Procedure : 2016/2891(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1057/2016

Ingediende teksten :

B8-1057/2016

Debatten :

Stemmingen :

PV 05/10/2016 - 8.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 187kWORD 77k
28.9.2016
PE589.646v01-00
 
B8-1057/2016

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de noodzaak van een Europees herindustrialiseringsbeleid in het licht van de recente gevallen Caterpillar en Alstom (2016/2891(RSP))


David Borrelli, Laura Agea, Rolandas Paksas namens de EFDD-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de noodzaak van een Europees herindustrialiseringsbeleid in het licht van de recente gevallen Caterpillar en Alstom (2016/2891(RSP))  
B8-1057/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2014 over werkgelegenheids- en sociale aspecten van de Europa 2020-strategie(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende informatie voor en raadpleging van werknemers, anticipatie en beheer van herstructurering(2),

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties, en met name de artikelen 22 en 23 over de economische en sociale rechten en het recht op arbeid,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name hoofdstuk IV betreffende solidariteit,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 6 en 147,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin is bepaald dat de Unie en de lidstaten het concurrentievermogen van de Europese industrie waarborgen, en met name artikel 173,

–  gezien artikel 174 VWEU inzake economische, sociale en territoriale samenhang, met name in regio's die een industriële overgang doormaken,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de staalindustrie en over herstructurering, verplaatsing en sluiting van ondernemingen in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 4 februari 2014 over een actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa(3),

–  gezien zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid(4),

–  gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over regionale strategieën voor industriegebieden in de Europese Unie(5),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2012 over een Routekaart naar een concurrerende koolstofarme economie in 2050(6),

–  gezien Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag(7),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(8),

–  gezien Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 31 maart 2005 over "Herstructureringen en werkgelegenheid - Anticiperen op en begeleiden van herstructureringen met het oog op de ontwikkeling van de werkgelegenheid: de rol van de Europese Unie" (COM(2005)0120), en het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 december 2005(10),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 10 oktober 2012 met als titel "Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel" (COM(2012)0582),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 juni 2013, getiteld "Actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa" (COM(2013)0407),

–  gezien de aanbevelingen van de rondetafelbijeenkomst op hoog niveau over de toekomst van de Europese staalindustrie van 12 februari 2013,

–  gezien de vergadering van de Raad Concurrentievermogen van 18 en 19 februari 2013, waarin de Raad de Commissie verzocht een actieplan op te stellen,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Caterpillar op 2 september 2016 heeft aangekondigd dat het in april 2017 zijn hoofdzetel in het Belgische Gosselies zal sluiten, wat betekent er meer dan 2000 mensen op straat komen te staan in het kader van het in september 2015 aangekondigde globale herstructurerings- en bezuinigingsplan, dat de nevenschade zich zal uitbreiden tot de toeleveringsketen van het bedrijf en dat er de komende jaren in totaal 5 000 banen in de EU en 10 000 wereldwijd verloren zouden kunnen gaan;

B.  overwegende dat Caterpillar ook heeft aangekondigd dat het overweegt zijn fabriek in Noord-Ierland te sluiten als onderdeel van de bedrijfsherstructurering in dat land, waardoor er nog eens tot 250 arbeidsplaatsen zouden kunnen verdwijnen;

C.  overwegende dat het bedrijf tussen 2009 en 2015 50 % meer dividend heeft uitbetaald aan zijn aandeelhouders, terwijl 15 % van de banen werd geschrapt; overwegende dat het momenteel met een omzet van 15 miljard USD in 2015 's werelds grootste fabrikant van bouw- en mijnbouwuitrusting, diesel- en aardgasmotoren, industriële gasturbines en dieselelektrische locomotieven is;

D.  overwegende dat de Franse groep Alstom op 7 september 2016 heeft aangekondigd voornemens te zijn de industriële productie in Belfort (Franche Comté) in 2018 stop te zetten en zijn treinbouwactiviteiten te verplaatsen naar een andere fabriek in Reichshoffen (Elzas), aangezien het bedrijf van mening is dat de huidige opdrachtenportefeuille voor de in Belfort geassembleerde locomotieven voor goederenvervoer en hogesnelheidstreinen niet volstaat om de fabriek open te kunnen houden; overwegende dat dit besluit zou betekenen dat er 400 banen zullen verdwijnen;

E.  overwegende dat het bedrijf in mei 2016 een verklaring heeft uitgegeven waaruit blijkt dat zijn inkomsten vóór rente en belastingen over het in maart 2016 afgesloten boekjaar met 23 % gestegen zijn;

F.  overwegende dat de Europese industriesector van oudsher een belangrijke rol speelt in het Europese integratieproces en dat de welvaart en kennis die die sector heeft opgeleverd van zeer grote betekenis zijn geweest en een belangrijk motief hebben gevormd voor het Europese project;

G.  overwegende dat het aandeel van de industriesectoren in de werkgelegenheid in Europa helaas constant is gedaald van circa een vijfde van de beroepsbevolking in 2000 naar een zesde in 2015;

H.  overwegende dat de Europese spoorwegindustrie met haar talrijke kmo's goed is voor 400 000 banen, 2,7 % van haar jaaromzet herinvesteert in O&O en 46 % van de wereldmarkt voor spoorwegmaterieel in handen heeft;

I.  overwegende dat de spoorwegsector als geheel goed is voor 1 miljoen directe en 1,2 miljoen indirecte arbeidsplaatsen in de EU, en bovendien essentiële technologie levert om duurzame mobiliteit te waarborgen;

J.  overwegende dat de toename van de internationale handel, die gepaard gaat met een recordafname van het aantal banen in de industrie in de Europese Unie, niet heeft geleid tot een vermindering van het materiaalverbruik, maar eerder tot een stijging van de invoer van energie-intensieve producten;

K.  overwegende dat de arbeidsproductiviteit in de industrie de afgelopen decennia gemiddeld veel meer is toegenomen dan de hulpbronnenproductiviteit en dat uit ramingen blijkt dat arbeidskosten minder dan 20 % van de productiekosten uitmaken, terwijl de hulpbronnen 40 % vertegenwoordigen; overwegende dat de loonstijgingen in de Europese Unie desondanks ver zijn achtergebleven bij de productiviteitsstijgingen;

L.  overwegende dat het meer geavanceerde deel van de staalsector, dat hoogwaardige technologische producten fabriceert, de gezondheid van de werknemers en de omwonenden eerbiedigt en strikte milieunormen waarborgt, een belangrijke rol speelt in de Europese industriestrategie;

M.  overwegende dat de op stabiliteit gerichte bezuinigingsmaatregelen een rem zetten op de hele Europese industrie en de grote sociale problemen voor de werknemers en de regio's die getroffen worden door fabriekssluitingen nog verergeren; overwegende dat de hoge werkloosheidscijfers in de EU verband houden met de smaller wordende industriële en productiebasis als gevolg van een scheefgetrokken globalisering;

N.  overwegende dat niet-strategische productieverplaatsingen binnen de EU, die uitsluitend gebaseerd zijn op overwegingen inzake kortetermijnwinsten en bezuiniging, een neerwaartse sociale spiraal in de hand werken, de systeemwaarden aantasten en onverenigbaar zijn met elke vorm van doeltreffend industriebeleid, cohesie, innovatie en ontwikkeling;

O.  overwegende dat bedrijven die herstructureren of inkrimpen de plicht hebben de sociale dialoog centraal te stellen bij de desbetreffende processen en op sociaal verantwoorde wijze te handelen, aangezien de ervaringen herhaaldelijk hebben uitgewezen dat sociaal en economisch duurzame herstructurering of inkrimping nooit wordt bereikt zonder voldoende sociale dialoog, waarbij de nadruk moet liggen op het informeren en raadplegen van de werknemers, het verlenen van zoveel mogelijk sociale bijstand om hun omschakeling te vergemakkelijken en het aanbieden van omvangrijke diensten op het gebied van arbeidsbemiddeling, opleiding en omscholing;

P.  overwegende dat talrijke sectoren van de Europese industrie in een investeringscrisis verkeren die hun toekomst in gevaar brengt, terwijl tegelijkertijd verwacht wordt dat duurzame materialen van staal die afkomstig zijn van productieprocessen waarbij strikte milieu- en gezondheidscriteria worden gehanteerd, een cruciale rol zullen spelen als basismaterialen voor even duurzame industriële oplossingen voor strategische prioriteiten zoals stedenbouw en mobiliteit;

Q.  overwegende dat verschillen in insolventieregelingen zowel binnen als buiten de EU tot mazen in de wetgeving leiden die door multinationals worden benut om hun kosten te drukken wanneer zij herstructureren/inkrimpen, terwijl de maatschappelijke kosten van hun relocatiebesluiten sterk oplopen doordat zij hun activa van het ene land naar het andere verplaatsen, vaak op basis van opportunistische criteria; overwegende dat deze oneerlijke overdracht van externe effecten naar hele samenlevingen de negatieve gevolgen van andere negatieve externe sociale en milieueffecten nog versterkt, evenals die van verschillen in fiscale regelingen die de interne markt ernstig verstoren;

R.  overwegende dat de buy-out en het zelfbeheer door werknemers van noodlijdende bedrijven vaak creatieve en levensvatbare oplossingen heeft opgeleverd voor insolventieprocedures, doordat de werkzaamheden, de investeringen, de kennis en de werkgelegenheid behouden konden blijven;

1.  verklaart zich solidair met de duizenden werkenden die hun baan dreigen te verliezen, met hun gezinnen en met alle industriële en dienstverleningsbedrijven in de toeleveringsketen, in het bijzonder kmo's, en met al degenen die rechtstreeks getroffen zijn;

2.  benadrukt dat bij industriële herstructurering niet uitsluitend moet worden gekeken naar het kortetermijnperspectief en het gezichtspunt van de eigenaars, maar ook rekening moet worden gehouden met het systemische effect ervan op de Europese samenleving en economie in het algemeen, met inbegrip van de naleving van milieu- en gezondheidsnormen;

3.  laakt de voortdurende afbraak van strategische sectoren van de Europese industrie en vraagt om collectieve ontwikkeling van alternatief beleid dat in overleg met alle partners tot stand komt en bijdraagt tot de verwezenlijking van de voornaamste Europese doelstellingen van herindustrialisering, circulaire economie en energietransitie, waarbij strikte milieu- en gezondheidsnormen moeten worden nageleefd;

4.  verzoekt de lidstaten passende en degelijke sociale bescherming en arbeidsvoorwaarden en fatsoenlijke lonen te waarborgen, hetzij bij de wet, hetzij via collectieve onderhandelingen, alsook doeltreffende bescherming tegen onbillijk ontslag;

5.  betreurt het dat er geen echt EU-industriebeleid is dat de werknemers in de EU en de toeleveringsketens kan beschermen tegen speculatieve kortetermijnbeslissingen die vaak vanuit andere werelddelen worden genomen; verzoekt om een EU-industriebeleid dat publieke deelname in strategische industrieën mogelijk maakt, zodat de betrokken kennis, productie en banen in de Europese Unie kunnen worden gehouden;

6.  benadrukt dat er geen succesvol industriebeleid kan worden ontwikkeld - laat staan kan worden uitgevoerd - zonder een kritische herbeziening van de gebruikelijke internationale handelsovereenkomsten;

7.  wenst dat er met spoed sociale maatregelen worden getroffen om de werknemers, hun gezinnen, de toeleveringsketens en de plaatselijke economie in de getroffen gebieden te helpen, ervoor zorgend dat niemand buiten de boot valt, en om de getroffen regio's bij te staan en te steunen bij het overwinnen van deze moeilijke economische en sociale situatie;

8.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de noodzaak van invoering van een Europese minimuminkomenregeling om het hoofd te bieden aan de sociale noodsituatie die veroorzaakt is door globalisering, delokalisering en de-industrialisering;

9.  benadrukt het belang van de vaardigheden en kwalificaties van werkers in de basismetaalindustrie en verwante sectoren; dringt aan op een actief werkgelegenheids- en industriebeleid dat waarborgt dat deze kennis wordt ontwikkeld en erkend als een belangrijk pluspunt van de Europese basismetaalindustrie; vraagt dat bij het beoordelen van de levensvatbaarheid van de productie in een bepaalde fabriek rekening wordt gehouden met het behoud van industriële knowhow en gekwalificeerd personeel;

10.  verzoekt de Commissie met een Europees kader voor insolventieprocedures te komen waarbij niet alleen schuldeisers, maar alle belanghebbenden, en met name werknemers, centraal staan in het proces, waarin de nadruk moet liggen op het behouden van zoveel mogelijk banen; verzoekt met het oog daarop om bevordering van instrumenten zoals buy-outs door het personeel, zelfbeheer door werknemers, enz., om fabrieken draaiende te houden ook al zijn de oorspronkelijke eigenaren failliet;

11.  dringt aan op herziening van het mededingingsbeleid en de staatssteunregels, teneinde het voor de overheid gemakkelijker te maken maatregelen te nemen om de sociale en regionale cohesie in stand te houden, de arbeids- en milieunormen te verbeteren en volksgezondheidskwesties aan te pakken;

12.  verzoekt om een kritische evaluatie van de financiële stappen die tot de huidige crisis bij de Caterpillar-groep hebben geleid, met inbegrip van de verklaarde winsten en de aan de aandeelhouders uitgekeerd dividenden en de rente die aan banken en schuldeisers is betaald, alsook om een evaluatie van het in Europa gevoerde bezuinigingsbeleid dat tot inkrimping van de algehele economische bedrijvigheid heeft geleid en bijgevolg tot een vermindering van de vraag bij particuliere en openbare ondernemingen;

13.  wijst erop dat transnationale bedrijven, zolang er geen doeltreffende verslaglegging per land is, winsten kunnen overhevelen en tegelijkertijd in een ander land verliezen kunnen melden en zelfs failliet kunnen gaan; verzoekt om uitbreiding van de verplichtingen inzake verslaglegging per land tot alle rechtsgebieden, alsook om het opleggen van aangescherpte informatieverplichtingen aan bedrijven die in een lidstaat fabrieken sluiten of inkrimpen of faillissement aanvragen;

14.  verzoekt de lidstaten met klem de middelen die eerder in de vorm van subsidies, belastingvoordelen, verlaagde grondprijzen, enz. zijn bestemd voor het ondersteunen van bedrijven in de veronderstelling dat deze in hun strategische planning van een langdurige industriële activiteit zouden uitgaan, terug te vorderen wanneer een bedrijf eenzijdig besluit zijn productiefaciliteiten te verplaatsen, in te krimpen of te sluiten;

15.  herinnert eraan dat de eventuele steun die uit hoofde van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) wordt verleend, niet mag worden gebruikt om het vertrek uit een industriegebied te vergemakkelijken en dringt erop aan dat het EFG gebruikt wordt om werknemers te helpen hun bedrijf over te nemen om de activiteit, de kennis en de banen te behouden;

16.  betreurt het dat het EFSI werd gepresenteerd als een mogelijkheid om investeringen te stimuleren, aangezien het niet in staat is geweest de kmo's en hun kleinschalige projecten te ondersteunen, maar daarentegen de voorkeur heeft gegeven aan grote infrastructuurprojecten waarmee geen werkgelegenheid op lange termijn kan worden gegenereerd;

17.  beveelt aan dat de Europese fondsen gebruikt worden om de onderscheidende kenmerken van zowel kleine en middelgrote als micro-ondernemingen te subsidiëren:

18.  benadrukt dat het EGF ook moet worden ingezet wanneer bedrijven die sluiten als gevolg van globaliseringspatronen minder dan 500 werknemers ontslaan, aangezien de basis van de Europese maakindustrie grotendeels bestaat uit bedrijven met minder dan 500 werknemers;

19.  verzoekt zowel de EU als haar lidstaten ervoor te zorgen dat er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn voor arbeidsbemiddeling, met inbegrip van steun voor werknemers die hun eigen start-up willen lanceren, opleiding, omscholing en herstelmaatregelen om steun te verlenen tijdens kritieke overgangsperiodes in de Europese industrie;

20.  verzoekt om een grondig vernieuwd Europees sociaal- en industriebeleid dat niet langer steunt op twijfelachtige sociale, fiscale en milieupraktijken en verzoekt de Commissie op te treden tegen de grootschalige, verreikende negatieve gevolgen van productieverplaatsingen naar derde landen, onder meer door middel van een herziening van de mededingingsregels, zodat productieverplaatsingen sterk ontmoedigd worden en vermeden wordt dat de effecten van de crisis nog erger worden;

21.  benadrukt dat de krimpende vraag niet mag leiden tot oneerlijke banenconcurrentie tussen de lidstaten; verzoekt derhalve om de ontwikkeling van langetermijnoplossingen die goede banen en industriële activiteit scheppen en in stand houden in de Europese regio's, met strikte inachtneming van niet-onderhandelbare milieu- en gezondheidsnormen en met speciale aandacht voor kmo's;

22.  benadrukt dat publieke investeringen in strategische sectoren ontheven moeten worden van verplichtingen in verband met begrotingsevenwicht, op voorwaarde dat strikt de hand wordt gehouden aan niet-onderhandelbare milieu- en gezondheidsnormen, zodat er werkgelegenheid kan worden behouden of zelfs geschapen in de sectoren van de industrie die bijzonder veel te lijden hebben van globalisering, delokalisering en de-industrialisering;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten publieke investeringen in O&O en technologie te subsidiëren, op voorwaarde dat strikt de hand wordt gehouden aan niet-onderhandelbare milieu- en gezondheidsnormen, teneinde vaardigheden en kennis te ondersteunen, wat een fundamentele voorwaarde is voor de versterking van het concurrentievermogen en de duurzaamheid van strategische sectoren;

24.  verzoekt zowel de Europese Unie als haar lidstaten:

•  wegen te vinden om banen die momenteel op de tocht staan op alle mogelijke wijzen te beschermen, op voorwaarde dat strikt de hand wordt gehouden aan niet-onderhandelbare milieu- en gezondheidsnormen, onder meer door de productie te spreiden over verschillende faciliteiten die aan dezelfde voorwaarden voldoen en de dividenden van aandeelhouders te beperken;

•  te streven naar transparantie bij financiële transfers van Europese filialen naar hun moederbedrijven buiten de EU, vooral wanneer deze in belastingparadijzen gevestigd zijn;

•  na te gaan of er sancties kunnen worden opgelegd aan industriebedrijven die hun gastlanden herstructurerings- of inkrimpingsplannen opdringen zonder eerst alle andere opties te hebben benut, waaronder een uitgebreide dialoog met alle sociale partners;

25.  benadrukt dat de EU-normen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen met hand en tand verdedigd moeten worden wanneer een bedrijf voornemens is zijn productie te verplaatsen zonder zich te bekommeren om de sociale en territoriale gevolgen van zijn kortetermijnbesluiten;

26.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 289 van 9.8.2016, blz. 19.

(2)

PB C 440 van 30.12.2015, blz. 23.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0069.

(4)

Aangenomen teksten P7_TA(2014)0032.

(5)

PB C 55 van 12.2.2016, blz. 6.

(6)

PB C 251E van 31.8.2013, blz. 75.

(7)

PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16.

(8)

PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.

(9)

PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29.

(10)

PB C 65 van 17.3.2006, blz. 58.

Juridische mededeling - Privacybeleid