Procedure : 2016/2600(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0855/2016

Ingediende teksten :

B8-0855/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 06/07/2016 - 6.13
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0313

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 167kWORD 63k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0853/2016
29.6.2016
PE585.292v01-00
 
B8-0855/2016

naar aanleiding van vragen voor mondeling antwoord B8-0702/2016 en B8-0703/2016

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over het besluit van Japan om de walvisvangst te hervatten in het seizoen 2015-2016 (2016/2600(RSP))


Renate Sommer namens de PPE-Fractie
Renata Briano namens de S&D-Fractie
Julie Girling, Angel Dzhambazki namens de ECR-Fractie
Frédérique Ries namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het besluit van Japan om de walvisvangst te hervatten in het seizoen 2015-2016 (2016/2600(RSP))  
B8-0855/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de overeenkomst van de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) om de vangstlimieten voor commerciële walvisvangst op nul te zetten (het "moratorium"), die in 1986 in werking trad;

–  gezien Resolutie 2014-5, aangenomen door de Internationale Walvisvaartcommissie tijdens haar 65e jaarvergadering in 2014,

–  gezien de Aichi Biodiversiteitsdoelstellingen die overeengekomen zijn in het kader van het Verdrag inzake biologische diversiteit,

–  gezien Richtlijn 92/43/EEG van 21 mei 1992 van de Raad inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora (habitatrichtlijn)(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 februari 2009 over de maatregelen van de Gemeenschap voor de walvisvangst(2),

–  gezien de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof (ICJ) van 31 maart 2014 in de zaak betreffende walvisvangst in de Antarctische Oceaan (Australië vs. Japan: interventie door Nieuw-Zeeland),

–  gezien de demarche die in december 2015 is ondertekend door de EU inzake de hervatting van de walvisvangst in de Zuidelijke IJszee in het kader van het nieuwe wetenschappelijk onderzoeksprogramma voor walvisvangst ("NEWREP-A");

–  gezien de vragen aan de Raad en aan de Commissie over het besluit van Japan om in het seizoen 2015-2016 de walvisvangst te hervatten (O-000058/2016 – B8-0702/2016 en O-000059/2016 – B8-0703/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Internationale Walvisvaartcommissie (IWC) in 1982 een moratorium heeft ingesteld voor commerciële walvisvangst, dat nog steeds van kracht is, om de bestanden te beschermen tegen uitsterven en hen in staat te stellen om te herstellen; overwegende dat het moratorium alleen vrijstellingen toestaat voor het vangen van beperkte aantallen dieren voor strikt wetenschappelijke doeleinden, beter bekend als het "walvisvangst met speciale vergunning";

B.  overwegende dat de commerciële walvisvangst ondanks dit moratorium nog steeds door verscheidene landen wordt beoefend; overwegende dat, sinds de instelling van het moratorium, het aantal walvissen dat gedood wordt met een speciale vergunning voor zogenaamd wetenschappelijk onderzoek alleen maar is gestegen; overwegende dat Japan deze vorm van walvisvangst met een speciale vergunning decennialang heeft beoefend;

C.  overwegende dat de walvisvangst ernstig en verlengd lijden van individuele dieren veroorzaakt en gevaarlijk is voor de instandhouding van de walvispopulatie in haar geheel;

D.  overwegende dat het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in zijn uitspraak van 31 maart 2014 heeft bevolen de jaarlijkse jacht op walvissen door Japan, op basis van zijn JARPA II-programma, stil te leggen wegens een "gebrek aan wetenschappelijke meerwaarde" en omdat de afgegeven vergunningen niet werden gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek zoals Japan beweerde;

E.  overwegende dat Japan in oktober 2015 bij de VN een verklaring heeft afgegeven waarin het de jurisdictie van het ICJ erkent, met uitzondering van geschillen die voortvloeien uit, betrekking hebben op of verband houden met onderzoek naar, of behoud, beheer of exploitatie van visbestanden in zee, wat er feitelijk op neerkomt dat het niet door het ICJ tot de orde kan worden geroepen over de walvisvangst met speciale vergunning;

F.  overwegende dat het Japanse visserij-agentschap de Internationale Walvisvaartcommissie in november 2015 heeft laten weten dat het land voornemens is de walvisvangst te hervatten op basis van het nieuwe wetenschappelijk onderzoeksprogramma voor walvisvangst (NEWREP-A);

G.  overwegende dat het deskundigenpanel van de Internationale Walvisvaartcommissie dat NEWREP-A onderzocht en geëvalueerd heeft, concludeerde dat in het voorstel niet voldoende was aangetoond dat het uitvoeren van bemonstering met fatale afloop noodzakelijk was om de genoemde doelstellingen te halen;

H.  overwegende dat het voornaamste doel moet bestaan in de bescherming van de biodiversiteit, waaronder het behoud van soorten, overwegende dat de habitatrichtlijn van de EU, die bepalend is voor het standpunt van de Gemeenschap inzake walvissen (en dolfijnen), een hervatting van de commerciële vangst op de walvisbestanden in EU-wateren niet toestaat;

I.  overwegende dat de EU en haar lidstaten Japan bekritiseerd hebben omdat het land de activiteiten hervatte en de richtsnoeren uit het advies van het ICJ van 2014 niet voldoende in acht nam; overwegende dat zij in 2015 Nieuw-Zeeland zijn bijgetreden in een demarche ten aanzien van de Japanse regering;

J.  overwegende dat Japan een strategische partner van de EU is en dat de bilaterale relatie is gebaseerd op gedeelde waarden, inclusief een hecht geloof in effectief multilateralisme en een op regels gebaseerde internationale orde;

1.  ondersteunt de handhaving van een wereldwijd moratorium op de commerciële walvisvangst en een verbod op internationale commerciële handel in walvisproducten ten zeerste; wenst een einde te maken aan de ongewettigde "wetenschappelijke walvisvangst" en ondersteunt de aanwijzing van aanzienlijke delen van de zeeën en oceanen tot beschermde gebieden waar alle walvisjacht voor onbepaalde tijd verboden is;

2.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over het feit dat het besluit om de walvisvangst te hervatten in het kader van het NEWREP-A-programma tot gevolg zou hebben dat er in het seizoen 2015-2016 333 dwergvinvissen in de Antarctische Oceaan worden gedood, en dat er gedurende de hele periode van twaalf jaar in totaal bijna 4 000 walvissen zullen worden gedood;

3.  betreurt dat Japan met dit besluit rücksichtslos voorbij gaat aan de uitspraak van het ICJ; is van mening dat de walvisvangst derhalve in strijd is met de IWC-normen en het internationaal recht en de bescherming van de biodiversiteit en de mariene ecosystemen ondermijnt; benadrukt dat het voor echt wetenschappelijk onderzoek niet nodig is om op grote schaal en regelmatig walvissen te doden; dringt er bij Japan op aan om zijn walvisvangstactiviteiten onmiddellijk te stoppen en zich te houden aan de conclusies van het wetenschappelijk comité van de IWC;

4.  is verheugd over de deelname van de EU aan de demarche om Japan kond te doen van haar ernstige bezorgdheid; roept de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Raad op om er bij Japan op aan te dringen dat het de internationale verplichtingen inzake de bescherming van zeezoogdieren respecteert;

5.  betreurt dat Japan zijn besluit tot dusverre niet heeft heroverwogen ondanks de diplomatieke demarche en het wijdverbreide internationale protest; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan alles in het werk te stellen om de kwestie via een politieke dialoog op te lossen en in het kader van de IWC;

6.  dringt er bij de Commissie, de EDEO en de lidstaten op aan naar passende mechanismen te zoeken om Japan voortdurend aan te spreken op de kwestie van de wetenschappelijke walvisvangst om een einde te maken aan deze praktijk;

7.  sluit zich aan bij IWC Resolutie 2014-5, volgens welke er geen vergunning meer mag worden afgegeven zonder een voorafgaande internationale beoordeling, inclusief door het wetenschappelijk comité van de IWC; dringt er bij de IWC op aan de uitspraak van het ICJ op te nemen in zijn werkmethoden en haar regels dienovereenkomstig te wijzigen; benadrukt dat er dringend moet worden opgetreden om de IWC in dit verband te versterken en dringt er bij de lidstaten op aan de nodige besluiten te nemen op de volgende vergadering van de IWC in oktober;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Japan.

(1)

PB 206 van 22.7.1992, blz. 7

(2)

PB C 76 E van 25.3.2010, blz. 46.

Juridische mededeling - Privacybeleid