Procedure : 2016/2966(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1229/2016

Ingediende teksten :

B8-1229/2016

Debatten :

PV 23/11/2016 - 14
CRE 23/11/2016 - 14

Stemmingen :

PV 24/11/2016 - 8.8
CRE 24/11/2016 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 262kWORD 68k
16.11.2016
PE593.659v01-00
 
B8-1229/2016

naar aanleiding van vragen met verzoek om mondeling antwoord B8-1805/2016 en B8-1806/2016

ingediend overeenkomstig artikel 128, lid 5, van het Reglement


over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen (2016/2966(RSP))


Julie Girling, Daniel Dalton, Arne Gericke, Jussi Halla-aho, Marek Jurek, Monica Macovei, Branislav Škripek, Kazimierz Michał Ujazdowski, Anders Primdahl Vistisen, Jadwiga Wiśniewska, Jana Žitňanská, Angel Dzhambazki, Urszula Krupa namens de ECR-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen (2016/2966(RSP))  
B8-1229/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 2 en artikel 3, lid 3, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 21, 23, 24 en 25 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de bepalingen van de juridische instrumenten van de VN op het gebied van mensenrechten en met name vrouwenrechten, zoals het VN-Handvest, de Universele Verklaring van de rechten van de mens, de internationale verdragen over burgerrechten en politieke rechten en over economische, sociale en culturele rechten, het VN-Verdrag inzake de afschaffing van mensenhandel en van de exploitatie van de prostitutie van anderen, het Verdrag inzake de bescherming tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 1951, het beginsel van non-refoulement en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap,

–  gezien artikel 11, lid 1, onder d), van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, aangenomen bij Resolutie 34/180 van 18 december 1979 van de Algemene Vergadering van de VN,

_  gezien zijn resolutie van 25 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie over de bestrijding van geweld tegen vrouwen(1),

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake geweld tegen vrouwen en meisjes en de bestrijding van alle vormen van discriminatie van vrouwen en meisjes,

–  gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten getiteld "Geweld tegen vrouwen: een Europese enquête", gepubliceerd in maart 2014,

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten(2),

–  gezien Richtlijn 2011/99/EU betreffende het Europees beschermingsbevel(3) en Verordening (EU) nr. 606/2013 betreffende de wederzijdse erkenning van beschermingsmaatregelen in burgerlijke zaken(4),

–  gezien Richtlijn 2011/36/EU inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan(5) en Richtlijn 2011/92/EU december 2011 ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad(6),

–  gezien de vragen aan de Raad en de Commissie over de toetreding van de EU tot het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen (O-000121/2016 – B8-1805/2016 en O-000122/2016 – B8-1806/2016),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat gelijkheid tussen vrouwen en mannen een kernwaarde van de EU vormt en in artikel 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is verankerd;

B.  overwegende dat geweld tegen vrouwen in de EU nog frequent voorkomt; overwegende dat uit het verslag van het Bureau voor de grondrechten en uit studies over geweld tegen vrouwen blijkt dat naar schatting één op de drie vrouwen in Europa als volwassene minstens één keer met fysiek of seksueel geweld werd geconfronteerd, dat één op de vijf al online werd geïntimideerd, dat één op de twintig een verkrachting had meegemaakt, en dat meer dan één op de tien al het slachtoffer werd van een daad van seksuele agressie waarbij geweld werd gebruikt;

C.  overwegende dat uit statistieken blijkt dat tal van mannen het slachtoffer zijn van door een vrouw gepleegd geweld, bijvoorbeeld in Engeland en Wales, waar in 2016 (tot nu toe) 600 000 mannelijke slachtoffers een geval van huishoudelijk geweld bij de politie hebben aangegeven(7) en in Schotland, waar 20 % van de gerapporteerde gevallen van huishoudelijk geweld geweld tegen mannen betreft(8);

D.  overwegende dat geweld tegen vrouwen en mannen te vaak wordt afgedaan als een privékwestie en te vaak wordt getolereerd; overwegende dat het in feite een strafbaar feit is, dat als dusdanig moet worden bestraft;

E.  overwegende dat geweld tegen vrouwen en mannen met geen enkele maatregel volledig uitgebannen zal worden, maar dat een combinatie van wettelijke, justitiële en handhavingsmaatregelen en maatregelen op het gebied van infrastructuur, cultuur, onderwijs, sociale dienstverlening, gezondheidszorg en andere dienstverlening ervoor kan zorgen dat de bewustwording aanzienlijk wordt vergroot en dat geweld tegen vrouwen en de gevolgen ervan aanzienlijk zullen afnemen;

1.  herinnert eraan dat de lidstaten door artikel 2 VEU en door het Handvest van de grondrechten gebonden zijn om gelijkheid tussen mannen en vrouwen te waarborgen, beschermen en stimuleren;

2.  veroordeelt met klem alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes; merkt op dat vrouwen onevenredig zwaar getroffen worden door geweld en misbruik, maar is ook bezorgd omdat mannelijke slachtoffers gevallen van geweld, gepleegd door hun huwelijks- of levenspartner, onvoldoende rapporteren en politie en gerecht hier niet de nodige aandacht aan besteden;

3.  merkt op dat geweld tegen vrouwen en mannen te maken heeft met macht en controle, en dat gewelddadig gedrag fysiek misbruik, emotioneel misbruik, isolement, bedreigingen, seksueel misbruik, economisch misbruik, intimidatie, manipulatie van kinderen of huisdieren en misbruik van een geprivilegieerde positie omvat;

4.  erkent dat de gevolgen van gendergerelateerd geweld verwoestend zijn: huishoudelijk geweld wordt door 60 % van de vrouwen als een van de voornaamste redenen voor dakloosheid opgegeven, vrouwen die fysiek of seksueel misbruikt werden door hun partner hebben twee keer zoveel kans op depressie en doen dubbel zo vaak een zelfmoordpoging, en bij zwangere vrouwen heeft huishoudelijk geweld een negatief effect op de gezondheid van moeder en kind;

5.  verwelkomt het baanbrekende verslag van het Bureau van de grondrechten over geweld tegen vrouwen uit 2014, en roept het Bureau op om een onderzoek te voeren naar geweld tegen mannen;

6.  brengt in herinnering dat 25 november de internationale dag voor de uitbanning van geweld tegen vrouwen is; is zeer bezorgd over het feit dat geweld tegen vrouwen in de EU zo vaak voorkomt; wijst op de grote verschillen in de rapportering van gewelddadige incidenten in de EU en de sterk uiteenlopende houdingen van de lidstaten met betrekking tot gendergerelateerd geweld; roept de lidstaten op om samen te werken, beste praktijken te delen en effectieve manieren uit te wisselen om geweld te voorkomen en mannen en vrouwen tegen gendergerelateerd geweld te beschermen;

7.  merkt op dat alle 28 lidstaten het Verdrag van Istanbul inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van de Raad van Europa hebben ondertekend, wat wijst op de politieke wil in de lidstaten om geweld tegen vrouwen uit te bannen; wijst erop dat 14 lidstaten het Verdrag hebben geratificeerd; benadrukt dat de lidstaten het soevereine recht hebben om het Verdrag en de bijhorende bepalingen te ratificeren en ten uitvoer te leggen;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1)

Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0126.

(2)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(3)

PB L 338 van 21.12.2011, blz. 2.

(4)

PB L 181 van 29.6.2013, blz. 4.

(5)

PB L 101 van 15.4.2011, blz. 1.

(6)

PB L 335 van 17.12.2011, blz. 1.

(7)

"Male victims of domestic abuse: implications for health visiting practice", Journal of Research Nursing, Vol. 21 (5-6), 2016.

(8)

Officiële statistieken van Schotland, oktober 2015.

Juridische mededeling - Privacybeleid