Ontwerpresolutie - B8-0493/2016Ontwerpresolutie
B8-0493/2016

    ONTWERPRESOLUTIE over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)

    20.4.2016 - (2016/2662(RSP))

    naar aanleiding van vraag met verzoek om mondeling antwoord B8-0361/2016
    ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement

    Elena Valenciano, Linda McAvan, Enrique Guerrero Salom, Pier Antonio Panzeri, Norbert Neuser, Marlene Mizzi namens de S&D-Fractie

    Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0488/2016

    Procedure : 2016/2662(RSP)
    Stadium plenaire behandeling
    Documentencyclus :  
    B8-0493/2016
    Ingediende teksten :
    B8-0493/2016
    Aangenomen teksten :

    B8-0493/2016

    Resolutie van het Europees Parlement over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)

    (2016/2662(RSP))

    Het Europees Parlement,

    –  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en andere mensenrechtenverdragen en -instrumenten van de VN,

    –  gezien de Verdragen van Genève en andere rechtsinstrumenten inzake het internationaal humanitair recht (IHR),

    –  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

    –  gezien de conclusies van de Raad van 10-11 december 2015 over het voorbereidingsproces van de wereldtop over humanitaire hulp,

    –  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 8 december 2009 inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht,

    –  gezien de geactualiseerde richtsnoeren van de Europese Unie inzake de bevordering van de naleving van het internationale humanitaire recht[1],

    –  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 2 februari 2016 voor de wereldtop over humanitaire hulp getiteld "One humanity, shared responsibility",

    –  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 1998(2011) van 12 juli 2011 en 2143(2014) van 7 maart 2014 over de bescherming van door gewapende conflicten getroffen kinderen,

    –  gezien resolutie A/RES/64/290 van de Algemene Vergadering van de VN van 9 juli 2010 over het recht op onderwijs in noodsituaties,

    –  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad 1502(2003) van 26 augustus 2003 over geweld tegen humanitaire hulpverleners en 2175(2014) van 29 augustus 2014 over de bescherming van burgers in gewapende conflicten,

    –  gezien de Verklaring inzake veilige scholen van mei 2015 en de daarmee verband houdende richtsnoeren voor de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik tijdens gewapende conflicten,

    –  gezien de resolutie van de 32ste Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan van 10 december 2015 over versterking van de naleving van het internationaal humanitair recht,

    –  gezien het verslag van het Internationale Comité van het Rode Kruis over het project "Health Care in Danger" en zijn verslag over geweld tegen gezondheidszorgvoorzieningen en -personeel,

    –  gezien zijn resolutie van 25 februari 2016 over de humanitaire situatie in Jemen[2],

    –  gezien zijn resolutie van 26 november 2015 over onderwijs aan kinderen in noodsituaties en aanhoudende crises[3],

    –  gezien zijn resolutie van 12 februari 2015 over de humanitaire crisis in Irak en Syrië, met name in de context van IS[4],

    –  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 inzake voorbereiding voor de humanitaire wereldtop: uitdagingen en kansen voor humanitaire hulp[5],

    –  gezien de vraag aan de Raad over aanvallen op ziekenhuizen en scholen als schendingen van het internationaal humanitair recht (O-000063/2016 – B8-0361/2016),

    –  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

    A.  overwegende dat aanvallen op humanitaire hulpverleners tegenwoordig aan de orde van de dag zijn en een alarmerend niveau hebben bereikt;

    B.  overwegende dat de internationale gemeenschap getuige is geweest van gruwelijke aanvallen op ziekenhuizen en scholen in gewapende conflicten overal ter wereld, alsook van een ongekende toename van het aantal gevallen waarin humanitaire hulp en toegang worden geweigerd, de executie van burgers en humanitaire hulpverleners, erbarmelijke detentieomstandigheden en gegijzelde of tot slavernij gedwongen burgers;

    C.  overwegende dat er een duidelijke rol is weggelegd voor de VN-Veiligheidsraad bij het toezicht op de eerbiediging van het internationaal recht dat van belang is voor de bescherming van alle humanitaire hulpverleners;

    D.  overwegende dat staten in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het verlenen van bijstand en bieden van bescherming aan personen die op hun grondgebied verblijven en moeten ijveren voor intensievere en betere samenwerking tussen staten op het gebied van preventieve maatregelen alvorens zich schendingen voordoen;

    E.  overwegende dat er een kunstmatig onderscheid wordt gemaakt tussen internationaal en lokaal personeel voor wat het verbeteren van de bescherming van humanitaire hulpverleners betreft; overwegende dat lokale humanitaire hulpverleners zelden onder dezelfde veiligheidsregelingen vallen als hun internationale collega's;

    F.  overwegende dat in het Statuut van Rome aanvallen op humanitaire hulpverleners als oorlogsmisdaden worden aangemerkt;

    G.  overwegende dat sinds maart 2016 124 staten partij zijn bij het Statuut inzake het Internationaal Strafhof (Statuut van Rome), maar dat 31 landen het Statuut hebben ondertekend, maar nog niet geratificeerd, en dat 41 lidstaten van de VN het Statuut niet hebben ondertekend en evenmin tot het Statuut zijn toegetreden;

    H.  overwegende dat drie ondertekenende staten – Israël, Sudan en de VS – de secretaris‑generaal van de VN hebben medegedeeld dat zij niet langer van plan zijn partij bij het Statuut te worden en daarom geen wettelijke verplichtingen meer hebben die voortvloeien uit de ondertekening van het Statuut door hun voormalige vertegenwoordigers;

    I.  overwegende dat plegers van aanvallen op humanitaire hulpverleners ter verantwoording moeten worden geroepen;

    J.  overwegende dat de eerste humanitaire wereldtop op 23 en 24 mei 2016 zal plaatsvinden te Istanbul; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN in zijn verslag getiteld "One humanity, shared responsibility" de aandacht vestigt op wat hij de schaamteloze en brute uitholling van de eerbiediging van de internationale mensenrechten en het internationaal humanitair recht bij gewapende conflicten noemt, wat dreigt te leiden tot een terugval naar een tijdperk waarin oorlog geen grenzen kende; overwegende dat in het verslag wordt geconstateerd dat het nalaten om respect voor onze gedeelde waarden te eisen en te bevorderen en de bestaande mechanismen voor handhaving, monitoring en verantwoordingsplicht te ondersteunen, bijdraagt tot deze uitholling;

    K.  overwegende dat het internationaal humanitair recht (IHR) – ook bekend als het recht bij gewapende conflicten – is bedoeld om de gevolgen van een gewapend conflict te verlichten door diegenen die niet of niet meer rechtstreeks aan vijandelijkheden deelnemen, te beschermen, en door de middelen en methoden van oorlogvoering te reguleren;

    L.  overwegende dat ziekenhuizen en medisch personeel specifiek beschermd zijn krachtens het IHR en dat het doelbewust tot doelwit maken van burgers en civiele infrastructuur als een ernstige inbreuk op het IHR wordt beschouwd;

    M.  overwegende dat in het Statuut van Rome wordt benadrukt dat het opzettelijk richten van aanvallen op gebouwen gewijd aan godsdienst, onderwijs, kunst, wetenschap of caritatieve doeleinden, of historische monumenten, een oorlogsmisdaad is;

    N.  overwegende dat de onschendbaarheid van VN-gebouwen en -eigendommen, met inbegrip van scholen en gezondheidscentra, wordt beschermd in het kader van het Verdrag inzake de voorrechten en immuniteiten van de Verenigde Naties van 1946;

    O.  overwegende dat het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) tevens heeft verklaard dat de verplichting om vermoede oorlogsmisdaden te onderzoeken een regel van internationaal humanitair gewoonterecht is die van toepassing is op zowel internationale als niet-internationale gewapende conflicten;

    P.  overwegende dat per 14 maart 2016 52 staten, waaronder diverse maar niet alle EU‑lidstaten, de Verklaring inzake veilige scholen hadden onderschreven na de Conferentie van Oslo over veilige scholen in mei 2015;

    Q.  overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken, toen hij de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht goedkeurde, het belang benadrukte van het effectief afhandelen van de nasleep van ernstige schendingen van de internationale humanitaire en mensenrechtenwetgeving door het steunen van passende verantwoordingsmechanismen en wees op de belangrijke rol van die het Internationaal Strafhof (ICC) kan spelen in situaties waarin de staat of de staten in kwestie niet in staat of niet bereid zijn hun rechtsmacht uit te oefenen; overwegende dat in de EU-richtsnoeren "de bevoegde Raadsgroepen" de taak wordt toevertrouwd situaties te volgen waarin het IHR wellicht van toepassing is en desgevallend maatregelen aan te bevelen die de naleving van het IHR ten goede kunnen komen (paragraaf 15, onder a));

    R.  overwegende dat het ICRC tussen 2012 en 2015 een breed raadplegingsproces heeft gehouden over hoe de rechtsbescherming van slachtoffers van gewapende conflicten kan worden verbeterd en hoe de mechanismen voor de naleving van het IHR doeltreffender kan worden gemaakt; overwegende dat het ICRC-initiatief "Health Care in Danger" gericht is op het aanpakken van de kwestie van geweld tegen patiënten en gezondheidszorgpersoneel, -voorzieningen en -voertuigen, en op het waarborgen van veilige toegang tot en verlening van gezondheidszorg in gewapende conflicten en andere noodsituaties;

    S.  overwegende dat de landen die deelnamen aan de 32ste Internationale Conferentie van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan in december 2015 uiteindelijk geen overeenstemming konden bereiken over een door het ICRC en de regering van Zwitserland voorgesteld nieuw mechanisme om de naleving van het IHR te verbeteren; overwegende dat het voorgestelde nieuwe mechanisme de organisatie van een jaarlijkse bijeenkomst van de landen die partij zijn bij de Verdragen van Genève met zich mee zou hebben gebracht; overwegende dat de deelnemende staten zijn overeengekomen een nieuw intergouvernementeel proces op te starten om mogelijkheden te onderzoeken voor de verbetering van de naleving van het IHR, met als doel de resultaten te presenteren op de volgende Internationale Conferentie in 2019;

    1.  betreurt de afnemende naleving van het IHR ten zeerste en geeft uiting aan zijn geschoktheid en diepe bezorgdheid over de dodelijke aanvallen op ziekenhuizen en scholen, die in steeds alarmerendere mate voorkomen als onderdeel van gewapende conflicten overal in de wereld, waarbij patiënten, studenten, medisch en onderwijzend personeel, humanitaire hulpverleners en gezinnen doelwitten en slachtoffers worden, terwijl internationale veroordelingen zelden leiden tot onafhankelijke onderzoeken en het werkelijk afleggen van verantwoording; verzoekt de lidstaten, de EU-instellingen en de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger (vv/hv) de ware omvang van deze noodsituatie onder ogen te zien en zo snel mogelijk een concreet tijdgebonden actieplan op te stellen om de invloed van de EU en de lidstaten volledig aan te wenden teneinde de tenuitvoerlegging van preventieve maatregelen te waarborgen en dergelijke schendingen en misdrijven een halt toe te roepen;

    2.  veroordeelt aanvallen op ziekenhuizen en scholen, die verboden zijn krachtens het internationaal recht, en onderkent dat dergelijke daden ernstige schendingen van het Verdrag van Genève uit 1949 kunnen vormen en als oorlogsmisdaden kunnen worden bestempeld krachtens het Statuut van Rome; is ervan overtuigd dat de instandhouding van gezondheidszorg- en onderwijsvoorzieningen als neutrale, beschermde ruimtes tijdens gewapende conflicten afhangt van de resultaten van transparant, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de wrede aanvallen die zich hebben voorgedaan en van het bereiken van een situatie waarin daadwerkelijk verantwoording moet worden afgelegd voor de begane misdrijven;

    3.  verzoekt de EU en haar lidstaten de opheffing van de kunstmatige hiërarchie en het kunstmatige onderscheid tussen internationaal en lokaal personeel voor wat het verbeteren van de bescherming van alle humanitaire hulpverleners betreft op de agenda van de VN en de VN-Veiligheidsraad te plaatsen;

    4.  spoort de EU en haar lidstaten aan zich volledig te scharen achter de oproep van de secretaris-generaal van de VN aan alle lidstaten van de VN om de gelegenheid van de humanitaire wereldtop aan te grijpen en zich opnieuw in te zetten voor de bescherming van burgers en de eerbiediging van de mensenrechten van iedereen door de regels waarmee ze eerder akkoord zijn gegaan na te leven, ten uitvoer te leggen en te bevorderen; benadrukt het belang dat de secretaris-generaal van de VN hecht aan de versterking van internationale onderzoeks- en rechtsstelsels, met inbegrip van het ICC, als aanvulling op nationale kaders, om een einde te maken aan straffeloosheid voor schendingen van het IHR;

    5.  verzoekt de EU, haar lidstaten en andere internationale donoren zich tijdens de humanitaire wereldtop volledig te verbinden aan alle voorgestelde kernverplichtingen die zijn opgenomen in de agenda voor de mensheid, die gericht is op het beperken van de humanitaire gevolgen van vijandelijkheden en het mogelijk maken van humanitair optreden;

    6.  verzoekt de EU en haar lidstaten er bij de VN-Veiligheidsraad op aan te dringen om gebruik te maken van alle beschikbare instrumenten, zoals gerichte maatregelen, de oprichting van onderzoeksmissies of -commissies, of gerechtelijke mechanismen, zoals verwijzingen naar het ICC, om hun vetorecht niet te gebruiken bij besluiten van de Veiligheidsraad over kwesties in verband met humanitair optreden, om de eerbiediging van normen van internationaal recht die voorzien in de bescherming van humanitaire hulpverleners te versterken, en om erop toe te zien dat handelingen die schendingen van deze normen kunnen inhouden stelselmatig worden onderzocht en dat degenen die ervan worden verdacht voor dergelijke handelingen verantwoordelijk te zijn voor de rechter worden gebracht;

    7.  dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan de VN-Veiligheidsraad te verzoeken de partijen eraan te herinneren dat zij aan hun wettelijke verplichtingen moeten voldoen en hen te bestraffen indien ze dit niet doen, door gerichte actie te ondernemen tegen herhaaldelijke overtreders en er tegelijkertijd op toe te zien dat de grenzen tussen politieke, militaire en humanitaire doelstellingen niet vervagen bij vredesonderhandelingen en vredeshandhavingsmandaten;

    8.  onderkent het belang en het unieke karakter van de EU-richtsnoeren inzake de bevordering van de naleving van het internationaal humanitair recht, aangezien geen enkele andere staat of organisatie een gelijkwaardig document heeft aangenomen; maakt zich echter zorgen over de doeltreffendheid van de tenuitvoerlegging van de EU‑richtsnoeren door de EU-instellingen en de lidstaten;

    9.  roept de Raad Buitenlandse Zaken en de vv/hv ertoe op de hoofden van EU-missies en bevoegde EU-vertegenwoordigers (hoofden van civiele EU-operaties, bevelhebbers van militaire EU-operaties en speciale EU-vertegenwoordigers) te verzoeken een lijst van gevallen van ernstige schending van het IHR op te stellen;

    10.  verzoekt de Raad Buitenlandse Zaken en de vv/hv om een herziening van de huidige toewijzing van verantwoordelijkheden, op grond waarvan de tenuitvoerlegging van de IHR-richtsnoeren in eerste instantie een bevoegdheid is van de door het voorzitterschap van de Raad voorgezeten Werkgroep internationaal publiekrecht van de Raad, zodat EU-beleid en -maatregelen op het vlak van het IHR op samenhangende en doeltreffende wijze worden ontwikkeld; benadrukt in dit verband dat in de EU-richtsnoeren "de bevoegde Raadsgroepen" de taak wordt toevertrouwd situaties te volgen waarin het IHR wellicht van toepassing is en desgevallend maatregelen aan te bevelen die de naleving van het IHR ten goede kunnen komen (paragraaf 15, onder a)); verzoekt de desbetreffende Raadsgroepen dit mandaat aan te wenden om de huidige spoedeisende crisis van niet-naleving aan te pakken;

    11.  verzoekt alle lidstaten van de VN die partij zijn bij het Statuut van Rome dit statuut te ondertekenen en/of te ratificeren om ervoor te zorgen dat het internationaal strafrecht daadwerkelijk mondiaal en universeel wordt;

    12.  herinnert aan het in de EU-richtsnoeren ingenomen standpunt op grond waarvan, waar nodig, overwogen zal worden een beroep te doen op de diensten van de Internationale Commissie voor feitenonderzoek (IHFFC), ingesteld bij het aanvullend protocol I bij de Verdragen van Genève van 1949, die met haar capaciteit op het gebied van feitenonderzoek en "goede diensten" de inachtneming van het IHR kan helpen verbeteren; constateert dat er nooit gebruik is gemaakt van de diensten van de IHFFC en dringt er bij de Raad, de EU-lidstaten en de Europese Dienst voor extern optreden op aan een onderzoek te ondersteunen door beschuldigingen te uiten, om de aanvallen op ziekenhuizen en scholen aan de orde te stellen als een spoedeisende crisissituatie wat betreft de naleving van IHR-normen;

    13.  moedigt de EU-lidstaten en de internationale gemeenschap aan de rol van de IHFFC te versterken door haar optreden in zowel internationale als niet-internationale gewapende conflicten te bevorderen door de capaciteit van haar ad-hocrechtsmacht te verruimen; herinnert eraan dat de IHFFC Afghanistan en de VS officieel haar goede diensten aanbood na de aanval op het ziekenhuis in Kunduz in oktober 2015;

    14.  wijst met bezorgdheid op de momenteel beperkte institutionele armslag waarover de internationale gemeenschap beschikt om gemeenschappelijke zorgenpunten met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het IHR aan te pakken; betreurt het in deze zin dat de staten die in december 2015 deelnamen aan het 32ste Internationale Congres van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan er niet in zijn geslaagd het eens te worden over een nieuw mechanisme waarmee het governancesysteem van het IHR verstevigd zou worden door een jaarlijkse bijeenkomst van landen in te stellen om de dialoog te bevorderen en door periodieke verslaglegging over nationale naleving van het IHR in te voeren; verzoekt de EU en haar lidstaten te streven naar betere resultaten bij het volgende intergouvernementele proces;

    15.  verzoekt de secretaris-generaal van de VN campagnes op te zetten om te waarborgen dat alle actoren, met inbegrip van niet-statelijke gewapende groeperingen, zich bewust zijn van hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht, voldoen aan hun verplichting om humanitaire hulp aan en bescherming van mensen binnen hun invloedssfeer te vergemakkelijken door bijvoorbeeld richtlijnen voor hun strijders vast te stellen, en gedragscodes en permanente bevelen uitvaardigen waarin hun verplichtingen uit hoofde van het IHL tot uiting komen;

    16.  verzoekt zijn voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris‑generaal van de VN, de voorzitter van de Algemene Vergadering van de VN en de regeringen van de lidstaten van de VN.