Procedure : 2016/2773(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0896/2016

Ingediende teksten :

B8-0896/2016

Debatten :

PV 06/07/2016 - 5
CRE 06/07/2016 - 5

Stemmingen :

PV 06/07/2016 - 6.12
CRE 06/07/2016 - 6.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 283kWORD 145k
4.7.2016
PE585.337
 
B8-0896/2016

naar aanleiding van een verklaring van de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 37, lid 3, van het Reglement en het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie


over het werkprogramma van de Commissie voor 2017 (2016/2773(RSP))


Vicky Ford namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over het werkprogramma van de Commissie voor 2017 (2016/2773(RSP))  
B8-0896/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de Europese Commissie van 19 februari 2016 over een uitvoeringsmechanisme inzake subsidiariteit en een uitvoeringsmechanisme inzake lastenverlichting,

–  gezien de verklaring van de Europese Raad van 19 februari 2016 over het concurrentievermogen,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven,

–  gezien het eindverslag van de Groep op hoog niveau van 24 juli 2014 over administratieve lasten, getiteld "Cutting Red Tape in Europe – Legacy and Outlook" (Vermindering van administratieve rompslomp in Europa – erfenis en vooruitzichten),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016: Naar een verbeterde regelgeving inzake de interne markt(1),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid(2),

–  gezien artikel 37, lid 3, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de lidstaten van de Europese Unie in de komende decennia zullen worden geconfronteerd met grote economische uitdagingen op een snel veranderende en steeds complexer wordende wereldmarkt;

B.  overwegende dat alleen concurrerende economieën in staat zullen zijn de banen en welvaart te creëren waarmee de levensstandaard van hun burgers wordt verhoogd, investeringen in de toekomst worden gefinancierd, hoogwaardig onderwijs en goede kansen voor jongeren worden geboden, de gezondheidszorg en pensioenvoorziening worden verbeterd en betere overheidsdiensten worden geboden;

C.  overwegende dat de lidstaten van de Europese Unie het niveau van productiviteit en innovatie moeten verhogen om aan de economische uitdagingen het hoofd te bieden;

D.  overwegende dat de lidstaten van de Europese Unie de particuliere en overheidsschulden moeten drukken om een sterke basis te bieden voor duurzame economische groei op de lange termijn;

E.  overwegende dat de publieke opinie steeds meer op haar hoede is tegenover een Europese Unie, die zich bevoegdheden lijkt toe te eigenen welke beter op het niveau van haar lidstaten en hun regionale en plaatselijke autoriteiten of door de burgers zelf zouden kunnen worden uitgeoefend;

F.  overwegende dat de burgers van de Europese Unie duidelijk een Unie willen met een lichte aanpak waarmee de samenwerking tussen haar lidstaten wordt vergemakkelijkt op gebieden waar deze een toegevoegde waarde biedt, maar waarmee vooral de fundamentele beginselen van subsidiariteit en evenredigheid worden nageleefd;

1.  doet een beroep op de Commissie om in 2017 voorrang te geven aan maatregelen die bijdragen tot duurzame groei op de lange termijn, het creëren van banen en welvaart;

2.  steunt de verklaring van de Commissie van 19 februari 2016 over een uitvoeringsmechanisme inzake subsidiariteit en een uitvoeringsmechanisme inzake lastenverlichting waarin het volgende wordt verklaard: "De Commissie zal een mechanisme instellen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of het geheel van bestaande EU-wetgeving strookt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid"; dringt er bij de Commissie op aan de aanbevelingen in de resolutie van het Parlement van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid volledig ten uitvoer te leggen;

3.  verzoekt de Commissie om met grote inzet het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" uit te voeren, met name de gedeelten inzake de kmo-toets en de concurrentievermogenstoets als onderdeel van de effectbeoordelingen, het afbakenen van doelstellingen voor de lastenverlichting, het jaarlijks lastenoverzicht en de werkzaamheden van de Raad voor regelgevingstoetsing; doet een beroep op de Commissie om ervoor te zorgen dat zeer kleine ondernemingen zoveel mogelijk van alle wetsvoorstellen worden uitgezonderd, opdat nieuwe start-ups en ondernemers kunnen worden aangemoedigd; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in haar werkprogramma de aanbevelingen van het Parlement in zijn resolutie van 12 april 2016 "Naar een verbeterde regelgeving inzake de interne markt" worden uitgevoerd;

4.  onderstreept dat nieuwe handelsakkoorden als onderdeel van deze agenda voor groei van fundamenteel belang zijn om voor Europa een op de buitenwereld gericht, concurrerend economisch kader te ontwikkelen dat aan de consumenten concrete voordelen en lagere prijzen kan bieden en nieuwe banen kan scheppen;

5.  verzoekt de Commissie zich te richten op het ontwikkelen van een gemoderniseerde en doeltreffende begroting; constateert dat de rekeningen van de EU voortdurend worden goedgekeurd, als zouden zij een "juist en getrouw" beeld van de financiën van de Europese Unie geven, maar dat bezorgdheid blijft bestaan over de doeltreffendheid van de uitgaven, en verzoekt derhalve de Commissie om haar benadering van de begrotingscontrole terdege te herprioriteren telkens wanneer onvoldoende vooruitgang wordt geboekt om een kwestie aan te pakken die voor de Europese publieke opinie van het grootste belang is; benadrukt dat het geld van de belastingbetaler efficiënter moet worden gebruikt waarbij de lidstaten volledig moeten worden betrokken om zorgen over wanbeheer en fraude aan te pakken; vraagt dat het bestaande beleid regelmatig wordt geëvalueerd, herzien en, indien nodig, aangepast om ervoor te zorgen dat het aan de eisen van het toekomstige en snel veranderende technologische en economische klimaat voldoet; onderstreept dat deze evaluaties door volledige onafhankelijke en objectieve instanties moeten worden uitgevoerd;

DEEL 2: SPECIFIEKE VOORSTELLEN VOOR HET WERKPROGRAMMA

"Een nieuwe stimulans voor banen, groei en investeringen"

Het uitvoeringsmechanisme inzake subsidiariteit en evenredigheid en het uitvoeringsmechanisme inzake lastenverlichting

6.  is van oordeel dat beide nieuwe mechanismen inzake subsidiariteit en evenredigheid, en lastenverlichting, zoals genoemd in de verklaring van de Commissie van 19 februari 2016, het platform voor het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) zullen versterken en zullen bijdragen aan de economische groei, het creëren van banen en een groeiende welvaart;

7.  constateert dat de Europese Raad in zijn verklaring over concurrentievermogen van 19 februari 2016 tevens aandringt op "de vermindering van de lasten in belangrijke sectoren"; verzoekt de Commissie om, overeenkomstig deze verklaringen, van de lastenvermindering een essentieel onderdeel van de "intentieverklaring" van het werkprogramma voor 2017 te maken teneinde een positieve hervormingsagenda voor het werkprogramma en de verwachte gezamenlijke verklaring over de jaarlijkse institutionele planning vast te stellen;

8.  dringt er bij de Commissie op aan de volgende kwesties als prioriteiten op te nemen in het "werkprogramma" voor de mechanismen inzake subsidiariteit en evenredigheid, en lastenverlichting:

–  Verordening (EG) nr. 883/2004) betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels,

–  Richtlijn 2003/88/EG betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd,

–  Richtlijn 2008/104/EG betreffende uitzendarbeid,

–  Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten,

–  Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie,

–  Verordening (EG) nr. 1907/2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH),

–  Verordening (EU) nr. 528/2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden,

–  Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen,

–  Verordening (EG) nr. 396/2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong,

–  Richtlijn 91/676/EEG inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen,

–  Verordening (EG) nr. 1967/2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee,

–  de Small Business Act,

–  Verordening (EU) nr. 165/2014 betreffende tachografen in het wegvervoer,

–  Richtlijn 2014/95/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen,

–  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 815/2012 van de Commissie tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad wat betreft bijzondere regelingen voor niet-gevestigde belastingplichtigen die telecommunicatie-, omroep- of elektronische diensten verrichten voor niet-belastingplichtigen;

9.  vraagt de Commissie het wetsvoorstel inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen in te trekken;

10.  verzoekt de Commissie het voorstel voor een doelgerichte herziening van erkenningsrichtlijn 2013/32/EU betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming opnieuw te evalueren;

11.  dringt erop aan de prioriteiten van het werkprogramma die vóór eind 2016 moeten worden ingediend uit hoofde van het nieuwe mechanisme inzake subsidiariteit en evenredigheid en het mechanisme inzake lastenverlichting, in het werkprogramma 2017 op te nemen;

Beter wetgeven

12.  constateert dat de Commissie een nettodoelstelling heeft vastgesteld voor het terugdringen van de economische kosten in verband met de regeldruk voor ondernemingen; dringt erop aan dat deze wordt vastgesteld op 25% tegen 2020 overeenkomstig de vorige streefdoelen, met een doelstelling op de langere termijn voor het halveren van de druk van de bestaande regelgeving van de EU tegen 2030 in samenwerking met de parlementen van de lidstaten; onderstreept dat deze algemene doelstelling ook de nalevingskosten moet omvatten en dat tevens een aanzienlijke inspanning moet worden gedaan ten aanzien van de nalevingskosten; dringt erop aan dat elke nieuwe Commissie tussentijdse doelstellingen vaststelt in overleg met het Parlement en de Europese Raad; is van oordeel dat Refit een belangrijke stap is op weg naar het vereenvoudigen van de wetgeving, het verlichten van de regeldruk voor ondernemingen en het wegnemen van belemmeringen voor groei en de schepping van werkgelegenheid; moedigt de Commissie ten stelligste aan om, waar mogelijk, de formule toe te passen dat voor elke nieuwe norm twee oude normen worden ingetrokken door de voordelen van het invoeren van de compensatie van regeldruk te overdenken in het kader waarvan nieuwe regels die de administratieve en regeldruk verhogen, slechts kunnen worden opgelegd als de bestaande lasten worden gehalveerd;

13.  verzoekt de Commissie dringend, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het nieuwe interinstitutioneel akkoord, onverwijld voorstellen in te dienen met doelstellingen voor de verlaging van de lastendruk in sleutelsectoren; doet een beroep op de Commissie de methode bekend te maken die zij voornemens is te gebruiken om de sleutelsectoren af te bakenen waarvoor streefcijfers voor de verlaging van de lastendruk zullen worden vastgelegd;

14.  onderstreept het belang van het overeengekomen jaarlijkse lastenoverzicht als onderdeel van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven en als instrument om op een duidelijke en transparante manier de resultaten af te bakenen en te controleren van de inspanningen van de Unie om overregulering en administratieve rompslomp te verminderen waartoe een lijst inzake de kmo's moet behoren; is van oordeel dat het jaarlijkse lastenoverzicht moet worden gebruikt om de door afzonderlijke wetgevingsvoorstellen en -handelingen van de Commissie en individuele lidstaten opgelegde lasten vast te stellen;

15.  stelt vast dat de naleving van de subsidiariteit en evenredigheid thans uitsluitend aan het begin van het wetgevingsproces wordt geëvalueerd; onderstreept derhalve dat het zaak is aan het einde van het wetgevingsproces en vóór de goedkeuring van een definitieve tekst een subsidiariteits- en evenredigheidstoetsing in te voeren die ertoe moet bijdragen dat de naleving van deze beginselen gedurende het wetgevingsproces wordt gewaarborgd; verzoekt de Commissie, waar mogelijk, gebruik te maken van een "afkoelingsperiode" na de afsluiting van trialoogonderhandelingen om een effectbeoordeling en een subsidiariteitstoetsing mogelijk te maken, mede in het belang van de transparantie;

16.  verzoekt de Commissie te erkennen dat de agenda voor betere regelgeving een plaatselijke/regionale dimensie heeft, die niet noodzakelijk middels subsidiariteit kan worden aangepakt, en verzoekt de Commissie haar processen voor de effectbeoordeling van regelgeving (die afwijkt van een "territoriale effectbeoordeling") te verruimen teneinde de financiële en administratieve uitwerking van bestaande en nieuwe normen op de plaatselijke/regionale besturen te onderzoeken;

17.  verzoekt de Commissie met spoed de Small Business Act te evalueren om te bepalen hoe de werking ervan doeltreffend kan zijn, overeenkomstig de agenda voor betere regelgeving;

18.  stelt voor dat de Commissie, als onderdeel van haar agenda voor betere regelgeving, innovatieve manieren bekijkt om beleidsresultaten te boeken zonder wetgeving, door bijvoorbeeld gebruik te maken van gedragseconomie om gedrag te onderzoeken en te beïnvloeden;

19.  doet een beroep op de Commissie om de belanghebbenden in alle stadia van het wetgevingsproces te raadplegen, ook in het beginstadium van het wetgevingsproces, teneinde onbedoelde gevolgen te voorkomen;

20.  verzoekt de Commissie de werking van het Refit-platform te evalueren om ervoor te zorgen dat het transparant en gebruikersvriendelijk is; dringt erop aan dat de doeltreffendheid en de resultaten ervan in 2017 worden geëvalueerd;

21.  verzoekt de Commissie in 2017 een evaluatie te verrichten van de onafhankelijkheid van de Raad voor regelgevingstoetsing bij het vervullen van zijn taak van toezicht en het verlenen van objectief advies over de respectieve effectbeoordelingen, en een samenvatting te geven van eventueel noodzakelijke follow-upmaatregelen;

22.  verzoekt de sociale partners, gezien artikel 155 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), in het kader van huidige en toekomstige kaderovereenkomsten, met inbegrip van de kaderovereenkomst van 2012 in de kappersbranche, instrumenten voor betere regelgeving te hanteren, bij hun onderhandelingen meer gebruik te maken van effectbeoordelingen en overeenkomsten met voorstellen voor wetgevingsmaatregelen voor te leggen aan de Raad voor regelgevingstoetsing van de Commissie;

23.  verzoekt de Commissie de vooruitgang en resultaten af te bakenen op het gebied van de vastgestelde top tien van de meest belastende wetten voor kmo's, met inbegrip van de arbeidstijdenrichtlijn en de richtlijn inzake uitzendarbeid, en prioriteit te verlenen aan acties om hierbij vooruitgang te boeken;

24.  wijst op de recente trend dat bedrijven productie- en dienstenactiviteiten naar Europa terughalen, en op de kansen die dit biedt voor nieuwe banen; verzoekt de Commissie na te denken over manieren waarop de EU bedrijven kan helpen hun voordeel te doen met de mogelijkheden die het terughalen van activiteiten biedt;

25.  doet een beroep op de Commissie om, in het kader van de evaluatie van het acquis inzake gezondheid en veiligheid, de beginselen van betere regelgeving te hanteren om ervoor te zorgen dat het nieuwe kader evenredig blijft en kan worden aangepast aan de veranderende omstandigheden op de werkplek; is van oordeel dat bepalingen moeten worden vastgelegd, bijvoorbeeld in de kaderrichtlijn, inzake het om de tien jaar verrichten van een evaluatie;

26.  verzoekt de Commissie de betrokkenheid van de nationale parlementen te vergroten en deze uitgebreid te raadplegen, wanneer herzieningen en intrekkingen van EU-wetgeving worden overwogen; dringt aan op een automatische horizonclausule voor alle EU-wetgeving die een doelgerichte onafhankelijke effectbeoordeling op gang zou brengen die weer kan resulteren in een herziening of intrekking van wetgeving; wijst erop dat de effectbeoordeling onder andere kan kijken naar onderdelen, zoals de naleving van de subsidiariteit en evenredigheid, en lasten voor de lidstaten, ondernemingen, met name kmo's, en belanghebbenden, en een evaluatie kan omvatten van een mogelijke repatriëring van een bevoegdheid van de EU; wijst erop dat, tenzij uit de effectbeoordeling blijkt dat wetgeving op EU-niveau nog steeds nut heeft, automatisch kan worden aangenomen dat zij kan worden ingetrokken;

27.  is teleurgesteld over het antwoord van de Commissie aan de nationale parlementen in de gevallen waarin gele kaarten gegeven zijn; is van oordeel dat de Commissie de aanbevelingen in de resolutie van het Parlement van 12 april 2016 over de jaarverslagen 2012-2013 over subsidiariteit en evenredigheid ten uitvoer moet leggen, dat zij de dialoog met de nationale parlementen moet intensiveren en dat zij uitgebreid moet ingaan op in elk bekendgemaakt advies geuite zorgen; is van oordeel dat de Commissie voor de betrokken commissie/commissies van het Parlement moet verschijnen om in detail haar standpunt over subsidiariteitsadviezen uiteen te zetten;

28.  doet een beroep op de Commissie om haar politieke en wetgevingsdialoog met de nationale en, waar van toepassing, de regionale parlementen op een gecoördineerde manier te intensiveren om te beoordelen of potentiële en bestaande voorstellen van de EU stroken met hun bevoegdheden en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; merkt op dat deze procedure zou moeten plaatsvinden tijdens de raadpleging en de voorbereidende stadia van de wetgevingsplanning voorafgaande aan de bekendmaking van EU-voorstellen en dat zij voortdurend moet worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat de bestaande wetgeving regelmatig wordt geëvalueerd; wijst erop dat de nationale parlementen, bij hun samenwerking met hun tegenhangers in andere lidstaten, in dit verband een aantal instrumenten tot hun beschikking hebben uit hoofde waarvan de Commissie aanzienlijke maatregelen zal moeten nemen en zal moeten ingaan op verzoeken van nationale parlementen, met inbegrip van een recht van bindend wetgevend initiatief ("groene kaart"), zoals voorgesteld door COSAC, de "rode kaart" uit hoofde van het subsidiariteitsbeginsel, die 16 lidstaten in staat zou stellen de voortgang van een stuk EU-wetgeving te verhinderen, nauwere betrokkenheid bij de herzieningen van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, en een recht om een parlementair onderzoek naar Europese zaken op gang te brengen, ook op het stuk van financiële transparantie;

29.  verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging en ratificatie te helpen vergemakkelijken van het Verdrag van Marrakesh tot bevordering van de toegang tot gepubliceerde werken voor personen die blind of visueel gehandicapt zijn of anderszins een leeshandicap hebben;

30.  is gekant tegen de voorgestelde wetgeving inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen, die een inbreuk vormt op de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid; onderstreept dat de lidstaten het best in staat zijn oplossingen te vinden die passen bij hun specifieke cultuur en ondernemingsklimaat, en dat zij niet gebaat zijn bij een contraproductieve uniforme quotabenadering die voor alle lidstaten moet gelden;

Financiële diensten

31.  dringt erop aan dat ernaar wordt gestreefd de voltooiing van de kapitaalmarktenunie te bespoedigen en te prioriteren, aangezien zij van belang is voor het bevorderen van de groei en het concurrentievermogen op de wereldmarkt; benadrukt dat een cumulatieve effectbeoordeling van de economische wetgeving moet worden uitgevoerd om ongerijmdheden in de wetgeving op te sporen die een belemmering voor een kapitaalmarktenunie kunnen vormen;

32.  verlangt dat bij het ontwerpen van beleid een sterkere nadruk wordt gelegd op het concurrentievermogen van de financiële sectoren van de EU op de wereldmarkt; wijst voorts op de noodzaak van nauwere samenwerking van de Europese toezichthoudende autoriteiten en de Commissie met internationale instanties om de belangen van de EU te bevorderen;

33.  verzoekt de Commissie om de tenuitvoerlegging van financiële wetgeving regelmatig te controleren teneinde uitvoeringsproblemen, onbedoelde gevolgen en onderdelen die kunnen worden herzien, geactualiseerd of geschrapt, te evalueren; onderstreept de rol die de Europese toezichthoudende autoriteiten en het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTZ) moeten vervullen bij de verwezenlijking van betere regelgevingsdoelstellingen; merkt in dit verband op dat de Europese toezichthoudende autoriteiten nauw moeten samenwerken met nationale deskundigen en belanghebbenden bij het uitwerken van technische normen om onbedoelde gevolgen te voorkomen;

34.  onderstreept dat alle voorstellen voor bijkomende wetgeving door de Commissie aan een nauwgezette effectbeoordeling en een kosten-/batenanalyse moeten worden onderworpen, overeenkomstig haar agenda voor betere regelgeving, om ervoor te zorgen dat voorstellen uitsluitend worden gedaan als de nagestreefde gevolgen niet zonder wetgeving kunnen worden bereikt; verzoekt de Commissie haar nieuwe belofte na te komen dat zij het geheel van financiële regelgeving van de EU en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zal herzien, en wacht met smart op de resultaten op het gebied van financiële dienstverlening; wijst bovendien op het belang van een passende verdeling van de bevoegdheden tussen het EU-niveau en het nationale niveau, gezien de deskundigheid en kennis van nationale toezichthouders ten aanzien van hun plaatselijke markt;

35.  is ingenomen met de werkzaamheden van de Commissie en de lidstaten bij de actieve bevordering van de strijd tegen belastingfraude, belastingontduiking, agressieve fiscale planning en het gebruik van belastingparadijzen; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan rekening te houden met de mondiale dimensie van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve fiscale planning en het gebruik van belastingparadijzen, en ervoor te zorgen dat alle genomen maatregelen het concurrentievermogen van EU-bedrijven beschermen en dat daarbij voldoende transparantie in acht wordt genomen om het vertrouwen van de consument in de billijkheid van de belastingstelsels van de EU-lidstaten te vergroten;

36.  roept op tot een tijdige uitvoering van de bestaande wetgeving inzake de bankenunie en tot intensivering van het overleg met de deskundigen van de sector om de gevolgen en effectiviteit van de vastgestelde wetgeving te evalueren; herinnert eraan dat verscheidene lidstaten de bail-in-wetten nog steeds niet hebben omgezet en verzoekt derhalve de Commissie te zorgen voor een snelle en volledige omzetting van de richtlijn herstel en afwikkeling van banken; roept de Commissie op om in het kader van het voorstel voor het Europees depositoverzekeringsstelsel de risico's nauwgezet te evalueren; merkt in dit verband op dat deze evaluatie een uitgebreid overzicht van de stand van zaken van de infrastructuur achter en de financiering van de nationale depositogarantiestelsels moet omvatten; stelt vast dat ook de belangen van de lidstaten die niet deelnemen aan de bankenunie of de eurozone moeten worden gerespecteerd;

37.  dringt aan op meer evenredige maatregelen voor kleinere banken, opdat de verslagleggingseisen worden afgestemd op de grootte van banken waardoor wordt voorkomen dat kleinere banken meer informatie moeten leveren dan door de toezichthouders nodig wordt geacht om het risicoprofiel van banken en de potentiële uitwerking op de financiële stabiliteit te beoordelen; stelt bovendien vast dat de toekomstige netto stabiele financieringsratio kan worden afgestemd op het bedrijfsmodel van banken, zodat kleinere banken die minder afhankelijk zijn van wholesalefinanciering, kunnen worden uitgezonderd;

38.  verzoekt de Commissie manieren te overwegen om de Europese economische en monetaire unie (EMU) op een andere wijze te voltooien dan in het verslag van de vijf voorzitters wordt voorgesteld; is gekant tegen het invoeren van een begrotingscapaciteit voor de eurozone is van oordeel dat een geloofwaardige verbintenis tot het toepassen van het no-bail-outbeginsel in artikel 125 VWEU de soevereiniteit en verantwoordelijkheid van de lidstaten op het gebied van sociaal, economisch en fiscaal beleid zou versterken;

"Een connectieve digitale interne markt"

39.  is het ermee eens dat de Commissie prioriteit verleent aan de digitale interne markt, gezien de mogelijkheden die digitale activiteiten kunnen bieden voor banen, het creëren van start-ups en scale-ups, groei en innovatie; onderkent dat de digitale transformatie van het bedrijfsleven in de EU belangrijk is voor het creëren van banen, het verhogen van de productiviteit en het concurrentievermogen, en dus voor het stimuleren van de groei; onderstreept dat 2017 een jaar van resultaten zal zijn, aangezien de laatste hand moet worden gelegd aan wetsvoorstellen en in de lidstaten hieraan uitvoering moet worden gegeven;

40.  raadt de Commissie aan, alvorens nieuwe wetgeving op digitaal gebied te lanceren, de optimale praktijken op het niveau van de lidstaten en internationaal te onderzoeken, door de industrie geleide maatregelen te bevorderen, haar aandacht te richten op de tenuitvoerlegging van bestaande wetgeving, geldende nationale en EU-wetten, indien nodig, te moderniseren en alleen als het absoluut noodzakelijk is nieuwe wetgeving te initiëren;

41.  verzoekt de Commissie administratieve rompslomp en ongerechtvaardigde of onevenredige regelgevende of niet-regelgevende obstakels weg te nemen om het potentieel van een digitale transformatie van de industrie en grensoverschrijdende e-handel volledig te benutten; onderstreept dat maatregelen niet protectionistisch mogen zijn, maar erop gericht moeten zijn de digitale omgeving bevorderlijk te maken voor de ontwikkeling van de Europese bedrijven en aantrekkelijk te maken voor bedrijven die zich in Europa willen vestigen en daar handel willen drijven, alsmede voor consumenten en andere gebruikers;

42.  betreurt de grote bezorgdheid met betrekking tot belastingmaatregelen in de digitale economie, voornamelijk belasting over de toegevoegde waarde (btw), die door de Commissie niet zijn aangepakt; dringt andermaal aan op de invoering van een gemeenschappelijke EU-brede vereenvoudigingsmaatregel (btw-drempel) om kleine e-handelsbedrijven te ondersteunen; onderstreept dat het dringend noodzakelijk is deze kwestie aan te pakken; herhaalt in dit verband dat het belastingbeleid tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort;

43.  verzoekt de Commissie een strikte regeling voor intellectuele-eigendomsrechten en een betere handhaving van de intellectuele eigendomsrechten te bevorderen, waarmee het concurrentievermogen zou worden bevorderd en innovatieve ondernemingen zouden worden gesteund, scheppers zouden worden beloond en voordelen voor gebruikers van auteursrechtelijk beschermde werken zouden ontstaan; is ingenomen met de follow-the-moneybenadering en onderstreept dat de Commissie, samen met de lidstaten, de bewustwording en zorgvuldigheid in de aanleveringsketen moet stimuleren en de uitwisseling van informatie en, in de strijd tegen inbreuken op intellectuele eigendomsrechten op commerciële schaal, goede praktijken moet aanmoedigen, evenals nauwere samenwerking tussen de openbare en particuliere sector;

  Een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering

44.  staat volledig achter de conclusies van de mededeling van de Commissie (COM(2016)0062), waarin de gevolgen van het akkoord van Parijs worden beoordeeld en de hoofddoelstellingen en structuur van de Europese Raad voor het klimaat- en energiekader 2030 worden gehandhaafd; waarschuwt echter voor eventuele toekomstige aanpassingen van de EU-emissiereductieverbintenissen 2030 in het kader van de eerste wereldwijde evaluatie van de INFCCC in 2023, die een negatief effect zouden kunnen hebben op de voor ondernemingen en investeerders benodigde zekerheid om de overgang naar een koolstofarme economie aan te drijven; acht het cruciaal dat bepalingen ter bescherming van bedrijfstakken die een risico op koolstoflekkage lopen, worden gehandhaafd;

45.  verzoekt de Commissie via haar opzet voor de toekomstige elektriciteitsmarkt te zorgen voor een daadwerkelijk gelijk speelveld tussen alle energiebronnen die bijdragen aan een verlaging van broeikasgasemissies in de EU;

46.  verzoekt de Commissie een gedetailleerde effectbeoordeling te verstrekken waarin de nadruk ligt op de sociaaleconomische gevolgen van de opzet voor een nieuwe elektriciteitsmarkt, met name in Centraal- en Oost-Europa, waar de energieovergangskosten waarschijnlijk hoger zullen uitvallen dan in andere EU-lidstaten;

47.  is van oordeel dat bij de opzet voor een toekomstige energiemarkt moet worden uitgegaan van een reeks verschillende onderdelen om een volledig operationeel systeem te kunnen ontwikkelen; erkent in dit verband hoe belangrijk het is de mogelijkheden voor energieopslag binnen Europa te maximaliseren, en verzoekt de Commissie een niet-verstorend en investeringsvriendelijk kader te faciliteren voor verschillende typen elektriciteitsopslagtechnologie;

48.  is bezorgd over de tenuitvoerlegging van de energie-efficiëntierichtlijn en verzoekt de Commissie aan de hand van consistente richtsnoeren met de lidstaten samen te werken aan een doeltreffende tenuitvoerlegging; is waar passend voorstander van het 'efficiëntie eerst'-beginsel en meent dat doelstellingen evenredig en realistisch moeten zijn; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de klimaat- en energiegerelateerde wetgeving van de EU zelf efficiënt en evenredig is en vrij is van tegenstrijdigheden en overlappingen;

49.  herinnert eraan dat broeikasgasemissies van de luchtvaartsector op 1 januari 2012 in het EU-emissiehandelsysteem (EU-ETS) werden opgenomen, waardoor alle vliegtuigexploitanten in het kader van het ETS verplicht zijn CO2-emissierechten te verwerven; merkt op dat in 2013 en 2014 'stop de tijd'-besluiten werden aangenomen, waarbij het toepassingsgebied van het EU-ETS tijdelijk werd beperkt en internationale vluchten ervan werden uitgesloten, zodat de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) tijd zou krijgen om een mondiale marktgebaseerde maatregel ter beperking van emissies van de internationale luchtvaart te ontwikkelen; brengt in herinnering dat deze vrijstelling in 2017 zal aflopen; verzoekt de Commissie tijdig met een verslag en aanbevelingen te komen om het in september/oktober 2016 door de 39e ICAO-Vergadering genomen besluit over een mondiale marktgebaseerde maatregel te herzien en om de vereisten van de richtlijn door middel van een nieuw wetgevingsvoorstel aan te passen;

Een diepere en eerlijkere interne markt met een sterkere industriële basis

50.  steunt de toezegging in de strategie voor de interne markt dat Europa een voortrekkersrol zal blijven vervullen bij de mondiale ontwikkeling van normen; pleit voor standaardisering die verenigbaar is met een internationale benadering middels hetzij de ontwikkeling van mondiale internationale normen, hetzij de erkenning, in voorkomend geval, van equivalente internationale normen; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het gemeenschappelijk initiatief gestoeld blijft op een 'bottom up'-benadering waarbij de behoeften van het bedrijfsleven leidend zijn, en tot normen leidt die relevant zijn voor de markt;

51.  meent dat er meer werk moet worden geleverd om te zorgen voor een voldoende bekendgemaakt en toegankelijk beroepsmechanisme voor het vaststellen van normen; spoort de Commissie ertoe aan om samen met nationale en Europese normalisatie-instellingen voort te bouwen op optimale werkwijzen om beroepsmechanismen te verbeteren;

52.  vraagt de Commissie een jaaroverzicht te presenteren van de non-tarifaire belemmeringen die van invloed zijn op de interne markt, alsook een analyse van de manieren waarop deze kunnen worden aangepakt zodat het nog onbenutte potentieel van de interne markt kan worden aangeboord;

53.  wijst erop dat regels die beperkingen op detail- en groothandelsactiviteiten opleggen die tegen het EU-recht indruisen en onevenredig zijn, aanzienlijke toegangsbelemmeringen kunnen creëren, wat ertoe leidt dat er minder nieuwe vestigingen worden geopend, dat de concurrentie wordt verstoord en dat de prijzen voor de consument hoger zijn; vraagt de Commissie om operationele beperkingen op de detail- en groothandel in de interne markt te onderzoeken;

54.  vraagt de Commissie doortastend op te treden om de toepassing van wederzijdse erkenning te verbeteren; verwacht in dit verband dat de Commissie meer bewustzijn creëert onder de bevoegde autoriteiten, en de verordening inzake wederzijdse erkenning en de begeleidende richtsnoeren herziet om kwesties die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging of toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op te lossen, zonder de consumentenbescherming daarbij uit het oog te verliezen;

55.  benadrukt dat toekomstige maatregelen, zoals het voorgestelde dienstenpaspoort, niet tot extra administratieve lasten mogen leiden, maar non-tarifaire belemmeringen moeten aanpakken en wederzijdse erkenning moeten bevorderen;

56.  spoort de Commissie ertoe aan het instrument voor gegevensanalyse op te nemen in de internemarktstrategie, aangezien het toezicht op de omzetting van de internemarktwetgeving hiermee zou kunnen worden verbeterd;

57.  vraagt de Commissie de volgende beginselen op te nemen in haar volgende herziening van het telecomkader:

a.  wetgeving moet gebaseerd blijven op beginselen, flexibel en toekomstbestendig zijn, en er niet zozeer op gericht zijn om het technologische traject van de industrie te voorspellen;

b.  mededinging ondermijnt investeringen niet maar stimuleert ze; nationale regelgevingsinstanties moeten de mogelijkheid behouden om verschillende concurrentiemodellen te steunen naar gelang hun nationale markt, met name wat geografische gebieden betreft;

c.  de telecomsector blijft gekenmerkt door structureel en historisch verschillende nationale markten, waardoor dezelfde oplossingen niet altijd voor iedere markt kunnen worden toegepast;

d.  de efficiëntie van het spectrum moet worden gemaximaliseerd, maar harmonisatie is een middel en geen doel op zich; daarom moeten de voorwaarden worden geschept om aanhoudende en door de industrie geleide ontwikkelingen op het gebied van spectrumgebruik te stimuleren, en moet er niet zozeer naar worden gestreefd om de vorm hiervan van tevoren te bepalen;

58.  is in afwachting van voorstellen voor de oprichting van een Europese Innovatieraad die vergezeld moet gaan van grondige effectbeoordelingen en gefinancierd moet worden binnen de huidige MFK-plafonds; neemt kennis van de eerste resultaten van Horizon 2020 en dringt er bij de Commissie op aan dat zij in haar tussentijdse herziening passende, feitelijk onderbouwde en op de resultaten gebaseerde conclusies trekt, met name wat betreft succespercentages, subsidieprocedures en het kostenmodel;

59.  spoort de Commissie ertoe aan een ruimtestrategie voor Europa vast te stellen, waarmee kan worden voorzien in de behoefte aan een mondiaal concurrerende EU-ruimtesector; onderstreept dat de marktkansen van de Galileo- en Copernicusprogramma's een kans vormen om het potentieel van Europese startups en andere ondernemingen die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling van ruimtegerelateerde diensten en toepassingen voor innovaties, groei en banen te benutten;

Redelijke en evenwichtige vrijhandelsovereenkomsten

60.  vraagt de Commissie de haar opgedragen werkzaamheden aan de kwesties waarvoor na de tiende ministersconferentie in Nairobi nog een oplossing moet worden gevonden, voort te zetten; merkt echter op dat de Wereldhandelsorganisatie (WTO) een flexibel en dynamisch forum moet blijven voor onderhandelingen tussen WTO-leden met het oog op verdere handelsintegratie tussen de landen die daartoe bereid zijn; steunt de inspanningen van de WTO om haar doeltreffendheid en verantwoordingsplicht te vergroten; wenst dat de EU na een periode van reflectie begint met het inbrengen van specifieke nieuwe kwesties bij de onderhandelingen in Genève, met inbegrip van maar niet beperkt investeringen, staatsbedrijven en overheidsdiensten;

61.  vraagt om een formele opening van de onderhandelingen met Australië en Nieuw-Zeeland met het oog op ambitieuze, evenwichtige economische integratie van een hoog niveau op het gebied van handel en investeringen; meent dat deze onderhandelingen binnen een kort tijdsbestek zouden moeten worden afgerond, gezien de gemeenschappelijke belangen en waarden van de EU en Nieuw-Zeeland en Australië en de vergelijkbare normen op het gebied van arbeids- en sociale rechten en milieubescherming;

62.  vraagt de Commissie om de huidige dynamiek in de Mercosurlanden en met name Argentinië aan te grijpen om de handelsbesprekingen tussen de EU en Mercosur te deblokkeren en tot een brede en ambitieuze overeenkomst te komen; is voorstander van de modernisering van de EU-overeenkomsten met Mexico en Chili, landen met essentiële banden in de regio Latijns-Amerika, in het bijzonder als leden van de dynamische regionale groep de Pacifische Alliantie; wenst dat de Commissie zich nadat deze onderhandelingen zijn afgerond buigt over de mogelijkheid van een regio-tot-regio-overeenkomst tussen de EU en de Pacifische Alliantie;

63.  erkent hoe belangrijk het is handels- en investeringsbetrekkingen met nieuwe industrielanden als India, Maleisië, Taiwan en China uit te breiden, en draagt de Commissie op alles in het werk te stellen om kwaliteitsvolle handels- en investeringsovereenkomsten met deze landen te sluiten; verzoekt de Commissie voorts ervoor te zorgen dat de vrijhandelsovereenkomst met Singapore de lidstaten en het Parlement zo spoedig mogelijk bereikt nadat het Europees Hof van Justitie zijn advies hierover heeft gegeven;

64.  spreekt zijn erkenning uit voor de bijdrage van het SAP+-programma aan de eerbiediging van de mensenrechten en arbeidsnormen en het vergroten van de kansen voor EU-investeringen in begunstigde landen; benadrukt dat het SAP+ alleen doeltreffend kan zijn als instrument voor het bevorderen van de mensenrechten indien het correct wordt toegepast; wenst dat de Commissie haar verplichtingen in het kader van Verordening (EU) nr. 978/2012 nakomt en voor het einde van 2017 met een grondige evaluatie komt, met inbegrip van responsmaatregelen, indien nodig, mocht een begunstigde zijn SAP+-verplichtingen niet nakomen; kijkt uit naar een mogelijk succesvol verzoek om een SAP+-status van Sri Lanka, op voorwaarde dat het aan de nodige criteria voldoet;

65.  stelt vast dat de Commissie in vergelijking met andere overeenkomsten wereldwijd nog altijd veel tijd nodig heeft voor het toetsen en vertalen van wetsteksten nadat de onderhandelingen zijn afgerond; is, gezien de snel evoluerende aard van het wereldhandelsklimaat en de dringende noodzaak om markten verder open te stellen voor EU-ondernemingen en -consumenten, van oordeel dat verder moet worden nagedacht over het verbeteren en stroomlijnen van het proces van juridische toetsing en vertaling, zoals al eerder is gevraagd door het Parlement, om ervoor te zorgen dat alle wetsteksten zo spoedig mogelijk ter ondertekening en ratificatie aan de lidstaten en het Parlement worden voorgelegd; vraagt de Commissie uiterlijk 31 maart 2017 verslag uit te brengen aan het Parlement met specifieke voorstellen op dit gebied;

66.  staat achter het feit dat de Commissie, gesteund door de lidstaten en het Parlement, tijdens alle lopende onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten blijft aandringen op de opname van specifieke hoofdstukken waarin juridische en technische maatregelen worden geboden om kleine en middelgrote ondernemingen beter in staat te stellen handel te drijven en investeringen te doen, wat gezien de proliferatie van geïntegreerde mondiale toeleveringsketens in de wereldhandelspatronen van cruciaal belang is;

67.  onderstreept het blijvende belang van inkomende en uitgaande investeringen voor de EU-economie en de behoefte van EU-bedrijven, ongeacht hun omvang, om volledig te worden beschermd wanneer ze in markten van derde landen investeren; benadrukt dat investeringsbescherming een noodzakelijk onderdeel is van het handelsbeleid van de EU, en erkent tegelijkertijd het beginsel van het reguleringsrecht, de behoefte aan transparantie van procedures en een op duidelijk omschreven regels gebaseerd systeem; verzoekt de EU bij toekomstige onderhandelingen te blijven toezien op investeringsbescherming van EU-investeerders;

68.  erkent dat toezicht moet worden gehouden op vrijhandelsovereenkomsten en dat zij na hun inwerkingtreding naar behoren moeten worden toegepast, niet alleen met het oog op een correcte analyse en beoordeling van hun handelseffecten maar ook op de naleving van de overeengekomen voorschriften, sancties en maatregelen; stelt vast dat de Commissie momenteel onvoldoende aandacht besteedt aan de tentuitvoerlegging van handelsovereenkomsten en benadrukt dat het van cruciaal belang is erop toe te zien dat handelspartners de in handelsovereenkomsten vastgelegde toezeggingen nakomen; roept de Commissie ertoe op het Parlement bij dit gehele proces te betrekken;

69.  is ervan overtuigd dat de EU, totdat handelspartners voldoen aan alle vijf EU-criteria om als markteconomie te worden aangemerkt, gebruik moet maken van een niet-standaardmethode waarbij de WTO-voorschriften volledig in acht worden genomen om het concurrentievermogen van Europese ondernemingen te behouden en onze strijd tegen iedere vorm van oneerlijke concurrentie voort te zetten;

70.  verzoekt de Commissie meer offensieve handelsmaatregelen te nemen waar het gaat om het aanboren en vasthouden van nieuwe markten, en zich hierbij te richten op zowel tarifaire als non-tarifaire kwesties; benadrukt dat de hoge EU-normen op het gebied van voedselveiligheid, gezondheid en dierenwelzijn, die essentieel zijn voor het vertrouwen van de EU-consument, in geen geval in het gedrang mogen komen of weg-onderhandeld mogen worden;

71.  verzoekt de Commissie een gelijk speelveld te waarborgen in handelsovereenkomsten die de EU met derde landen wil sluiten, en daarbij een lijst met gevoelige producten vast te stellen die om welke reden dan ook bloot kunnen staan aan buitensporige druk; dringt erop aan dat dergelijke producten die gevoelig kunnen zijn voor liberalisering in handelsovereenkomsten een passende bijzondere en gedifferentieerde behandeling krijgen;

Een ruimte van justitie en fundamentele rechten op basis van wederzijds vertrouwen

72.  vraagt de Commissie de huidige wetgeving op het gebied van cybercriminaliteit opnieuw te bezien en met een voorstel te komen voor een duidelijk rechtskader voor de relatie tussen particuliere ondernemingen en wetshandhavingsautoriteiten in de strijd tegen georganiseerde misdaad en radicalisering online;

73.  roept de Commissie op een wetgevingsvoorstel in te dienen op het gebied van grensoverschrijdende samenwerking ten aanzien van de uitwisseling van informatie over de traceerbaarheid van de financiering van terrorisme;

74.  pleit ervoor dat het herziene voorstel inzake 'slimme grenzen' spoedig wordt aangenomen daar dit bij zal dragen aan de opzet van doeltreffende en externe grenscontroles in de EU;

Naar een nieuw beleid op het gebied van migratie

75.  stelt met klem dat het waarborgen van het vertrouwen van het publiek, het behoud van de integriteit van het Schengengebied en de handhaving van de interne veiligheid de voornaamste overwegingen moeten zijn voor het migratiebeleid;

76.  verzoekt de Commissie de huidige verordeningen en richtlijnen op het vlak van migratie te evalueren, met name de gezinsherenigingsrichtlijn, de richtlijn asielprocedures en de kwalificatierichtlijn, die ongewenste pullfactoren vormen wat betreft het zoeken van asiel in de EU;

77.  onderstreept dat de voornaamste beginselen van de Dublin II-verordening bij de herziening behouden moeten blijven, en verzoekt de Commissie specifieke en concrete voorstellen te doen voor het aanpakken van secundaire bewegingen van asielzoekers;

78.  benadrukt dat eventuele nieuwe voorstellen op het gebied van economische migratie uit niet-EU-/-EER-landen voornamelijk onder de bevoegdheid van de lidstaten moeten vallen en eveneens gericht moeten zijn op het reguleren van de kwantiteit en kwaliteit van economische migratie uit niet-EU/-EER-landen;

79.  doet een beroep op de Commissie om de tenuitvoerlegging door Turkije van de EU-Turkije-deal nauwlettend te volgen;

80.  verzoekt de Commissie om controle- en uitvoeringsverslagen in te voeren voor de uitbetaling aan en het uitgeven door lidstaten van middelen uit het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en het Fonds voor interne veiligheid (ISF), en het gebruik van aan derde landen toegekende EU-middelen op het gebied van asiel zorgvuldig te controleren en evalueren;

81.  onderstreept dat de Commissie de mogelijke visumversoepelingsovereenkomst met Turkije regelmatig moet controleren en evalueren om zich ervan te verzekeren dat het aantal personen dat de visumverblijfsperiode overschrijdt en het aantal uit Turkije afkomstige personen dat op zoek is naar internationale bescherming niet drastisch stijgen;

82.  verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van de Europese grens- en kustwacht zodra deze is opgericht nauwlettend te volgen, om ervoor te zorgen dat dit agentschap niet alleen de instroom aan de buitengrenzen beheert, maar ook een actieve rol speelt bij terugkeer en overname en bij de verlaging van het totale aantal afgewezen asielzoekers dat op het EU-grondgebied verblijft;

83.  vraagt de Commissie een vervolg te geven aan haar voorstel voor een terugreisdocument met ambitieuze plannen voor terugkeer naar derde landen als Pakistan, Marokko en Algerije;

84.  verzoekt de Commissie een duidelijke analyse per land uit te voeren en afzonderlijke strategieën te ontwikkelen met betrekking tot de 'meer voor meer'- en 'minder voor minder'-benaderingen voor derde landen wat betreft financiële EU-steun voor de strijd tegen irreguliere migratie en mensenhandel;

Een sterkere speler op wereldvlak

85.  pleit voor regelmatige herzieningen van het Europees nabuurschapsbeleid om te garanderen dat het beantwoordt aan de voortdurend veranderende situatie aan de oostelijke en zuidelijke EU-grenzen; staat er voorts op dat de werkzaamheden en begrotingen van de Europese Dienst voor extern optreden goed worden gecontroleerd en beheerd; meent dat er bij deze beoordeling niet alleen naar moet worden gekeken of het geld correct wordt besteed, maar ook of de doelstellingen van het Europees nabuurschapsbeleid worden bereikt;

86.  vraagt de Raad en de Commissie in het licht van de huidige ontwikkelingen voortdurend en nauwlettend toezicht te houden op alle toetredingsonderhandelingen, hun vorderingen en doeltreffendheid, en waar nodig de snelheid en strategie aan te passen;

87.  erkent dat de bevordering van de mensenrechten een van de doelstellingen vormt van het buitenlands beleid van de EU, met de nadruk op gebieden als religieuze vrijheid, vrijheid van meningsuiting, politieke vrijheden, vrouwen- en kinderrechten en de rechten van minderheden;

88.  dringt aan op aanhoudende diplomatieke druk, met inbegrip van het gebruik van gerichte sancties tegen individuen, groepen en de Russische regering om het conflict in Oekraïne vreedzaam op te lossen; staat op strikte handhaving van het beleid van niet-erkenning van de door Rusland bezette Krim;

89.  erkent dat de NAVO de hoeksteen vormt van het Europese defensie- en veiligheidsbeleid;

90.  pleit voor verdere internationale samenwerking om via onderhandelingen tot een akkoord te komen in het Israëlisch-Palestijns conflict, waarbij een veilig en universeel erkend Israël zij aan zij kan bestaan met een soevereine en levensvatbare Palestijnse staat; spoort aan tot verdere inspanningen om het vredesproces tussen Turkije en de Koerden nieuw leven in te blazen en vertrouwen tussen beide zijden te kweken, zodat een begin kan worden gemaakt met de aanpak van bredere regionale kwesties die het Koerdische volk aangaan;

Ontwikkelingsvraagstukken

91.  vraagt de Commissie samen te werken met de lidstaten aan het bereiken van het streefcijfer van 0,7 % van het bnp voor officiële ontwikkelingshulp;

92.  roept de Europese instellingen op een duidelijk, gestructureerd en transparant kader vast te stellen dat verantwoording verzekert en de partnerschappen en allianties met de particuliere sector in de ontwikkelingslanden reguleert; pleit voorts voor de oprichting op EU-niveau van sectorale platformen met meerdere belanghebbenden, waarin de particuliere sector, maatschappelijke organisaties, ngo's, denktanks, regeringen van partnerlanden, donoren en andere belanghebbenden worden samengebracht om te communiceren over mogelijkheden voor deelname aan publiek-private partnerschappen, de uitwisseling van optimale werkwijzen en het bieden van technische steun ten aanzien van het rechtskader en de verwachte uitdagingen die ontstaan door ontwikkelingsinterventies in samenwerking;

93.  vraagt de Commissie innovatieve benaderingen voor levensreddende bijstand en humanitaire hulp voor te stellen en consequenter te focussen op crisispreventie en mechanismen voor vroegtijdige waarschuwing; dringt er bij de Commissie op aan potentiële partnerschappen met de private sector te overwegen om in te spelen op huidige en toekomstige humanitaire behoeften; benadrukt hoe belangrijk het is de kloof tussen noodhulp en langetermijnhulp te overbruggen en de 'nieuwe' opkomende economieën, die bij humanitairehulpbesprekingen steeds meer gewicht in de schaal leggen, hierbij te betrekken;

94.  pleit voor een uitbreiding van het huidige mandaat van de Europese Investeringsbank (EIB) voor externe leningen, om de rol van de EIB bij het verwezenlijken van duurzame ontwikkeling te versterken en er met name voor te zorgen dat de EIB actiever gaat deelnemen aan de nieuwe strategie voor de particuliere sector, door middel van blending, cofinanciering van projecten en ontwikkeling van de lokale particuliere sector; pleit daarnaast voor meer transparantie en verantwoordelijkheid ten aanzien van partnerschappen en projecten waarbij de EIB betrokken is; roept de EIB en andere instellingen in de lidstaten voor ontwikkelingsfinanciering op ervoor te zorgen dat de ondernemingen die hun steun ontvangen zich niet schuldig maken aan belastingontduiking;

95.  vraagt de Commissie samen met de lidstaten ondersteuning te blijven bieden aan derde landen voor het uitbannen van praktijken die schadelijk zijn voor vrouwen en meisjes, zoals kindhuwelijken, gedwongen huwelijken, besnijdenis van vrouwen, eermoorden, gedwongen sterilisatie, verkrachtingen in conflictsituaties, steniging en andere wreedheden; verzoekt de Commissie om met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) samen te werken aan verbetering van de steun aan slachtoffers van dergelijke wreedheden;

Een Unie van democratische verandering

Begrotingskwesties

96.  meent dat de 'toegevoegde waarde van de EU' een van de grondbeginselen zou moeten zijn voor de Commissie bij het opstellen van de schattingen voor de EU-begroting; vraagt de Commissie met klem zich te richten op het financieren van maatregelen waarbij een bijdrage uit de EU-begroting meer aantoonbaar voordeel oplevert dan financiering door afzonderlijke lidstaten; gelooft dat de EU-begroting een doorslaggevende rol kan spelen voor het welslagen van het door de Commissie voorgestelde mechanisme aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of het geheel van bestaande EU-wetgeving strookt met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

97.  merkt op dat er een cultuuromslag vereist is in de benadering van EU-uitgaven, waarbij momenteel te veel de nadruk wordt gelegd op de absorptie van middelen en de naleving van de regelgeving in plaats van op de toegevoegde waarde of resultaten; dringt er bij de Commissie op aan dat zij zich toelegt op een grondige herevaluatie van de begrotingsprioriteiten van de EU op basis van ex-postbeoordelingen en degelijke prestatie-indicatoren; is van oordeel dat het gebruik van prestatiereserves, zoals momenteel gangbaar is in structuurfondsen, kan worden uitgebreid en toegepast op andere terreinen van EU-financiering; beschouwt de strategie voor een resultaatgerichte EU-begroting in dit verband als een veelbelovende ontwikkeling, en dringt er bij de Commissie op aan een op prestaties gebaseerde begrotingsaanpak volledig in de jaarlijkse begrotingsprocedure te integreren;

98.  neemt kennis van de lopende tussentijdse herziening van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2014-2020; benadrukt dat deze herziening en een mogelijk wetgevingsvoorstel voor de herziening van het MFK, in het belang van de voorspelbaarheid van de begroting, moeten worden afgewacht voordat de toezeggingen van het Europees Parlement ten aanzien van de in de verordening van 2013 vastgestelde plafonds tijdens de duur van het huidige MFK worden gewijzigd;

99.  roept de Commissie op de tussentijdse herziening van het MFK te gebruiken om middelen weg te sluizen van beleidsterreinen met minder toegevoegde Europese waarde zoals cultuur, burgerschap en media, en de EU-begroting in plaats hiervan verder te oriënteren in de richting van banen, groei en concurrentievermogen; merkt op dat de voornaamste prioriteit van de EU-begroting niet uit het oog mag worden verloren nu dat de Unie voor nieuwe en onvoorziene uitdagingen is komen te staan; vraagt de Commissie van deze gelegenheid gebruik te maken om de toepasselijke regels van bestaande programma's op dit vlak, zoals het Horizon 2020-programma, in overeenstemming met de agenda voor betere regelgeving te vereenvoudigen;

100.  merkt op dat de Commissie voornemens is vóór 1 januari 2018 met een voorstel te komen voor het volgende MFK; verzoekt de Commissie met klem een besluit te nemen over de prioriteiten voor de meerjarige begroting in overeenstemming met het beginsel van toegevoegde waarde van de EU, voordat zij een voorstel indient over de omvang van de EU-begroting; dringt er bij de Commissie op aan de looptijd van het volgende MFK gelijk te trekken met de politieke cyclus van de Commissie en het Parlement om de democratische verantwoordingsplicht en transparantie van de meerjarige begroting te verbeteren;

101.  merkt op dat de Commissie voorstellen in overweging zal nemen van de Groep op hoog niveau inzake eigen middelen, met inbegrip van nieuwe bronnen voor eigen middelen; gelooft echter dat het systeem van eigen middelen onder EU-burgers op weerstand zou kunnen stuiten; is daarom fel tegenstander van de invoering van iedere nieuwe vorm van rechtstreekse Europese belasting; pleit in plaats daarvan voor de ontwikkeling van een eenvoudiger en transparanter middelensysteem dat gebaseerd is op de bni-bijdragen van de lidstaten;

102.  verzoekt de Commissie om controle- en uitvoeringsverslagen in te voeren voor de uitbetaling aan en het uitgeven door lidstaten van middelen uit het AMIF en het ISF;

Milieu

103.  herinnert aan de wettige verplichting van de Commissie ingevolge artikel 117(4) van de REACH-verordening om per 1 juni 2017 verslag uit te brengen over de uitvoering en de werking van deze verordening en merkt op dat dit verslag dan ook zal dienen als REFIT-evaluatie van de verordening zal dienen; onderstreept dat de wetgeving bij deze evaluatie moet worden getoetst op doeltreffendheid en efficiëntie, op interne samenhang en samenhang met ander EU-beleid, op te realiseren EU-meerwaarde, op haar effect op het bedrijfsleven, met name op kmo's, en op vermogen tot langetermijninvesteringen, evenals haar effect op de industrie en mogelijke relocatie van in de EU gevestigde chemieproductie; vraagt de Commissie om uitvoeringsverordeningen uit te vaardigen waardoor d toelatingsprocedure stroomlijnen en vereenvoudigen bij aanvragen voor gebruik van stoffen in geringe hoeveelheden (minder dan 10 ton per jaar) en gebruikte onderdelen;

104.  dringt er bij de Commissie op aan een definitie te geven van "minder intensief verwerkte levensmiddelen", met name wat betreft zuivel- en vleesproducten, de mogelijkheid te onderzoeken om het toepassingsgebied van verplichte aanduiding van het land van herkomst te beperken tot gevallen waarbij de consumentenbelangen worden afgezet tegen de kosten, zoals consumptiemelk en minder intensief verwerkte zuivel- en vleesproducten, en met wetgevingsvoorstellen op deze terreinen te komen; dringt er bij de Commissie op aan rekening te houden met recentelijk geuite bezwaren over etikettering en de consistente toepassing van wetgeving in verband met de voedselketen in de EU, en tevens de laatste wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen op dit gebied toe te passen; merkt op dat oorsprongsetikettering reeds wordt vereist en doeltreffend werkt voor veel andere levensmiddelenproducten, waaronder onverwerkt vlees, eieren, fruit en groenten, vis, honing, extra vergine olijfolie, wijn en spiritualiën;

105.  merkt op dat essentiële bepalingen in de verordening biocide producten omtrent goedkeuring van leveranciers en registratie van werkzame stoffen voor behandelde artikelen problemen rond de naleving kunnen opleveren wegens de geringe bekendheid ervan onder de betrokken bedrijven; dringt er bij de Commissie sterk op aan om deze verordening op haar REFIT-agenda voor 2017 te plaatsen, met speciale aandacht voor de financiële en administratieve lasten voor kmo en micro-ondernemingen bij de samenstelling van dossiers voor het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) uit hoofde van deze wetgeving;

106.  wijst op de financiële en regulatoire opgaven voor de lidstaten bij de naleving van de nitratenrichtlijn (91/676/EEG), die vaak als slecht voorbeeld wordt genoemd als het om doelmatige EU-wetgeving gaat, met talloze inbreukprocedures die nog lopen; onderstreept dat de rapportagecyclus op één lijn moet worden gesteld met die van de kaderrrichtlijn water zodat voor de evaluatie van beide richtlijnen dezelfde monitorgegevens kunnen worden gebruikt, en dat de nitraat-planninggegevens, die een onnodige bureaucratische last zijn gebleken voor de agrarische sector, moeten worden beperkt en vereenvoudigd; vraagt de Commissie dringend een systematische evaluatie van de nitratenrichtlijn op haar REFIT-agenda voor 2017 te plaatsen om omslachtige voorschriften te stroomlijnen en de nalevingskosten terug te dringen;

107.  wijst nogmaals op het belang van investeren in en stimuleren van een kringloopeconomie, die verenigbaar is met de Commissieagenda voor banen, groei en concurrentievermogen voor de langere termijn en die de afhankelijkheid van de EU van ingevoerde grondstoffen zal verminderen, hetgeen een win-winsituatie op kan leveren voor alle belanghebbenden; vraagt de Commissie toe te zien op daadwerkelijke uitvoering van haar actieplan voor de circulaire economie, met specifieke aandacht voor de doelstellingen voor 2017;

108.  benadrukt nogmaals dat het belangrijk is dat de doelstellingen van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 worden gehaald en onderstreept het strategisch belang van die strategie, ook vanuit sociaal-economisch oogpunt; geeft zijn grote bezorgdheid te kennen over het aanhoudend verlies aan biodiversiteit en stelt vast dat de doelstellingen voor 2020 niet zullen worden gehaald zonder extra wezenlijke en doorgaande inspanningen; onderstreept dat een grotere politieke wil op het hoogste niveau doorslaggevend is om de biologische verscheidenheid te behouden en het biodiversiteitsverlies tot staan te brengen; vraagt de Commissie evenals de bevoegde autoriteiten in de lidstaten en alle betrokken partijen om voorrang te geven aan uitvoering van bestaande wetgeving, handhaving en aan verdere integratie van biodiversiteitsbescherming in andere beleidsgebieden; herhaalt dat de natuurrichtlijnen volledig moeten worden uitgevoerd en niet herzien;

109.  vraagt de Commissie dringend om actie te ondernemen om een einde te maken aan illegale handel in huisdieren; hecht in dit verband veel belang aan identificatie- en registratiesystemens, en herinnert de Commissie aan zijn expliciete oproep(3) om de verenigbaarheid van dergelijke systemen in de lidstaten te vergroten, ter versterking van het dierenwelzijn;

110.  vraagt aandacht voor de noodzaak van een uitgebreide uitvoeringsbeoordeling van de Verordeningen (EG) nr. 1107/2009 en (EG) nr. 396/2005, en verlangt dat de Commissie in 2017 een gedetailleerde en onafhankelijke evaluatie verricht; stelt dat bij deze evaluatie de belangrijkste onderdelen van deze twee verordeningen onder de loep moeten worden genomen, en dat ook moet worden gekeken naar verbetering van efficiëntie en coördinatie tussen beide wettelijke regelingen; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat het regelgevingskader voor gewasbeschermingsproducten beantwoordt aan de beginselen en gebruiken van Beter Wetgeven en een regeling bevat voor de besluitvorming die coherent is, en efficiënt, voorspelbaar en wetenschappelijk terdege onderbouwd;

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

111.  vraagt de Commissie om tegen de achtergrond van de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) en de aanhoudende druk op Europese landbouwers om meer te produceren voor minder geld, ecologische en welzijnsnormen na te leven en publieke goederen te leveren, om de maxima voor de landbouwsector in rubriek 2 te handhaven;

112.  vraagt de Commissie om de druk op producenten te verminderen en het GLB te verbeteren waar het gaat om levering van publieke goederen en ecologische doelstellingen, een volledige tussentijdse herziening van het GLB te entameren, en over te gaan naar een meer marktgeoriënteerd beleid met meer ruimte voor innovatie en concurrentiekracht, de rechtstreekse betalingen in de lidstaten gelijk te trekken en bepalingen in de enkele gemeenschappelijke marktordening (sCMO) zodanig te herzien dat producentenorganisaties worden gesterkt, de aanvaarding van deze maatregelen wordt gestimuleerd en landbouwers nieuwe financiële instrumenten en keuzemogelijkheden krijgen om met de aanhoudende volatiliteit op de markt om te kunnen gaan;

113.  onderstreept het belang van de agenda voor vereenvoudiging van het GLB en roept de Commissie op tot een algehele beoordeling van de uitwerking van de groeningsmaatregelen; verwelkomt de toezegging van de Commissie van een tussentijdse herziening van het ecologisch aandachtsgebied (EAG), maar stelt nadrukkelijk dat deze herziening zich tot alle drie de groeningsmaatregelen moet uitstrekken; vraagt de Commissie om maatregelen te blijven uitwerken en uitvoeren ter introductie van proportionaliteit, flexibiliteit en hoger tolerantiepeil rond het beheer van het GLB, en iets te doen aan de alomtegenwoordige angstcultuur onder landbouwers wegens de randvoorwaarden-nalevingscontroles en de hantering van boetes;

114.  benadrukt de noodzaak om onevenwichtigheden in de voedselvoorzieningsketen aan te pakken, met name door eerlijke en transparante verhoudingen te garanderen tussen primaire producenten, verwerkers, leveranciers en distributeurs, en verzoekt de Commissie stappen te ondernemen bij de sector om klachten over anonieme meldingen te verhelpen en de positie van de primaire producent te versterken;

115.  vraagt de Commissie om innovatie in de landbouw te ondersteunen door voor coherentie in de regelgeving te zorgen en in de komende evaluaties en hervormingen van de wetgeving ook aandacht te schenken aan innovatie; onderstreept dat de Commissie voorrang moet geven aan onderzoek en innovatie in de landbouw wil de sector concurrerend blijven en tegen de uitdagingen van vandaag en morgen zijn opgewassen;

Gemeenschappelijk visserijbeleid

116.  roept de Commissie op de economische en sociale bijdrage van kleinschalige visserij aan lokale economieën bij wijze van prioriteit aan te moedigen zodat het behoud van de kustbevolking gewaarborgd blijft en het hoge werkloosheidspeil in andere economische sectoren omlaag gaat;

117.  herinnert eraan dat het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) de visserij economisch en sociaal duurzaam moet houden en de EU-burgers een gezonde voedingsbron moet bieden; herinnert eraan dat vermijding van ongewenste bijvangst een allesoverkoepelend oogmerk is van het GVB, en ziet beperking van ongewenste bijvangsten en grotere levensvatbaarheid van de visserij als hoofdprioriteiten voor uitvoering van de aanlandingsplicht; roept de Commissie op om het mogelijk zich voordoen van limiterende soorten als gevolg van de aanlandingsplicht voortdurend te verifiëren en in het oog te houden, vooral in de gemengde visserij; vraagt de Commissie om nauw met vissers en wetenschappers te blijven samenwerken om te kunnen voorspellen waar zich "limiterende soorten kunnen voordoen en te zoeken naar oplossingen zoals innovatieve vistechnieken;

118.  benadrukt dat het essentieel is dat de wetenschap een kernelement blijft in het visserijbeleid; herinnert de Commissie eraan dat met name meerjarige plannen wetenschappelijk moeten zijn onderbouwd; verwelkomt de toezegging van commissaris Vella om in 2016 een meerjarig plan voor de Middellandse Zee voor te stellen; neemt kennis van de bezorgdheid van de Commissie over de toestand van de visbestanden in de Middellandse Zee;

119.  onderstreept dat de Commissie de Middellandse-Zeeverordening van 2006 moet herzien om te zorgen dat het gebruik van vistuig en -techniek regionaal wordt uitgewerkt en op de specificiteit van de Middellandse-Zeegebied en de visserij aldaar wordt toegesneden, rekening houdend met de bijzondere hydrografische kenmerken van het Middellandse-Zeebekken; vraagt de Commissie erop toe te zien dat de beoordeling van de status van visbestanden met betrekking tot kustvisserij wordt herzien, en benadrukt de noodzaak van een analyse van de kleinschalige visserij en het effect daarvan voor de visbestanden, gezien het feit dat de gevangen soorten in kustvisserij van grote sociaaleconomische betekenis zijn, hoewel ze slechts een klein deel van de commerciële visserij uitmaken;

120.  benadrukt dat de ontwikkeling van aquacultuur en maricultuur een belangrijke rol kan spelen, niet alleen voor het herstel van de biodiversiteit maar ook voor de groei van de mariene economie; vraagt de Commissie om de lidstaten te steunen bij het bevorderen van beleid ter stimulering van vissen en toerisme (visserijtoerisme, maricultuur, etc.) in overeenstemming met het duurzaamheidsbeginsel;

121.  verwelkomt het nieuwe visserijkader voor technische maatregelen als middel om het visserijbeleid te vereenvoudigen; benadrukt dat een uniforme aanpak in het visserijbeleid niet effectief is, en vraagt de Commissie om erop toe te zien dat de nieuwe regionaliseringsaanpak meer vrijheid voor de visserij oplevert en minder moeizame bureaucratie voor de vissers;

BELEID INZAKE REGIONALE ONTWIKKELING

122.  meent dat in deze periode van het werkprogramma van de Commissie, de ESI-fondsen de lidstaten moet helpen de moeilijke maar noodzakelijke economische hervormingen door te voeren om tot grotere concurrentiekracht te komen, en benadrukt dat middelen uit de ESI-fondsen daar moeten worden geïnvesteerd waar de grootste meerwaarde te realiseren valt; vraagt de Commissie dan ook om de conclusies uit haar project ‘achterblijvende regio's’ te benutten om de factoren aan te wijzen die verband houden met trage voortgang bij het genereren van lage niveaus van economische ontwikkeling en actieplannen uit te werken met nadere maatregelen voor een effectief investeringsbeleid;

123.  merkt op dat de ESI-fondsen ingewikkeld te bestieren zijn en voor kmo's en maatschappelijke organisaties moeilijk aanspreekbaar; vraagt de Commissie dringend om haar inspanningen tot vereenvoudiging van de procedures rond de ESI-fondsen voor alle belanghebbenden voort te zetten, ter verbetering van het effect, de absorptie en het gebruik van de fondsen, waarbij effectieve financiële controles en uitbanning van onregelmatigheden en fraude gewaarborgd moeten blijven; onderstreept met name dat optuigen van regelgeving moet worden tegengegaan, de toegang tot financiële instrumenten moet worden vereenvoudigd en steunregelingen meer in het bereik van het bedrijfsleven moeten worden gebracht; vraagt de Commissie om de ESI-fondsen volledig op te nemen in de EU-strategie voor Betere Regelgeving, met als bijzonder doel de bureaucratische belasting voor kmo's te verminderen, en haar eigen inspanningen te verdubbelen om in haar omgang met de ESI-fondsen als één enkele instantie op te treden, met een doelmatiger coördinatie tussen de betrokken directoraten-generaal;

124.  onderstreept de waarde van een man-op-de-plaats-benadering voor regionale ontwikkeling, ter ondersteuning van lokale ontwikkelingsstrategieën, schepping van werkgelegenheid en aanmoediging van duurzame plattelandsontwikkeling, en ruimer gebruik van territoriale effectbeoordelingen; gelooft dat nieuwe territoriale ontwikkelingsinstrumenten (geïntegreerde territoriale investeringen, gemeenschapsgeleid lokale ontwikkeling en gemeenschappelijke actieplannen) het mogelijk maken om doelmatiger te reageren op plaatselijke behoeften in zowel stedelijke als landelijke gebieden; vraagt de Commissie daarom regelgeving in te voeren die de algehele financiering van die instrumenten uit de ESI-fondsen regelt, ter versterking van synergiën, en de geringe gebruikmaking ervan onder de loep te nemen;

125.  vraagt de Commissie om meer flexibiliteit in de uitgaven voor programma's uit de ESI-fondsen om te zorgen dat in de prioriteitsgebieden van de regio's wordt geïnvesteerd, met oog voor de noodzaak regionale discrepanties te verkleinen en de overkoepelende doelstelling van territoriale cohesie te realiseren met het oog op een grotere concurrentiekracht;

126.  erkent dat enige herprioritisering van gelden voor de programmeringsperiode 2014-2020 wellicht wenselijk is om lokale en regionale autoriteiten in staat te stellen effectief in te spelen op de behoeften in het veld, maar vraagt de Commissie om eventuele top-down overdracht van voorgeprogrammeerde gelden voor het opvangen van de effecten van migratie, te vermijden; benadrukt dat de ESI-fondsen bedoeld zijn voor de ondersteuning van stabiele regionale ontwikkeling op lange termijn, met het oog op vergroting van concurrentiekracht, en niet voor financiering van noodmaatregelen;

127.  vraagt de Commissie zo snel mogelijk met het Parlement, de lidstaten en andere belanghebbenden samen te zitten om de toekomst van de ESI-fondsen na 2020 te bespreken, met duidelijke aandacht voor gerichte investeringen die de belastingbetaler waarde voor zijn geld bieden; ziet de verdienste in van nieuwe ideeën omtrent resultaatsgerichte en geïntegreerde financieringsinstrumenten die op het gebied van territoriale ontwikkeling de talloze subsidie- en leningsprogramma's van de EU combineren, en in meer administratieve ondersteuning voor landen die netto ESI-financiering ontvangen, parallel met meer flexibiliteit voor, en minder bemoeienis met, de investeringen van netto bijdragers;

Vervoer

128.  benadrukt dat prioritair moet worden voortgewerkt aan het trans-Europees vervoersnetwerk (TEN-V) en de corridors van het kernnetwerk om de vervoersnetwerken van alle regio's in de EU te verbinden en een oplossing te bieden voor problemen zoals het gebrek aan gepaste infrastructuur, toegankelijkheid en een lage interoperabiliteit tussen de oostelijke en westelijke delen van de EU; onderstreept de noodzaak van synergie tussen de financiële middelen uit het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI), uit de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (Connecting Europe Facility; CEF) en uit de ESI-fondsen, zodat gezorgd wordt voor zo goed mogelijke aanwending van alle beschikbare EU-financiering; meent dat de EU, het witboek vervoer van 2011 ten spijt, nog steeds een gecompartimenteerde aanpak volgt en de respectieve vervoersmodaliteiten nog teveel afzonderlijk behandelt; verzoekt de Commissie om een strategie uit te werken voor de ontwikkeling van intermodaal en multimodaal vervoer;

129.  vraagt de Commissie dringend om de verduidelijking en vereenvoudiging van bestaande wetgeving over rij- en rusttijden ter hand te nemen, in het bijzonder Verordening (EC) No 561/2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en Verordening (EU) No 165/2014 over tachografen in het wegvervoer, met het oog op meer rechtszekerheid voor lidstaten en vervoersondernemers, en ter vergemakkelijking van de vrijheid om overal in de EU vervoersdiensten aan te bieden, en tegelijkertijd te zorgen voor consistente en uniforme uitvoering van de regels;

130.  neemt kennis van de bereikte overeenstemming over een verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1365/2006 betreffende de statistiek van het goederenvervoer over de binnenwateren wat betreft het verlenen van gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie voor de vaststelling van bepaalde maatregelen stelt met nadruk dat de huidige tendens om op steeds breder terrein statistische gegevens in te zamelen (bijvoorbeeld zoals hier een nieuw systeem voor inzameling van statistische gegevens over passagiersvervoer), wel meer bureaucratie maar geen meerwaarde opleveren;

131.  vraagt de Commissie dringend aan efficiëntere maatregelen te gaan werken dan die genoemd worden in Verordening (EG) nr. 868/2004 om oneerlijke concurrentie door staat ondersteunde luchtvaartmaatschappijen van buiten de EU op de Europese luchtvervoersmarkt tegen te gaan, teneinde eerlijke concurrentie en een gelijk speelveld te bewerkstelligen voor alle marktdeelnemers;

132.  vraagt de Commissie om de lidstaten aan te sporen tot meer samenwerking met Euro Contrôle Route met het oog op effectievere uitvoering van bestaande EU-wetgeving inzake fraude met documenten en vergunningen in de sector wegvervoer;

133.  neemt kennis van klachten onder het publiek over lawaai van goederentreinen als een van de neveneffecten van het railvervoer die een ecologische en medische weerslag hebben; benadrukt evenwel dat lawaai per definitie een lokale kwestie is en op lidstaat-niveau dient te worden aangepakt, en dat het doel van lawaaibestrijding in evenwicht moet zijn met behoud van concurrentiekracht van het spoor en vermijding van marktdistortie en benadeling van spoorwegmaatschappijen, die enorme extra geld nodig zouden hebben om hun wagons aan te passen;

Sociaal beleid

134.  constateert dat de vijf prioritaire actiegebieden die de Commissie in haar strategie voor de gelijkheid van mannen en vrouwen 2010-2015 heeft geïdentificeerd, geldige prioriteiten blijven voor het mandaat van de Commissie-Juncker (2014-2019), en dat de Commissie een werkdocument van de diensten van de Commissie van 40 bladzijden heeft gepubliceerd waarin haar "Strategisch engagement voor gendergelijkheid 2016-2019" uiteen wordt gezet; vraagt de Commissie om zich in haar beleid op gebied van gelijke kansen voor mannen en vrouwen te richten op uitvoering van bestaande wetgeving door de lidstaten, en hecht nadrukkelijk belang aan uitwisseling van beste praktijken, vooral waar de lidstaten exclusieve bevoegdheid toekomt, alvorens de noodzaak wordt overwogen van nieuwe wetgevingsvoorstellen en beleidsinstrumenten op gebied van gelijke kansen;

135.  vraagt de Commissie daadwerkelijk een oog te houden op de omzetting van Richtlijn 2014/67/EU in alle lidstaten; gelooft stellig dat alle bezwaren die door de parlementen van 11 lidstaten via de gele-kaartprocedure naar voren worden gebracht, door de Commissie terdege moeten worden geëvalueerd; dringt er bij de Commissie sterk op aan, te wachten totdat Richtlijn 2014/67/EU door de lidstaten volledig is omgezet voordat zij verder gaat met haar voorstel tot herziening van Richtlijn 96/71/EG;

136.  herinnert de Commissie eraan dat de vaststelling van lonen overeenkomstig artikel 153 VWEU tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort;

137.  steunt de inspanningen van de Commissie tot wijziging en herziening van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van sociale verzekeringsstelsels, om recht te doen aan een veranderende werkelijkheid en structurele diversiteit binnen en tussen lidstaten; benadrukt dat de instelling en het beheer van socialezekerheidsstelsels onder de bevoegdheid van de lidstaten valt en dat de Unie hier weliswaar coördinerend maar niet harmoniserend optreedt;

138.  verwelkomt de intrekking door de Commissie van de richtlijn betreffende moederschapsverlof (92/85/EEC); meent dat het uitblijven van overeenstemming over dit voorstel aangeeft hoe moeilijk het is om op EU-niveau de meningen samen te brengen op gebied van werkgelegenheid en sociale zaken;

139.  onderstreept dat tegen de achtergrond van het stappenplan van de Commissie "Nieuwe start om de uitdagingen van de combinatie werk en gezin bij werkende gezinnen aan te pakken’ eventuele nieuwe voorstellen volledig in overeenstemming moeten zijn met de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid

140.  wijst de Commissie op het verslag van de vijf voorzitters, waarin met betrekking tot het convergentieproces wordt geconcludeerd dat er geen 'one-side-fits-all'-aanpak is; gelooft stellig in dit verband dat het voorstel voor een EU-Pijler van Sociale Rechten eerst en vooral gericht moet zijn meer gebruik van benchmarks en uitwisseling van goede praktijken;

141.  neemt kennis van het voornemen van de Commissie om het sociaal acquis te herzien; vraagt de Commissie om de relevantie van het acquis te beoordelen in het licht van nieuwe trends mogelijkheden voor vereenvoudiging en lastenverlichting aan te wijzen, ook door intrekking of herroeping van wetgeving indien wenselijk;

142.  erkent de brede doelstellingen van de jongerengarantie in zoverre dat het van nut kan zijn de noodzaak van handelen ter bestrijding van jeugdwerkloosheid onder de aandacht van de lidstaten te brengen; stelt evenwel met nadruk dat gelet op het Speciale Verslag No 3/2015 van de Rekenkamer, evaluatie van de effectiviteit van de resultaten van dit programma geboden is met het oog op een meer gerichte beleidsmaatregelen en instrumenten; benadrukt dat eventuele toekomstige wezenlijke verhogingen in de financiering pas mogen worden goedgekeurd als aan de conclusies en bevindingen van de Rekenkamer over de jongerengarantie gevolg is gegeven;

143.  vraagt de Commissie dringend erop toe te zien dat voorgestelde EU-wetgeving en financieringsprogramma's beantwoorden aan het VN-Verdrag inzake rechten van personen met een handicap; verwelkomt de gedane toezeggingen om te zorgen voor toegankelijkheid van goederen en diensten, ook van gebouwen, tezamen met effectieve handhavings- en klachtafdoeningsmechanismen; verzoekt de Commissie bij de voorbereiding van toekomstige wetgevingshandelingen, indien relevant, bijvoorbeeld met betrekking tot de digitale agenda, rekening te houden met het feit dat drempelvrijheid zowel relevant is voor de fysieke omgeving als voor ICT; ​

Cultuur- en onderwijsbeleid

144.  wijst op de gelegenheid die de tussentijdse herziening van het MFK biedt om de effectiviteit en meerwaarde van de cultuur- en onderwijsprogramma's van de EU in de lopende financieringsperiode te beoordelen en op een effectief beheer daarvan toe te zien; vraagt met name de Commissie om de meerwaarde te beoordelen van de programma's Europa voor de burgers en creatief Europa, aan de hand van het subsidiariteitsbeginsel en de agenda voor Betere Regelgeving;

145.  verwelkomt de toepassing van het REFIT-programma van de Commissie bij de herziening van de richtlijn audiovisuele mediadiensten; vraagt de Commissie om de actief toepassing te geven aan de conclusies uit het REFIT-proces en de resultaten van de belanghebbendenraadpleging bij eventuele herziening van de richtlijn; onderstreept dat er voortdurend moet worden geïnvesteerd in het creatieve circuit en toegang tot hoogwaardige inhoud voor gebruikers, waarbij de bescherming van minderjarigen voor schadelijke inhoud moet worden versterkt en de productie en verspreiding van Europese audiovisuele werken moeten worden gesteund;

146.  herinnert eraan dat het Strategisch Kader voor Europese samenwerking in onderwijs en opleiding (ET 2020) de nationale acties moet aanvullen en de lidstaten moet ondersteunen bij hun inspanningen om onderwijs- en opleidingssystemen te ontwikkelen; vraagt de Commissie in dit verband om erop toe te zien dat nationale en waar toepasselijk regionale bevoegdheid op dit terrein en alle andere terreinen van cultuur en onderwijs, volledig wordt gerespecteerd en dat de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid in acht worden genomen; vraagt de Commissie in dit verband om erop toe te zien dat de wereld van deskundigen en betrokken belanghebbenden, met name ouderverenigingen, voldoende worden betrokken bij het werk aan ET 2020;

147.  steunt de Commissie in haar inspanningen ter bevordering van de vergelijkbaarheid wat betreft de eisen en de kwaliteit van getuigschriften van hoger onderwijs in het kader van het proces van Bologna; pleit voor meer aandacht voor de neveneffecten van zowel het Bologna Proces als mobiliteitsprogramma's en voor meer flexibiliteit jegens onderwijsinstellingen voor de organisatie van hun leerprogramma's; dringt aan op nadere overweging van samenwerking en uitwisseling van optimale praktijken op het gebied van voortgezet onderwijs en de ontwikkeling van banden tussen bedrijven en instellingen van hoger onderwijs om ervoor te zorgen dat in het beroepsonderwijs en de beroepsopleidingen in de hele EU de vaardigheden worden ontwikkeld die nodig zijn voor groei en banen;

148.  acht het verontrustend dat de Europese scholen niet zijn ingegaan op de door de Rekenkamer aangestipte zorgpunten; verwelkomt weliswaar de invoering in 2014 van het nieuwe Financieel Reglement voor de Europese Scholen als een vorm van respons op sommige van de gesignaleerde kwesties, maar dringt er toch bij de Commissie op aan in 2017 een dringende en algehele herziening van bestuur, beheer en organisatie van het Europese schoolsysteem door te voeren, aangezien 60 % van het budget voor de European Scholen uit de EU-begroting komt;

Institutionele aangelegenheden

149.  vraagt de Commissie onder ogen te zien dat democratisch gekozen regionale en lokale regeringen en hun representatieve verenigingen volledig deel uitmaken van het Europese wetgevingsproces, maar ‘belanghebbenden’ of ‘lobbyisten’ niet; verlangt dat zij van verplichtingen ingevolge het transparantieregister worden vrijgesteld, zoals reeds het geval is bij afzonderlijke regio's;

150.  vraagt de Commissie een gewone verdragswijzigingsprocedure te entameren in de zin van artikel 48 VEU om de nodige wijzigingen voor te stellen in artikel 341 VWEU en Protocol 6 zodat het Parlement kan beslissen over de plaats van zijn zetel en zijn interne organisatie;

151.  vraagt de Commissie en de Raad een dergelijke wijziging van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te stellen dat "elke rechter die deel heeft genomen aan de behandeling van een zaak door een kamer of door de grote kamer, bij het arrest een uiteenzetting van zijn al dan niet afwijkend afzonderlijk standpunt of een eenvoudige verklaring van onenigheid kan voegen";

152.  vraagt de Commissie om zich te houden aan de beginselen van attributie, subsidiariteit en evenredigheid en de bestaande en toekomstige opt-outs, uitzonderingen en garanties te respecteren die de Verdragen sommige lidstaten toekennen en de daaraan gehechte protocollen en verklaringen;

153.  vraagt de Commissie om het domein van de nationale soevereiniteit te respecteren, ook op gebied van grenscontroles, selectieve immigratie, sociale regelgeving en sociaal beleid, nationaliteitswetgeving, strafrecht, familierecht, kiesrecht, en cultuur- en onderwijsbeleid, evenals meer in het algemeen het absolute primaat van hun constituties;

154.  vraagt de Commissie om duidelijk aan te tonen dat alle initiatieven die zij tegen lidstaten neemt, zoals het rechtsstatelijkheidsonderzoek, een degelijke rechtsgrondslag hebben en gebaseerd zijn op welomschreven feiten en een betrouwbare diagnose van de situatie;

155.  vraagt de Commissie om er strenger op te letten dat de transparantie en de scheiding der machten in acht worden genomen, door strikter de hand te houden aan het bepaalde in artikel 290 VWEU, en daarom geen gedelegeerde handelingen te gebruiken om feitelijk wetgevende maatregelen in te voeren die volgens de gewone wetgevingsprocedure moeten worden uitgevaardigd;

o

o o

156.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de Europese Raad en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

 

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0105.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0103.

(3)

Resolutie van het Europees Parlement van 25 februari 2016 over de invoering van compatibele systemen voor de registratie van gezelschapsdieren in de lidstaten, P8_TA(2016)0065.

Juridische mededeling - Privacybeleid