Procedure : 2016/2935(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1167/2016

Ingediende teksten :

B8-1167/2016

Debatten :

PV 26/10/2016 - 15

Stemmingen :

Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2016)0423

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 254kWORD 64k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-1162/2016
24.10.2016
PE593.593v01-00
 
B8-1167/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie van journalisten in Turkije (2016/2935(RSP))


Charles Tannock, Mark Demesmaeker, Angel Dzhambazki, Ruža Tomašić, Raffaele Fitto namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van journalisten in Turkije (2016/2935(RSP))  
B8-1167/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 14 april 2016 over het verslag 2015 over Turkije(1) en die van 15 januari 2015 over de vrijheid van meningsuiting in Turkije: recente arrestaties van journalisten, mediadirecties en systematische druk op de media(2),

–  gezien het Commissieverslag van 2015 over Turkije,

–  gezien de eerdere toepasselijke conclusies van de Raad,

–  gezien de toepasselijke verklaringen van vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger Federica Mogherini en commissaris Johannes Hahn,

–  gezien de verklaring van 26 juli 2016 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over maatregelen die zijn genomen in het kader van de noodtoestand in Turkije,

–  gezien de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Turkije van 9 september 2016,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), dat door Turkije is ondertekend,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat op 15 juli 2016 in Turkije een poging tot staatsgreep heeft plaatsgevonden; overwegende dat de autoriteiten in de nasleep ervan de noodtoestand hebben afgekondigd, die met nog eens drie maanden is verlengd vanaf 19 oktober, en die de uitvoerende macht zeer ruime bevoegdheden verleent om per decreet te regeren;

B.  overwegende dat Turkije een formele kennisgeving heeft ingediend tot afwijking van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens; overwegende dat niet kan worden afgeweken van de artikelen 2, 3, 4, lid 1, en 7;

C.  overwegende dat de intimidatie van journalisten en mediabedrijven zowel in als buiten Turkije via arrestaties, verhoren, vervolgingen, censuur en ontslagen het afgelopen jaar is toegenomen en verder is veralgemeend sinds de mislukte staatsgreep van juli 2016 en de daaropvolgende afkondiging van de noodtoestand; overwegende dat de recentste index voor persvrijheid van verslaggevers zonder grenzen 180 landen omvat en dat Turkije de 151e plaats inneemt;

D.  overwegende dat decreetsbepalingen in het kader van de noodtoestand de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting beïnvloeden, onder meer het feit dat hogere niveaus van de overheid elke mediaorganisatie kunnen opdoeken, de avondklok kunnen instellen, openbare vergaderingen, bijeenkomsten en manifestaties kunnen verbieden, en de paspoorten van personen tegen wie een onderzoek loopt, met inbegrip van de paspoorten van hun echtgenoten en partners, kunnen nietig verklaren of in beslag nemen;

E.  overwegende dat Turkije naar verluidt het grootste aantal gevangengenomen journalisten ter wereld telt, waarvan meer dan de helft werd opgesloten in 2016, en dat velen van hen worden beschuldigd of zijn veroordeeld op grond van aanklachten uit hoofde van de antiterreurwetgeving;

F.  overwegende dat Turkije een kandidaat-lidstaat en een cruciale partner voor de EU is;

G.  overwegende dat de rechtsstaat en de grondrechten, met inbegrip van de vrijheid van meningsuiting, tot de essentiële democratische waarden behoren, en dat Turkije in het kader van zijn kandidatuur voor EU-lidmaatschap alsook op grond van zijn lidmaatschap van de Raad van Europa formeel verplicht is deze waarden te eerbiedigen;

1.  erkent het recht en de verantwoordelijkheid van de Turkse regering om te reageren op de poging tot staatsgreep, maar benadrukt dat zij nog steeds moet voldoen aan de verplichtingen op het gebied van de mensenrechten die door de Turkse grondwet zijn opgelegd alsook aan de internationale mensenrechtenverdragen waarbij Turkije partij is;

2.  veroordeelt de grotere onderdrukking van de vrijheid van de media na de mislukte staatsgreep; roept de Turkse regering op geen politieke en economische druk meer uit te oefenen op de onafhankelijke media; veroordeelt de toenemende toepassing van antiterreurwetgeving tegen journalisten, de inhoudsembargo's voor online- en conventionele verslaggeving alsook het blokkeren van websites; dringt er bij de autoriteiten op aan de opgesloten journalisten vrij te laten en mediabedrijven toe te staan hun activiteiten opnieuw uit te oefenen;

3  herinnert eraan dat de vrijheid van meningsuiting, gevarieerde en onafhankelijke media en de rechtsstaat fundamentele elementen van een democratische samenleving zijn; benadrukt dat Turkije, als kandidaat-lidstaat, de hoogst mogelijke democratische normen en praktijken moet nastreven;

4.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat Turkije mechanismen instelt die bescherming bieden tegen misbruik en de scheiding der machten en de rechtsstaat handhaven;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Turkije.

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0133.

(2)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0014.

Juridische mededeling - Privacybeleid