Procedure : 2016/2747(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0738/2016

Ingediende teksten :

B8-0738/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/06/2016 - 12.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0270

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 226kWORD 70k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0733/2016
1.6.2016
PE596.904v01-00
 
B8-0738/2016

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015 (2016/2747(RSP))


Gerben-Jan Gerbrandy namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over hormoonontregelende stoffen: stand van zaken na het arrest van het Gerecht van 16 december 2015  (2016/2747(RSP))  
B8-0738/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden(1),

–  gezien de routekaart van de Commissie voor het vaststellen van criteria voor de identificatie van hormoonverstorende stoffen in de context van de tenuitvoerlegging van de gewasbeschermingsmiddelenverordening en de biocidenverordening(2),

–  gezien het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 december 2015 in zaak T-521/14 (door Zweden aangespannen zaak tegen de Commissie, waarbij Zweden werd gesteund door het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie, Denemarken, Finland, Frankrijk en Nederland)(3),

–  gezien artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 265 en 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de brief van 22 maart 2016 die Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker richtte aan de Voorzitter van het Europees Parlement ((2016)1416502),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Commissie volgens artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 uiterlijk op 13 december 2013 gedelegeerde handelingen vaststelt tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen van werkzame stoffen en biociden;

B.  overwegende dat de Commissie de wetenschappelijke criteria nog steeds niet heeft vastgesteld, hetgeen nu al meer dan tweeënhalf jaar geleden had moeten plaatsvinden;

C.  overwegende dat het Gerecht van de Europese Unie in zijn arrest van 16 december 2015 in zaak T-521/14 heeft verklaard dat de Commissie inbreuk heeft gemaakt op het EU-recht, aangezien zij geen gedelegeerde handelingen heeft vastgesteld tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen;

D.  overwegende dat het Gerecht heeft geoordeeld dat de Commissie een duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichting had om uiterlijk op 13 december 2013 gedelegeerde handelingen tot vaststelling van de voormelde wetenschappelijke criteria vast te stellen;

E.  overwegende dat het Gerecht stelde dat geen enkele bepaling van Verordening (EU) nr. 528/2012 een effectbeoordeling van wetenschappelijke, op gevaren gebaseerde criteria voorschrijft, en dat zelfs indien de Commissie van mening zou zijn dat een dergelijke effectbeoordeling noodzakelijk was, deze effectbeoordeling de Commissie niet zou vrijstellen van de verplichting om te voldoen aan de uiterste termijn zoals vastgelegd in de verordening (punt 74 van het arrest);

F.  overwegende dat het Gerecht voorts heeft bepaald dat de vaststelling van wetenschappelijke criteria alleen op objectieve wijze kan geschieden op basis van wetenschappelijke gegevens betreffende het hormoonstelsel, onafhankelijk van andere overwegingen, in het bijzonder economische (punt 71 van het arrest); overwegende dat het Gerecht daarom heeft verduidelijkt dat een sociaal-economische effectbeoordeling geen passend instrument is om een besluit te nemen over een wetenschappelijke kwestie;

G.  overwegende dat het Gerecht voorts heeft bepaald dat de Commissie, in de context van de toepassing van de door de wetgever aan haar gedelegeerde bevoegdheden, het door de wetgever vastgelegde regelgevende evenwicht tussen de verbetering van de interne markt en de bescherming van de gezondheid van mensen en dieren en van het milieu niet ter discussie kan stellen (punt 72 van het arrest); overwegende dat het Gerecht daarom heeft verduidelijkt dat het niet passend is dat de Commissie wijzigingen van bepalingen in de sectorale regelgeving beoordeelt als onderdeel van de effectbeoordeling in verband met de vaststelling van een gedelegeerde handeling;

H.  overwegende dat uit hoofde van artikel 266 VWEU de instelling, het orgaan of de instantie welker handeling nietig is verklaard of welker nalatigheid strijdig met de Verdragen is verklaard, gehouden is de maatregelen te nemen welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

I.  overwegende dat Vytenis Andriukaitis, commissaris voor Gezondheid en Voedselveiligheid, tijdens de plenaire vergadering van het Europees Parlement van februari 2016 verklaarde dat de Commissie de effectbeoordeling echter zal voortzetten, aangezien zij die beschouwt als een "nuttig en zelfs essentieel instrument [...] om haar te leiden bij haar toekomstige beslissing over de criteria";

J.  overwegende dat de Commissie verplicht is effectbeoordelingen uit te voeren van wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven die naar verwachting aanzienlijke economische, ecologische of maatschappelijke gevolgen hebben teneinde alternatieve oplossingen in kaart te brengen, wat betekent dat effectbeoordelingen waardevolle instrumenten zijn die regelgevende instanties helpen bij het beoordelen van beleidsopties nadat de relevante wetenschappelijke kwesties zijn opgehelderd;

K.  overwegende dat Jean-Claude Juncker, voorzitter van de Commissie, in zijn brief van 22 maart aan Martin Schulz, Voorzitter van het Parlement, verklaarde dat de Commissie voornemens is om eerst het advies van de Raad voor regelgevingstoetsing over de effectbeoordeling in te winnen alvorens een besluit te nemen over de wetenschappelijke criteria;

L.  overwegende dat het derhalve geen twijfel lijdt dat de Commissie nog geen actie heeft ondernomen om te voldoen aan het arrest van het Gerecht, maar in plaats daarvan inbreuk blijft maken op het EU-recht zoals verklaard door het Gerecht en nu dus ook inbreuk maakt op artikel 266 VWEU;

M.  overwegende dat het volstrekt onaanvaardbaar is dat de Commissie als hoedster van de Verdragen de Verdragen niet naleeft;

1.  is het met het Gerecht eens dat het niet passend is dat de Commissie een sociaal-economische effectbeoordeling uitvoert met het oog op een besluit over een wetenschappelijke kwestie, en dat de Commissie niet bevoegd is het in een basishandeling vastgelegde regelgevende evenwicht te wijzigen via de toepassing van overeenkomstig artikel 290 VWEU aan haar toegewezen bevoegdheden, een kwestie die de Commissie in het kader van haar effectbeoordeling echter wel evalueert;

2.  veroordeelt de Commissie niet alleen omdat zij heeft verzaakt aan haar verplichting om overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 gedelegeerde handelingen vast te stellen, maar ook omdat zij niet heeft voldaan aan haar institutionele verplichtingen zoals neergelegd in de Verdragen zelf, met name artikel 266 VWEU;

3.  verzoekt de Commissie onmiddellijk te voldoen aan haar verplichtingen uit hoofde van artikel 266 VWEU en onverwijld op gevaren gebaseerde wetenschappelijke criteria vast te stellen voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen;

4.  staat achter het gebruik door de Commissie van effectbeoordelingen voor haar initiatieven in de juiste fase van het regelgevingsproces, teneinde de besluitvormings- en wetgevingsprocedures te verbeteren, waarbij beleidsopties en de gevolgen daarvan worden beoordeeld nadat de wetenschappelijke kwesties zijn opgelost;

5.  beschouwt deze resolutie in de zin van artikel 265 VWEU als een officiële ingebrekestelling aan de Commissie;

6.  behoudt zich overeenkomstig artikel 265 VWEU het recht voor om zich te wenden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie om de schending van artikel 266 VWEU te doen vaststellen indien de Commissie niet binnen de komende twee maanden haar standpunt vaststelt;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze ontwerpresolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Raad en de voorzitter van de Commissie en hen in kennis te stellen van de uitslag van de stemming over deze resolutie in de plenaire vergadering.

(1)

PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)

http://ec.europa.eu/smart-regulation/impact/planned_ia/docs/2014_env_009_endocrine_disruptors_en.pdf

(3)

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d2dc30d51da24ab07e534c8a920ba78762970884.e34KaxiLc3qMb40Rch0SaxuTa3r0?text=&docid=173067&pageIndex=0&doclang=FR&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=717530

Juridische mededeling - Privacybeleid