Procedure : 2016/2770(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0809/2016

Ingediende teksten :

B8-0809/2016

Debatten :

CRE 22/06/2016 - 16

Stemmingen :

PV 23/06/2016 - 8.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0290

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 257kWORD 64k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0801/2016
17.6.2016
PE585.239v01-00
 
B8-0809/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de bloedbaden in Oost-Congo  (2016/2770(RSP))


Charles Goerens, Hilde Vautmans, María Teresa Giménez Barbat, Beatriz Becerra Basterrechea, Ilhan Kyuchyuk, Javier Nart, Urmas Paet, Pavel Telička, Ivo Vajgl namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de bloedbaden in Oost-Congo  (2016/2770(RSP))  
B8-0809/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de Democratische Republiek Congo (DRC), met name die van 17 januari 2008 over de toestand in de Democratische Republiek Congo en verkrachting als oorlogsmisdaad(1), 21 februari 2008 over Noord-Kivu(2), 23 oktober 2008 over botsingen in de oostelijke grensstreek van de DRC(3), 17 december 2009 over geweld in de Democratische Republiek Congo(4), 13 juni 2012 over de opvolging van de verkiezingen in de Democratische Republiek Congo(5), 12 september 2013 over de situatie in de Democratische Republiek Congo(6), 9 juli 2015 over de Democratische Republiek Congo (DRC), met name de zaak van de twee gevangengehouden mensenrechtenactivisten Yves Makwambala en Fred Bauma(7), 17 december 2015 over de bescherming van het Virunga National Park in de Democratische Republiek Congo(8) en 10 maart 2016 over de Democratische Republiek Congo(9),

–  gezien het Afrikaans Handvest inzake democratie, verkiezingen en bestuur van 2007, dat door de DRC op 29 juni 2008 is ondertekend, maar door de DRC nog niet is geratificeerd, en dat op 15 februari 2012 in werking is getreden,

–  gezien de plaatselijke verklaring van de EU van 19 november 2015 naar aanleiding van de start van de nationale dialoog in de DRC,

–  gezien de gezamenlijke persmededeling van 16 februari 2016 van de Afrikaanse Unie (AU), de Verenigde Naties (VN), de Europese Unie (EU) en de internationale organisatie van de Franssprekende landen (OIF) over de noodzaak van een inclusieve politieke dialoog in de DRC, waarin deze organisaties toezeggen de Congolese actoren te steunen in hun streven naar consolidatie van democratie in het land,

–  gezien het rapport van de Congo Research Group van maart 2016, getiteld "Who are the killers of Beni?",

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de mineralenrijke noordoostelijke regio van de DRC al meer dan twintig jaar verscheurd is door conflicten tussen verschillende Congolese en buitenlandse milities (zoals de Rwandese FDLR en de Oegandese Allied Democratic Forces/National Army for Liberation of Uganda (ADF/NALU)), die maken dat de regio gebukt gaat onder geweld en terreur; overwegende dat de belangrijkste rebellenbeweging M-23 zich op 7 november 2013 heeft overgegeven, en dat de vermeende oprichter van de beweging zich heeft overgegeven aan het Internationaal Strafhof;

B.  overwegende dat het geweld na een korte periode van rust weer is opgelaaid en dat er in oktober, november en december 2015 in en rond de steden Beni, Butembo, Miriki en Lubero in de provincie Noord-Kivu een reeks afschuwelijke massamoorden heeft plaatsgevonden; overwegende dat er volgens een door het Peace Network for Congo (een Congolese ngo) aan Agenzia Fides (het persagentschap van het Vaticaan) verzonden nota sindsdien meer dan zeshonderd mannen, vrouwen en kinderen gedood zijn en tienduizenden mensen op de vlucht zijn geslagen;

C.  overwegende dat plaatselijke vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld hebben verklaard dat het geweld gepaard gaat met grootschalige en verdachte verplaatsingen van bevolkingsgroepen met dezelfde etniciteit en taal, van onbekende herkomst, met de bedoeling om land te bezetten en het land te doen uiteenvallen, en met systematische plunderingen van eigendommen en natuurlijke hulpbronnen;

D.  overwegende dat er in de regio duidelijk sprake is van een gebrek aan wetgevende en rechterlijke instanties die in staat zijn om naar behoren te functioneren en de problemen aan te pakken die hebben geleid tot de heropleving van geweld sinds oktober 2014;

E.  overwegende dat de politieke spanningen in de DRC hoog oplopen omdat president Kabila, die sinds 2001 aan de macht is, volgens de grondwet op 20 december 2016 zou moeten aftreden, maar nog niet heeft aangekondigd dat ook inderdaad te zullen doen;

F.  overwegende dat als president Kabila wil proberen ook na de grondwettelijke termijn aan de macht te blijven er in de DRC mogelijkerwijs een geweldsuitbarsting zal plaatsvinden die nog veel groter zal zijn dan de geweldsuitbarsting in Burundi, en die het hele gebied van de Grote Meren zal destabiliseren;

G.  overwegende dat president Kabila op 28 november 2015 heeft opgeroepen tot een inclusieve nationale politieke dialoog met het oog op de voorbereiding van de verkiezingen van 2016;

H.  overwegende dat het Constitutioneel Hof van Congo op 11 mei 2016 heeft bepaald dat president Kabila op grond van de wet na het einde van zijn tweede termijn op 20 december 2016 mag aanblijven als president, als er tegen die tijd nog geen verkiezingen zijn gehouden; overwegende dat de belangrijkste oppositiepartijen deze uitspraak van het Constitutioneel Hof hebben verworpen;

I.  overwegende dat de VN-Veiligheidsraad op 30 maart 2016 unaniem Resolutie 2277(2016) heeft aangenomen, waarbij het mandaat van Monusco t/m 31 maart 2017 werd verlengd;

1.  veroordeelt met klem de massamoorden en misdrijven tegen de menselijkheid die nog altijd in Oost-Congo plaatsvinden; wijst erop dat er dringend een eind moet worden gemaakt aan de criminele activiteiten van alle gewapende groepen, zonder enig onderscheid, in de oostelijke regio's van het land;

2.  benadrukt dat de huidige situatie geen belemmering mag vormen voor het houden van verkiezingen, zoals overeenkomstig de bepalingen van de grondwet gepland; is van oordeel dat vrije, transparante en eerlijke verkiezingen kunnen bijdragen aan de beëindiging van de aanhoudende crisis in de DRC, een grondiger toezicht op mijnbouwcontracten en misbruik van inkomsten uit mijnbouw mogelijk kunnen maken en op die manier kunnen bijdragen aan de verbetering van de mensenrechtensituatie in de DRC;

3.  is ervan overtuigd dat het bestaan van gewapende groeperingen van welke aard dan ook een belemmering vormt voor vrede in Oost-Congo en geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat, zoals de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor de DRC begin 2016 al aangaf, steeds meer strijders worden geworven voor op etniciteit gebaseerde zelfverdedigingsgroepen;

4.  dringt er bij de regering van de DRC op aan om in het onrustige Oost-Congo te werken aan wederopbouw en versterking van de autoriteit van de staat en de rechtsstaat, met name op het gebied van bestuur en veiligheid, teneinde de terugkeer van ontheemden mogelijk te maken en humanitaire hulpinstanties toegang te bieden; dringt aan op snelle en actieve hervatting van de samenwerking tussen Monusco en de strijdkrachten van de RDC (FARDC), op basis van de militaire-samenwerkingsovereenkomst die op 28 januari 2016 in Kinshasa is ondertekend, teneinde de vrede en veiligheid in zowel de oostelijke regio als het land in zijn geheel te herstellen en te consolideren;

5.  dringt er bij de Congolese regering op aan om op grondige en transparante wijze onderzoek in te stellen naar functionarissen ten aanzien van wie het vermoeden bestaat dat zij hebben samengewerkt met rebellen en milities en die ervan worden verdacht betrokken te zijn geweest bij de bloedbaden in het oosten en naar alle andere personen die zich schuldig hebben gemaakt aan schending van de mensenrechten, en al deze personen voor de rechter te brengen, indien de Veiligheidsraad zich met de situatie blijft bezighouden;

6.  roept de openbaar aanklager van het Internationaal Strafhof op tevens onderzoek te doen naar de wreedheden die sinds oktober 2014 in Noord-Kivu hebben plaatsgevonden en de hoofdverdachten hiervan te vervolgen, en ervoor te zorgen dat ook de leiders van milities worden vervolgd, alsmede alle anderen die zich schuldig hebben gemaakt aan slachtingen, seksueel geweld, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid;

7.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de secretaris-generaal van de VN, de Afrikaanse Unie, de president, de premier en het parlement van de Democratische Republiek Congo, alsook aan de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1)

PB C 41E van 19.2.2009, blz. 83.

(2)

PB C 1841E van 6.8.2009, blz. 106.

(3)

PB C 15E van 21.1.2010, blz. 86.

(4)

PB C 286E van 22.10.2010, blz. 21.

(5)

PB C 332E van 15.11.2013, blz. 63.

(6)

PB C 93 van 9.3.2016, blz. 173.

(7)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0278.

(8)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0475.

(9)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0085.

Juridische mededeling - Privacybeleid