Procedure : 2016/2770(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0805/2016

Ingediende teksten :

B8-0805/2016

Debatten :

CRE 22/06/2016 - 16

Stemmingen :

PV 23/06/2016 - 8.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 282kWORD 82k
17.6.2016
PE585.235v01-00
 
B8-0805/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de bloedbaden in Oost-Congo (2016/2770(RSP))


Maria Lidia Senra Rodríguez, Marie-Christine Vergiat, Malin Björk, Paloma López Bermejo, Jiří Maštálka, Ángela Vallina, Helmut Scholz, Barbara Spinelli, Javier Couso Permuy, Xabier Benito Ziluaga, Tania González Peñas, Estefanía Torres Martínez, Miguel Urbán Crespo, Lola Sánchez Caldentey namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de bloedbaden in Oost-Congo (2016/2770(RSP))  
B8-0805/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn voorgaande resoluties, en in het bijzonder die van 10 maart 2016 en 7 oktober 2010 over de tekortkomingen op het gebied van de eerbiediging van de mensenrechten en van justitie in de Democratische Republiek Congo, en de resoluties van de paritaire parlementaire vergadering ACS/EU,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens (1948) en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (1966),

–  gezien de grondwet van de Democratische Republiek Congo, en in het bijzonder artikel 56, dat luidt: "elke handeling, overeenkomst of regeling die, of elk ander feit dat erin resulteert dat het land en/of natuurlijke of rechtspersonen de middelen van bestaan die zij op basis van hun hulpbronnen of natuurlijke rijkdommen verwerven geheel of gedeeltelijk worden ontnomen, wordt, onverminderd de internationale bepalingen inzake economische misdaden, is plundering en als zodanig een wettelijk strafbaar feit",

–  gezien het Afrikaans Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien artikel 3 van en protocol II bij het Verdrag van Genève van 1949, op grond waarvan standrechtelijke executies, verkrachting, gedwongen rekrutering en andere wreedheden verboden zijn,

–  gezien het internationale verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

–  gezien resolutie 2211 van de Veiligheidsraad van maart 2015 houdende verlenging van het mandaat van de VN-missie voor de stabilisering van de Democratische Republiek Congo (Monusco) tot 31 maart 2016,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs aan de Congolese gynaecoloog dr. Denis Mukwege in 2014 vanwege zijn inzet voor de bescherming van de rechten van vrouwen in Congo,

–  gezien het standpunt van het Europees Parlement van 20 mei 2015 over de certificering van importeurs van bepaalde mineralen en metalen uit conflictgebieden of gebieden met een hoog risico,

–  gezien het rapport van het VN-milieuprogramma van 15 april 2015 over de exploitatie van, respectievelijk de handel in natuurlijke hulpbronnen door georganiseerde criminele groeperingen,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de enorme toename van het aantal gewapende groeperingen, de wanorde en het ontbreken van een stabiele overheid, het onvermogen van de Verenigde Naties om een samenhangende reactie op de volkerenmoord en zijn gevolgen te formuleren, alsook de medeplichtigheid van de landen met een belang in de regio, zoals de Verenigde Staten en Frankrijk, tot een dramatische situatie hebben geleid, en tot waarschijnlijk meerdere honderdduizenden en misschien zelfs miljoenen doden, voornamelijk onder de burgerbevolking, ten gevolge van ondervoeding, ziekten en armoede na de oorlogen van 1996 en 1998; overwegende dat deze situatie ook nu nog zijn weerslag heeft in het land;

B.  overwegende dat volgens UNICEF de perinatale sterfte tussen 2007 en 2014 met 30 % is afgenomen (van 148 per 1 000 geboortes in 2007 tot 104 per 1 000 geboortes in 2014) en dat het sterftecijfer onder jonge moeders in dezelfde periode met 35 % is afgenomen (van 1 289 per 100 000 bevallingen in 2007 tot 846 per 100 000 bevallingen in 2014);

C.  overwegende dat de Democratische Republiek Congo sinds 2012 opnieuw door instabiliteit gekenmerkt wordt en dat bij gevechten en gewelddaden meerdere duizenden slachtoffers gevallen zijn, voornamelijk in de provincies Noord-Kivu en Zuid-Kivu, in het oosten van het land; overwegende dat er volgens het Bureau voor de coördinatie van humanitaire aangelegenheden (OCHA) van de VN op 31 juli 2015 1,5 miljoen (d.w.z. 7 % van de totale bevolking van het land) intern ontheemden waren in Congo, dat er nog altijd meer dan 400 000 Congolese vluchtelingen in het buitenland verblijven en dat er ook vluchtelingen uit de Centraal-Afrikaanse Republiek – een buurland van de DRC – naar de Democratische Republiek Congo toekomen om aan de ernstige humanitaire crisis in hun eigen land te ontsnappen;

D.  overwegende dat tot de strijdende partijen onder andere behoren de Democratische Strijdkrachten voor de bevrijding van Rwanda (Hutu-milities), de RCD-Goma (Rassemblement congolais pour la démocratie), die door Rwanda wordt gesteund tégen de regering van de Democratische Republiek Congo, het Verzetsleger van de Heer (LRA), dat na een rebellie in Uganda is ontstaan, de "maï maï" in Katanga en de Volkszelfverdedigingsbeweging (MPA); overwegende dat hoewel sommige groeperingen sinds 2010 gedemobiliseerd en in een aantal gevallen gedeeltelijk in het Congolese leger (FARDC) geïntegreerd zijn, de onveiligheid voortduurt; overwegende dat de instrumentalisering van de "etnische kwestie" de conflicten in de regio flink heeft aangewakkerd en de versnippering van stukken land langs etnische lijnen doet voortbestaan;

E.  overwegende dat het geweld sinds begin 2016 verder is toegenomen; overwegende dat het Congolese leger op maandag 13 juni melding heeft gemaakt van de dood van zes Ugandese rebellen van de Democratische Geallieerde Strijdkrachten (ADF) en van één Congolese militair bij een incident in de regio Beni in het oosten van Congo, dat na een periode van relatieve kalmte het geweld sinds begin mei 2016 weer is opgelaaid, dat in de nacht van 3 op 4 mei 17 personen met steekwapens om het leven zouden zijn gebracht in het dorp Eringeti op 60 kilometer ten noord-oosten van Beni en op 200 meter van twee Monusco-kampen, en dat bij de slachtingen in de regio Beni tussen februari en mei 2016 ongeveer 100 mensen om het leven zouden zijn gekomen;

F.  overwegende dat de Congolese regering en Monusco deze bloedbaden aan de ADF toeschrijven, maar dat meerdere deskundigen en ngo's "voorzichtiger" zijn, in die zin dat ze stellen dat de officiële strijdkrachten er betrokken bij zouden kunnen zijn, dat in een vertrouwelijk rapport van deskundigen van het sanctiecomité van de VN met een beschuldigende vinger naar het Congolese leger en een generaal uit de directe omgeving van Kabila wordt gewezen in verband met de organisatie en uitvoering van de gruwelijkheden, dat vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de oppositie Monusco en de regering in verband met deze aanvallen van passiviteit en medeplichtigheid beschuldigen, dat sinds deze bloedbaden meerdere demonstraties zijn gehouden om aan te dringen op gerechtigheid, maar dat verschillende daarvan met geweld uiteen zijn gedreven, en dat – tot slot – dat de repressie tegen leden van de oppositie voortduurt;

G.  overwegende dat leden van Burgerfront 2016 (een oppositiebeweging) op 1 en 2 juni 2016 naar Den Haag zijn gegaan om het Internationaal Strafhof te vragen een onderzoek naar deze bloedbaden en de betrokkenheid van soldaten van de officiële strijdkrachten in te stellen, en dat het Hof ook in kennis is gesteld van de repressie tegen demonstranten van de oppositie bij de verkiezingen;

H.  overwegende dat er op grote schaal sprake is van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid, van schendingen van de mensenrechten, een toenemende repressie tegen de oppositie, grootschalige verkrachtingen van vrouwen en meisjes, en de verdrijving van grote bevolkingsgroepen; overwegende dat in de Democratische Republiek Congo sinds 1996 volgens de officiële cijfers ten minste 200 000 mensen zijn verkracht, maar dat het werkelijke aantal ongetwijfeld veel hoger is aangezien veel gevallen van verkrachting niet worden gemeld; overwegende dat verkrachting een door alle strijdende partijen, inclusief het officiële leger, gebruikt oorlogsmiddel is; overwegende dat in de Democratische Republiek Congo op grote schaal gebruik wordt gemaakt van gedwongen rekrutering, in het bijzonder van kinderen;

I.  overwegende dat het reguliere leger (FARDC) regelmatig wordt beschuldigd van gewelddaden; overwegende dat de regering in oktober 2012 een actieplan heeft aangenomen om een eind te maken aan de rekrutering van kinderen, seksueel geweld en andere ernstige schendingen van de rechten van het kind door het leger en de veiligheidstroepen; overwegende dat de problemen voortduren en de daders bijna nooit worden gestraft;

J.  overwegende dat het optreden van Monusco (de VN-missie voor de stabilisering van de Democratische Republiek Congo) sinds de instelling ervan in 1999 een totale mislukking is, in die zin dat de missie het lot van de zwaar door de oorlog getroffen burgerbevolking niet heeft verbeterd en dat zijn steun voor het nationale Congolese leger (FARDC) er slechts in heeft geresulteerd dat dit nog meer misdaden heeft gepleegd; overwegende dat de VN, na de militaire samenwerking tussen Monusco en het FARDC in februari 2015 te hebben opgeschort, op 2 maart 2016 heeft besloten de militaire ondersteuning van de regeringstroepen weer te hervatten;

K.  overwegende dat de Democratische Republiek Congo over heel veel natuurlijke hulpbronnen (goud, tinsteen, methaangas, enz.) beschikt en dat de voortdurende illegale exploitatie van de hulpbronnen in kwestie, die zich met name in het oosten van de DRC onder controle van gewapende paramilitaire groepen bevinden, bijdraagt aan de financiering en instandhouding van het conflict en een bron van onveiligheid voor de hele regio vormt;

L.  overwegende dat multinationals het gewapende conflict financieren om de Congolese bodemschatten te kunnen blijven exploiteren; overwegende dat deze gang van zaken herhaaldelijk aan de kaak is gesteld in de rapporten van de Verenigde Naties; overwegende dat Ibrahim Thiaw, adjunct-uitvoerend directeur van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), in april 2015 heeft verklaard dat er jaarlijks voor meer dan 1 miljard dollar aan bodemschatten wordt geëxploiteerd en dat het merendeel van de winst – tot 98 % – wordt opgestreken door internationale conglomeraten, terwijl de resterende 2 % terechtkomt bij de gewapende groeperingen;

M.  overwegende dat de internationale financiële instellingen het land met hun structureleaanpassingsprogramma's nog verder hebben verzwakt doordat ze er, met name in de mijnbouwsector, een juridisch en fiscaal paradijs voor multinationals van hebben gemaakt; overwegende dat de ontmanteling van de pijlers van de Congolese economie en de ontslagen van duizenden werknemers in samenwerking met de internationale instellingen (en, in de eerste plaats, de Wereldbank) de bevolking haar middelen van bestaan hebben ontnomen en tot een verslechtering van de levensomstandigheden hebben geleid, ten faveure van de grote (voornamelijk westerse) industriële conglomeraten, die zich de hulpbronnen hebben weten toe te eigenen en de economie in hun greep hebben;

N.  overwegende dat de voedselprijzen sinds het begin van het conflict aanzienlijk zijn gestegen, hetgeen de armoede en de voedselonzekerheid van de plaatselijke bevolking en de instabiliteit van de regio nog heeft verergerd; overwegende dat de situatie bovendien wordt verergerd doordat grond met medeweten van de regering wordt ingepikt door de multinationals;

O.  overwegende dat de toename van de werkloosheid, de achteruitgang van de sociale situatie en de groter wordende armoede onder de bevolking bepalende factoren zijn voor de stabiliteit waar de regio onder lijdt;

1.  veroordeelt elke geweldsdaad, elke mensenrechtenschending en elk seksueel geweld; verklaart zich solidair met alle bevolkingsgroepen die lijden onder jaren van conflict; veroordeelt eens te meer de instrumentalisering van de "etnische kwestie", die miljoenen slachtoffers in de regio heeft gemaakt en uitsluitend tot doel heeft de bevolking onderling te verdelen;

2.  maakt zich met name zorgen over het weer oplaaiende geweld in het oosten van het land en dringt erop aan middels een internationaal en onafhankelijk onderzoek te achterhalen wie daarvoor verantwoordelijk is, en daarbij ook te kijken naar de rol van Monusco en het officiële leger bij de bloedbaden in kwestie; vraagt de internationale gemeenschap nu eindelijk alle noodzakelijke concrete maatregelen te nemen om een eind te maken aan de genocide en de exploitatie van de hulpbronnen, en om de slachtoffers van het conflict schadeloos te stellen;

3.  maakt zich ook zorgen over het aanhoudende geweld in de aanloop naar de verkiezingen; eist de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van iedereen die op arbitraire gronden wordt vastgehouden, en een eind aan de intimidatie door politie en justitie van leden van de oppositie;

4.  is van oordeel dat het aanpakken van de straffeloosheid, zij het voor schendingen van de mensenrechten, zij het voor economische en financiële misdaden, een conditio sine qua non is voor herstel van de vrede in de Democratische Republiek Congo;

5.  maakt zich in het bijzonder zorgen over de situatie van de vrouwen in het land en over de misdaden en discriminatie waar zij het slachtoffer van zijn; ziet het als een must dat de autoriteiten en de internationale gemeenschap hun inspanningen opvoeren om een eind te maken aan de massaverkrachtingen als een oorlogstechniek, de toegang te waarborgen tot gratis publieke gezondheidszorg, met name op het gebied van reproductie, contraceptie en abortus, en te werken aan daadwerkelijke gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

6.  is ook van oordeel dat het aanpakken van het verschijnsel van kindsoldaten voor de autoriteiten en de internationale gemeenschap een prioriteit moet zijn;

7.  veroordeelt het dat de basisbehoeften van de Congolese bevolking stelselmatig worden geofferd op het altaar van de economische en geopolitieke belangen van de multinationals en buitenlandse mogendheden;

8.  is dan ook van oordeel dat de dramatische situatie in het oosten van de Democratische Republiek Congo alleen permanent kan worden opgelost indien de bevolking eindelijk de zeggenschap krijgt over de natuurlijke hulpbronnen aldaar; benadrukt dat het land weer zeggenschap moet krijgen over zijn natuurlijke rijkdommen door controle uit te oefenen op de activiteiten van de multinationals en door nationale infrastructuur te ontwikkelen om zijn grondstoffen te exploiteren, te bewerken en te verhandelen, wat inhoudt dat alle mijn- en bosbouwcontracten moeten worden herzien en opgezegd, overeenkomstig artikel 56 van de grondwet van Congo, om ervoor te zorgen dat deze rijkdommen ten goede komen aan zo veel mogelijk mensen en niet slechts aan een minderheid;

9.  herhaalt dat het recht van de Democratische Republiek Congo op voedselsoevereiniteit moet worden gewaarborgd, wat inhoudt dat de boeren het recht moeten hebben om voedsel te produceren voor hun volk, en dat er een einde wordt gemaakt aan het landjepik en dat de boeren en boerinnen toegang krijgen tot de grond, het zaai- en pootgoed en het water;

10.  vraagt de internationale gemeenschap en de landen die de Democratische Republiek Congo kredieten hebben verstrekt (en met name België) de obstakels voor de ontwikkeling van de DRC, en dus voor vrede, op te heffen door de hoofdsom van de schuld en de desbetreffende rentebetalingen kwijt te schelden en een daadwerkelijke internationale samenwerking te organiseren, die de mensenrechten en de soevereiniteit van de Congolese staat eerbiedigt, ter vervanging van de vrijhandelsakkoorden en de structureleaanpassingsplannen; vraagt de Congolese autoriteiten erop aan te dringen dat hun schulden aan audits worden onderworpen en dat alle illegale schulden die zij bij buitenlandse crediteuren hebben, worden geschrapt, teneinde van de hele schuld af te raken en tegemoet te kunnen komen aan de basisbehoeften van de bevolking van het land;

11.  vraagt de Europese Unie en haar lidstaten de financiële en humanitaire hulp op te voeren, teneinde tegemoet te komen aan de urgente behoeften van de bevolkingsgroepen in kwestie; verzoekt de Unie en de lidstaten hun hulp in de vorm van giften te verstrekken en niet in de vorm van leningen, teneinde de schuldenlast niet te verzwaren; betreurt het dat talrijke lidstaten van de Unie de doelstelling om 0,7 % van hun bni aan ontwikkelingshulp te besteden, niet hebben verwezenlijkt en dat sommige het voor ontwikkelingshulp bestemde percentage hebben verlaagd; betreurt het dat lidstaten hun deelname aan voedselhulpprogramma's hebben beperkt; verzoekt met klem dat ontwikkelingshulp niet wordt geïnstrumentaliseerd voor het beperken van het aantal migranten, voor het bewaken van de grenzen of voor het waarborgen van de terugname van migranten; vraagt dat de hulp van de Europese Unie en haar lidstaten voor de Democratische Republiek Congo prioritair wordt ingezet voor het oplossen van de problemen in verband met de enorme ongelijkheid, de armoede, de chronische ondervoeding, de toegang tot gezondheidszorg en overheidsdiensten, met name op het gebied van de reproductie, alsook de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen; vindt ook dat meer voedselhulp moet worden toegekend en dat prioritair moet worden ingekocht bij plaatselijke producenten;

12.  verklaart nogmaals dat de activiteiten van Europese bedrijven die in derde landen werkzaam zijn volledig in overeenstemming moeten zijn met de internationale mensenrechtennormen; roept de lidstaten er daarom toe op te controleren of bedrijven die onder hun nationale wetgeving vallen de mensenrechten en de sociale, gezondheids- en milieunormen waaraan zij zijn onderworpen niet veronachtzamen wanneer zij zich in een derde land vestigen of daar hun activiteiten ontplooien; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen tegen Europese ondernemingen die deze normen niet naleven of die de slachtoffers van de mensenrechtenschendingen waarvoor zij direct of indirect verantwoordelijk zijn geen behoorlijke schadevergoeding bieden;

13.  vraagt de Raad in het kader van de trialoog op korte termijn met het Parlement tot afspraken te komen over een bindende regeling betreffende mineralen uit conflictgebieden, en van de Europese smelterijen, raffinaderijen en importeurs, maar ook van de producenten van eindproducten zoals auto's en smartphones, te verlangen dat zij de regels in hun bevoorradingsketens strikt toepassen, teneinde een eind te maken aan de financiering van de gewapende groeperingen en het geweld in de conflictregio's in kwestie;

14.  dringt er ten aanzien van de Democratische Republiek Congo met name op aan dat er een onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld naar de eerbiediging van de sociale en milieunormen door Europese ondernemingen, in het bijzonder wat de natuurlijke hulpbronnen betreft, en naar de rol die deze ondernemingen kunnen spelen in de financiering van de gewapende groeperingen; dringt eveneens aan op een internationaal onderzoek naar het eventuele verband tussen structureleaanpassingsplannen, de financiële steun van de internationale financiële instellingen en de misdaden die in het land worden gepleegd;

15.  is tegen elke poging tot externalisering van het migratiebeleid van de Unie naar derde landen; veroordeelt het dat het proces van Rabat, waar de Democratische Republiek Congo partij bij is, geen luik bevat voor het aanpakken van de achterliggende oorzaken van migratie, maar zich uitsluitend richt op het terugzenden en wederopnemen van migranten; is van oordeel dat dit haaks staat op het recht van vrij verkeer en het recht op asiel; dringt er in dit verband op aan onmiddellijk te stoppen met de onderhandelingen met de DRC in het kader van het proces van Rabat;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de regeringen van de landen uit het gebied van de Grote Meren, de president, de premier en het parlement van de Democratische Republiek Congo, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de paritaire parlementaire vergadering ACS-EU.

 

Juridische mededeling - Privacybeleid