Procedure : 2016/2935(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1158/2016

Ingediende teksten :

B8-1158/2016

Debatten :

PV 26/10/2016 - 15

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 255kWORD 61k
24.10.2016
PE593.584v01-00
 
B8-1158/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie van journalisten in Turkije (2016/2935(RSP))


Marine Le Pen, Edouard Ferrand, Mireille D’Ornano, Marcel de Graaff, Gerolf Annemans, Janice Atkinson, Harald Vilimsky, Jean-Luc Schaffhauser namens de ENF-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van journalisten in Turkije (2016/2935(RSP))  
B8-1158/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van woensdag 26 oktober 2016,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de situatie met betrekking tot de persvrijheid in Turkije de afgelopen tien jaar aanzienlijk is verslechterd; overwegende dat Turkije in 2016 de 151e plaats inneemt op de door Verslaggevers zonder grenzen opgestelde Wereldindex voor persvrijheid, terwijl het land in 2005 op plaats 98 stond;

B.  overwegende dat vrijheid van meningsuiting en persvrijheid essentiële en fundamentele componenten zijn van elke democratie;

C.  overwegende dat Turkije nog altijd kandidaat voor het EU-lidmaatschap is;

D.  overwegende dat de Turkse regering de noodtoestand en de mislukte staatsgreep van 15 juli 2016 aangrijpt om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media drastisch in te perken;

E.  overwegende dat volgens Verslaggevers zonder grenzen tijdens de eerste zes weken van de noodtoestand 89 journalisten zijn gearresteerd en 104 mediakanalen zijn gesloten, waarbij meer dan 2 300 journalisten hun baan zijn verloren en de persaccreditatie van ten minste 330 journalisten is ingetrokken; overwegende dat ontelbare andere journalisten momenteel in voorarrest zitten, zonder aanklacht vastgehouden en vrijgelaten zijn, of nog niet gevangengenomen zijn terwijl voor hen wel een arrestatiebevel is uitgevaardigd;

F.  overwegende dat ook al vóór de mislukte staatsgreep en de daarop volgende noodtoestand de persvrijheid diverse malen en systematisch is geschonden, met als meest geruchtmakende zaken het in mei 2015 tegen de krant Cumhuriyet ingestelde onderzoek naar terrorisme en spionage wegens het posten van een video en nieuwsverslagen waarin met wapens voor jihadisten in Syrië volgeladen trucks getoond werden; de arrestatie in november van Can Dündar, redacteur van deze krant, en van de journalist Erdem Gül; de inval van de politie bij de tv-zenders en kranten van de Ipek mediagroep en het ontslaan van de journalisten die deel uitmaakten van deze groep in oktober 2015; en de overname door de regering van de krant Zaman in maart 2016;

G.  overwegende dat journalisten niet alleen het doelwit zijn van regeringsacties of gerechtelijke stappen, maar ook van gewelddadige intimidatie, zoals de aanval op de krant Hürriyet door een menigte onder leiding van een AKP-parlementslid, en de mishandeling door vier mannen van Ahmet Hakan, journalist van Hürriyet;

H.  overwegende dat ook burgers van Europese landen zoals de Duitse satiricus Jan Böhmermann en de Nederlandse journaliste Ebru Umar gevolgen hebben ondervonden van de schendingen van de vrijheid van de media in Turkije;

I.  overwegende dat momenteel duizenden websites in Turkije worden geblokkeerd; overwegende dat de Turkse autoriteiten volgens Human Rights Watch in het eerste half jaar van 2015 verantwoordelijk waren voor bijna drie kwart van de wereldwijd ingediende verzoeken aan Twitter tot het verwijderen van tweets en het blokkeren van accounts;

J.  overwegende dat de schending van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media niet het enige structurele probleem in Turkije is; overwegende dat de behandeling van religieuze en andere minderheidsgroepen, de weigering de Republiek Cyprus te erkennen en de ambiguïteit ten aanzien van terroristische groeperingen in Syrië en Irak andere voorbeelden van dergelijke problemen zijn;

1.  verzoekt de regering van Turkije alle voorwaarden voor democratie en rechtsstaat te eerbiedigen en een einde te maken aan de discriminatie van burgers op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en andere grondrechten;

2.  verzoekt de Raad de toetredingsonderhandelingen met Turkije te staken;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, alsmede de regering van Turkije.

Juridische mededeling - Privacybeleid