Procedure : 2016/2956(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1159/2016

Ingediende teksten :

B8-1159/2016

Debatten :

PV 26/10/2016 - 12
CRE 26/10/2016 - 12

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0422

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 262kWORD 70k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1159/2016
24.10.2016
PE593.585v01-00
 
B8-1159/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Noord-Irak en rond Mosul (2016/2956(RSP))


Charles Tannock, Mark Demesmaeker, Arne Gericke, Anna Elżbieta Fotyga, Angel Dzhambazki, Notis Marias, Ruža Tomašić, Branislav Škripek namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Noord-Irak en rond Mosul (2016/2956(RSP))  
B8-1159/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Irak, en met name die van 27 februari 2014(1) en van 17 juli 2014 over de situatie in Irak(2),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Irak, en met name die van 2016,

–  gezien de verklaringen over Irak van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Irak partij is,

–  gezien resolutie 2170 (2014) van de VN-Veiligheidsraad en resolutie S-22/L.1 (2014) van de VN-Mensenrechtenraad,

–  gezien de op 24 juni 2013 goedgekeurde richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien de conclusies van de internationale conferentie over vrede en veiligheid in Irak, die op 15 september 2014 in Parijs is gehouden,

–  gezien de afsluitende opmerkingen over de gecombineerde tweede t/m vierde periodieke rapporten over Irak, gepubliceerd door de VN-Commissie voor de rechten van het kind van 3 maart 2015,

–  gezien de verklaringen over Irak van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (vv/hv),

–  gezien de conclusies van de Raad van 23 mei 2016 over de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die van Da'esh uitgaat,

–  gezien resolutie 2091 (2016) over buitenlandse strijders in Syrië en Irak, die op 27 januari 2016 werd aangenomen door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat volgens de verklaring van de Iraakse premier Haider al-Abadi, de operatie voor de herovering en bevrijding van Mosul op de Islamitische Staat van Irak en Syrië (ISIS) werd ingezet op 16 oktober 2016, onder leiding van de Iraakse strijdkrachten met de steun van Koerdische, Amerikaanse, Britse en Franse troepen;

B.  overwegende dat Mosul de op één na grootste stad van Irak is, en van strategisch belang is voor het land; overwegende dat de gehele regio, met inbegrip van de Nineveh-vlakte, Sinjar en Tal Afar, een belangrijk handelscentrum is, niet ver van de grens met Syrië en Turkije en in de nabijheid van enkele van de meest vitale Iraakse olievelden en de oliepijpleiding naar Turkije;

C.  overwegende dat Mosul op 10 juni 2014 in handen is gevallen van de ISIS-troepen, in wat wordt beschouwd als een van de meest opzienbarende successen van ISIS;

D.  overwegende dat de stad onder het bewind van ISIS is verworden tot een plaats waar meer dan 2,5 miljoen mensen zijn blootgesteld aan gruwelijke daden zoals publieke onthoofdingen, homoseksuele mannen die vanaf de bovenste verdieping van gebouwen de dood worden ingegooid, en mannen zonder baard en vrouwen die geen islamitische kleding zoals de boerka dragen, gevangen worden genomen; overwegende dat dit de afgelopen twee jaar heeft geleid tot een massale uittocht, wat sterk heeft bijdragen tot de algemene vluchtelingencrisis, waarbij honderdduizenden mensen de stad zijn ontvlucht en momenteel intern ontheemd zijn of in een ander land verblijven;

E.  overwegende dat Irak 38 miljoen inwoners telt, waarvan 65 % sjiieten en 35 % soennieten, die wonen in het deel van Irak ten noordwesten van Bagdad; overwegende dat de etnische en religieuze grenzen onduidelijk blijven en dat er in veel gebieden, zoals in de stad Mosul, geschillen zijn;

F.  overwegende dat het aantal christenen in Irak in 2003 meer dan 1,5 miljoen bedroeg, maar tegenwoordig minder dan 200 000 tot 350 000, en dat velen van hen in armoede leven; overwegende dat de aanwezigheid van christenen en andere minderheden in Irak van oudsher van groot maatschappelijk belang is geweest, aangezien zij een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de politieke stabiliteit, en dat de uitroeiing van deze minderheden in de regio voor verdere destabilisering zal zorgen;

G.  overwegende dat er christelijke zelfverdedigingstroepen zijn opgericht die ter plaatse actief zijn en samenwerken met het Iraakse leger of de Peshmerga;

H.  overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 4 februari 2016 heeft erkend dat "ISIS/Da'esh zich schuldig maakt aan het plegen van genocide jegens christenen, jezidi's en andere religieuze en etnische minderheden die het oneens zijn met de interpretatie van de islam van ISIS/Da'esh" en dat "de vervolging, wreedheden en internationale misdrijven aangemerkt kunnen worden als oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid";

I.  overwegende dat de UNHCR naar aanleiding van de huidige herovering van Mosul ervoor heeft gewaarschuwd dat er een humanitaire ramp kan ontstaan wanneer het tot gevechten komt in de stad zelf en dat door dit offensief meer dan een miljoen mensen op de vlucht kunnen slaan;

J.  overwegende dat volgens de in Canada gevestigde ngo RINJ Foundation, die instaat voor medische centra in Mosul, uit verkrachtingen in de stad blijkt dat er sprake is van een patroon van genocide, wat zal leiden tot een veroordeling van ISIS wegens genocide door het Internationaal Strafhof, een permanent internationaal tribunaal dat personen vervolgt voor verkrachting, genocide, misdaden tegen de menselijkheid en agressie in oorlogstijd;

K.  overwegende dat de aanwezigheid van achtergelaten landmijnen in de regio, met name in de Nineveh-vlakte, een ernstig probleem en een grote uitdaging blijft voor de lokale en internationale troepen;

1.  betuigt zijn steun aan de Republiek Irak en aan de internationale coalitie tegen ISIL om de stad Mosul van de ISIS-troepen te bevrijden; steunt de territoriale integriteit van Irak, en met name van de regio's in het noorden;

2.  benadrukt dat de huidige militaire campagne om Mosul te bevrijden zich strikt moet houden aan het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

3.  dringt er bij de internationale coalitie tegen ISIL op aan alles in het werk te stellen om tijdens de bevrijdingsoperatie van de stad een correct onderscheid te maken tussen burgers en strijders, om te voorkomen dat er slachtoffers vallen onder de burgerbevolking, met name die welke worden gebruikt als menselijk schild, en om een veilige doorgang te waarborgen voor burgers die niet in de stad wensen te blijven;

4.  veroordeelt ten stelligste de door de terroristen van ISIS en andere jihadistische groeperingen gepleegde systematische en wijdverbreide schendingen van de mensenrechten in Irak, en met name in Mosul, waaronder het doden van gijzelaars, alle vormen van geweld tegen personen op grond van hun religieuze of etnische identiteit, en geweld tegen vrouwen en LGBTI;

5.  roept Irak ertoe op om het Statuut van Rome te ondertekenen, en de Iraakse autoriteiten om, indien zij ISIS-oorlogsmisdadigers niet in het land zelf gerechtelijk kunnen vervolgen, deze zaken door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof, zoals door het Statuut is toegestaan;

6.  benadrukt dat de inheemse gemeenschappen van Irak in de regio – christenen, jezidi's, Turkmenen en anderen – het recht hebben te leven in veiligheid en zekerheid binnen de federale structuur van de Republiek Irak; benadrukt eens te meer dat het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst een fundamenteel mensenrecht is;

7.  is van mening dat lokale zelfbeschikking van de gemeenschappen in de Nineveh-vlakte, met name van christenen, jezidi's, mandaeërs en shabakken, de fundamentele mensenrechten van de inheemse volkeren van de regio zou herstellen en handhaven; verzoekt de Iraakse autoriteiten de bovengenoemde minderheden gedecentraliseerde bevoegdheden te verlenen, zoals door de federale grondwet is toegestaan;

8.  moedigt de regionale autoriteiten en de internationale gemeenschap aan humanitaire actieplannen op te stellen voor de vluchtelingen uit Mosul en voor hun uiteindelijke terugkeer naar de stad, afhankelijk uiteraard van de stabiliteit van het nieuwe bestuur en de veiligheidssituatie in de stad; benadrukt dat de inheemse volkeren en minderheden van de Nineveh-vlakte, Tal Afar en Sinjar die naar hun thuisland terugkeren, hun fundamentele mensenrechten volledig hersteld moeten zien, met inbegrip van eigendomsrechten, die voorrang hebben op eventuele aanspraken op eigendom door anderen;

9.  verzoekt de EU en haar lidstaten de vertegenwoordiging van minderheden in een nieuw bestuur voor Mosul te waarborgen; benadrukt het legitieme recht van minderheden op politieke participatie; dringt er bij de regionale en internationale instanties op aan te zorgen voor het benodigde materieel voor christelijke zelfverdedigingstroepen om ervoor te zorgen dat zij een rol kunnen spelen bij de bevrijding en langdurige bescherming van hun thuisland;

10.  verzoekt de Europese Raad de ontmijning in de regio, in samenwerking met de lokale raden van de minderheden, tot zijn prioriteit uit te roepen zodat de vluchtelingen naar huis kunnen terugkeren;

11.  is van mening dat de bevrijding van de stad Mosul een mijlpaal kan zijn om de dreiging van islamistische extremisten in de gehele regio en daarbuiten neer te slaan, en ook van cruciaal belang is voor de bestrijding van terrorisme binnen de EU, omdat de opmars van deze terroristen een voedingsbodem vormt voor radicalisering in eigen land;

12.  benadrukt dat het noodzakelijk is de wereldwijde campagne tegen ISIS/Da'esh voort te zetten via een langetermijnstrategie, met inbegrip van financiering van terrorismebestrijding;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en Raad van vertegenwoordigers van Irak, de Koerdische Regionale Regering, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties en de regeringen en overheden van alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Noord-Irak, met name bij de bevrijding van Mosul.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0171.

(2)

PB C 224 van 21.6.2016, blz. 25.

Juridische mededeling - Privacybeleid