaten, de EU-instellingen en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger de ware omvang van deze noodsituatie onder ogen te zien en zo snel mogelijk een concreet tijdgebonden actieplan op te stellen om alle invloed van de EU en de lidstaten aan te wenden teneinde dergelijke schendingen en gevallen van misbruik een halt toe te roepen;

    2.  veroordeelt aanvallen op ziekenhuizen en scholen, die verboden zijn krachtens het internationaal recht, en onderkent dat dergelijke daden kunnen gelden als ernstige schendingen van het Verdrag van Genève uit 1949 en als oorlogsmisdaden krachtens het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC); is ervan overtuigd dat de instandhouding van medische en onderwijskundige voorzieningen als neutrale, beschermde ruimtes tijdens gewapende conflicten afhangt van de resultaten van transparant, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de wrede aanvallen die zich hebben voorgedaan en van het bereiken van een situatie dat er daadwerkelijke verantwoording wordt afgelegd voor de begane misdrijven;

    3.  roept alle partijen in conflicten op de fundamentele beginselen van het IHR te eerbiedigen en af te zien van gerichte aanvallen op civiele infrastructuur; benadrukt dat de veiligheid van hulpverleners moet worden verbeterd om doeltreffender op de aanvallen te kunnen reageren;

    4.  spoort de EU en haar lidstaten aan zich volledig te scharen achter de oproep van de secretaris-generaal van de VN aan alle lidstaten van de VN om de gelegenheid van de humanitaire wereldtop aan te grijpen en zich opnieuw in te zetten voor de bescherming van burgers en de mensenrechten van iedereen door de regels na te leven waarover ze eerder overeenstemming hadden bereikt; benadrukt het belang dat de secretaris-generaal van de VN hecht aan de versterking van internationale onderzoeks- en rechtsstelsels, met inbegrip van het ICC, als aanvulling op nationale kaders, om een einde te maken aan straffeloosheid voor schendingen van het IHR;

    5.  onderkent het belang en het unieke karakter van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht, aangezien geen enkele andere staat of organisatie een gelijkwaardig document heeft aangenomen; verzoekt de EU-instellingen en de lidstaten de EU-richtsnoeren doeltreffend toe te passen;

    6.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger om een herziening van de huidige toewijzing van verantwoordelijkheden, op grond waarvan de tenuitvoerlegging van de IHR-richtsnoeren in eerste instantie een bevoegdheid is van de door het voorzitterschap van de Raad voorgezeten Groep internationaal publiekrecht van de Raad, zodat EU-beleid en ‑maatregelen op het vlak van het IHR op samenhangende en doeltreffende wijze worden ontwikkeld; benadrukt in dit verband dat in de EU-richtsnoeren de relevante werkgroepen van de Raad wordt opgedragen toezicht uit te oefenen op situaties die voor toepassing van het IHR in aanmerking kunnen komen en in dergelijke gevallen maatregelen op te stellen en aan te bevelen die de naleving van het IHR ten goede kunnen komen (paragraaf 15a); verzoekt de desbetreffende werkgroepen van de Raad deze bevoegdheid te gebruiken om de huidige spoedeisende crisis van niet-naleving aan te pakken;

    7.  herinnert aan het in de EU-richtsnoeren ingenomen standpunt op grond waarvan, waar nodig, overwogen zal worden een beroep te doen op de diensten van de Internationale Commissie voor feitenonderzoek (IHFFC), ingesteld bij het aanvullend protocol I bij de Verdragen van Genève van 1949, die met haar capaciteit op het gebied van feitenonderzoek en "goede diensten" de inachtneming van het IHR kan helpen verbeteren; constateert dat er geen gebruik is gemaakt van de diensten van de IHFFC, en dringt er bij de Raad, de lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden op aan serieus te overwegen deze commissie te activeren, voor de eerste keer sinds de oprichting ervan, om de aanvallen op ziekenhuizen en scholen aan te pakken als een urgente crisissituatie wat betreft de naleving van IHR-normen;

    8.  wijst met bezorgdheid op de momenteel beperkte institutionele ruimte voor de internationale gemeenschap om gemeenschappelijke zorgen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het IHR aan te pakken; betreurt het in dit verband dat de landen die in december 2015 deelnamen aan de 32e Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan het niet eens konden worden over een nieuw mechanisme waarmee het governancesysteem van het IHR versterkt had kunnen worden door een jaarlijkse bijeenkomst van landen in te stellen om de dialoog te bevorderen en door periodieke verslaglegging over nationale naleving van het IHR in te voeren; verzoekt de EU en haar lidstaten te streven naar betere resultaten bij het volgende intergouvernementele proces;

    9.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en de regeringen van de lidstaten van de VN.