Procedure : 2016/3001(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-1315/2016

Ingediende teksten :

B8-1315/2016

Debatten :

PV 01/12/2016 - 3
CRE 01/12/2016 - 3

Stemmingen :

PV 01/12/2016 - 6.24
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :


ONTWERPRESOLUTIE
PDF 188kWORD 55k
28.11.2016
PE593.752v01-00
 
B8-1315/2016

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in de Democratische Republiek Congo (2016/3001(RSP))


Maria Lidia Senra Rodríguez, Marie-Christine Vergiat, Dimitrios Papadimoulis, Kostadinka Kuneva, Kostas Chrysogonos, Patrick Le Hyaric, Stelios Kouloglou, Lola Sánchez Caldentey, Tania González Peñas, Estefanía Torres Martínez, Xabier Benito Ziluaga, Miguel Urbán Crespo, Barbara Spinelli namens de GUE/NGL-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in de Democratische Republiek Congo (2016/3001(RSP))  
B8-1315/2016

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 7 oktober 2010, 9 juli 2015 en 10 maart 2016, evenals de resoluties van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU, met name die van 15 juni 2016,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de grondwet van de Democratische Republiek Congo (DRC), en met name artikel 56, waarin is bepaald: dat "elke handeling, overeenkomst of regeling die, of elk ander feit dat erin resulteert dat het land en/of natuurlijke of rechtspersonen de middelen van bestaan die zij op basis van hun hulpbronnen of natuurlijke rijkdommen verwerven geheel of gedeeltelijk wordt ontnomen, onverminderd de internationale bepalingen inzake economische misdaden, plundering is en als zodanig een wettelijk strafbaar feit",

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren,

–  gezien het Afrikaans Handvest voor democratie, verkiezingen en bestuur,

–  gezien artikel 3 van en protocol II bij de Verdragen van Genève van 1949, op grond waarvan standrechtelijke executies, verkrachting, gedwongen rekrutering en andere wreedheden verboden zijn,

–  gezien het internationale verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989,

–  gezien resolutie nr. 2211 (2015) van maart 2015 van de Veiligheidsraad waarin het mandaat van stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in de DRC (Monusco) tot 31 maart 2016 is verlengd,

–  gezien de toekenning van de Sacharovprijs aan de Congolese gynaecoloog dr. Denis Mukwege in 2014 vanwege zijn inzet voor de bescherming van de rechten van vrouwen in Congo,

–  gezien zijn standpunt van 20 mei 2015 over de certificering van importeurs van bepaalde mineralen en metalen uit conflictgebieden of gebieden met een hoog risico,

–  gezien het rapport van het VN-milieuprogramma van 15 april 2015 over de exploitatie van, respectievelijk de handel in natuurlijke hulpbronnen door georganiseerde criminele groeperingen,

–  gezien de Overeenkomst van Cotonou,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

 

A.  overwegende dat de enorme toename van het aantal gewapende groeperingen, de wanorde en het ontbreken van een stabiele overheid, het onvermogen van de Verenigde Naties om een samenhangende reactie op de volkerenmoord en zijn gevolgen te formuleren, alsook de medeplichtigheid van de landen met een belang in de regio, zoals de Verenigde Staten en Frankrijk, tot een dramatische situatie hebben geleid, en tot waarschijnlijk meerdere honderdduizenden en misschien zelfs miljoenen doden sinds 1996, voornamelijk onder de burgerbevolking, met name ten gevolge van ondervoeding, ziekten en armoede na de oorlogen van 1996 en 1998; overwegende dat deze situatie ook nu nog zijn weerslag heeft in het land;

B.  overwegende dat volgens het Kinderfonds van de Verenigde Naties (UNICEF), de perinatale sterfte tussen 2007 en 2014 met 30 % is afgenomen, van 148 per 1 000 geboortes in 2007 tot 104 per 1 000 geboortes in 2014, en dat het sterftecijfer onder jonge moeders in dezelfde periode met 35 % is afgenomen, van 1 289 per 100 000 bevallingen in 2007 tot 846 per 100 000 bevallingen in 2014;

C.  overwegende dat de DRC sinds 2012 opnieuw door instabiliteit gekenmerkt wordt en dat bij gevechten en gewelddaden meerdere duizenden slachtoffers gevallen zijn, voornamelijk in de provincies Noord-Kivu en Zuid-Kivu, in het oosten van het land; overwegende dat volgens het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA), op 31 juli 2015 sprake was van 1,5 miljoen binnenlands ontheemden, oftewel 7% van de totale bevolking van het land; overwegende dat meer dan 400 000 Congolese vluchtelingen nog altijd in ballingschap leven; overwegende dat vluchtelingen die de ernstige humanitaire crisis in het buurland, de Centraal-Afrikaanse Republiek, ontvluchten in de DRC aankomen;

D.  overwegende dat tot de strijdende partijen onder andere behoren de Democratische Strijdkrachten voor de bevrijding van Rwanda (Hutu-milities), de RCD-Goma (Rassemblement Congolais pour la Démocratie), die door Rwanda wordt gesteund tégen de regering van de DRC, het Verzetsleger van de Heer (LRA), dat na een rebellie in Uganda is ontstaan, de "maï maï" in Katanga en de Volkszelfverdedigingsbeweging (MPA); overwegende dat hoewel sommige groeperingen sinds 2010 gedemobiliseerd en in een aantal gevallen gedeeltelijk in het Congolese leger (FARDC) geïntegreerd zijn, de onveiligheid voortduurt; overwegende dat de instrumentalisering van de "etnische kwestie" de conflicten in de regio flink heeft aangewakkerd en de versnippering van stukken land langs etnische lijnen doet voortbestaan;

E.  overwegende dat er sprake is van oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid op grote schaal, massale schendingen van de mensenrechten, een toenemende repressie tegen de oppositie, grootschalige verkrachtingen van vrouwen en meisjes, evenals de verdrijving van grote bevolkingsgroepen; overwegende dat in de Democratische Republiek Congo sinds 1996 volgens de officiële cijfers ten minste 200 000 mensen zijn verkracht, maar dat het werkelijke aantal ongetwijfeld veel hoger is aangezien veel gevallen van verkrachting niet worden gemeld; overwegende dat verkrachting een door alle strijdende partijen, inclusief het officiële leger, gebruikt oorlogsmiddel is; overwegende dat in de Democratische Republiek Congo op grote schaal gebruik wordt gemaakt van gedwongen rekrutering, in het bijzonder van kinderen;

F.  overwegende dat het reguliere leger (FARDC) regelmatig wordt beschuldigd van gewelddaden; overwegende dat de regering in oktober 2012 een actieplan heeft aangenomen om een einde te maken aan de rekrutering van kinderen, seksueel geweld en andere ernstige schendingen van de rechten van het kind door het leger en de veiligheidstroepen; overwegende dat de problemen voortduren en de daders bijna nooit worden gestraft;

 

G.  overwegende dat het optreden van Monusco (stabilisatiemissie van de Verenigde Naties in de DRC), die in 1999 is ingesteld, een totale mislukking is, in die zin dat de missie het lot van de zwaar door de oorlog getroffen burgerbevolking niet heeft verbeterd en dat de steun van de missie voor het nationale Congolese leger (FARDC) er slechts in heeft geresulteerd dat dit nog meer misdaden heeft gepleegd; overwegende dat de Verenigde Naties, na de militaire samenwerking tussen Monusco en het FARDC in februari 2015 te hebben opgeschort, op 2 maart 2016 hebben besloten de militaire ondersteuning van de regeringstroepen weer te hervatten;

H.  overwegende dat overeenkomstig de grondwet de komende presidentsverkiezingen in december 2016 moeten plaatsvinden; overwegende dat de totale ambtstermijn van de president van de DRC door de grondwet van Congo tot twee ambtsperioden wordt beperkt; overwegende dat president Joseph Kabila de kieswet heeft willen wijzigen om de verkiezingen tot na 2016 uit te stellen, hetgeen heeft geleid tot politieke spanningen, demonstraties en gewelduitspattingen met enkele duizenden doden tot gevolg; overwegende dat Joseph Kabila heeft besloten een nationale politieke dialoog in te stellen, waaraan een gedeelte van de oppositie niet wil deelnemen, die als absolute voorwaarde voor haar deelname hernieuwde internationale bemiddeling en de strikte eerbiediging van de grondwet had gesteld;

I.  overwegende dat op grond van een besluit van 17 oktober 2016, waarin een einde wordt gemaakt aan de politieke schijndialoog (aangezien de oppositie hierin afwezig was), de datum van de verkiezingen tot april 2018 is verschoven;

J.  overwegende dat de oppositie president Kabila en zijn regering ervan beschuldigt administratieve en technische middelen in te zetten om de verkiezingen uit te stellen en aan de macht te blijven na afloop van de constitutionele ambtstermijn;

K.  overwegende dat volgens enkele ngo's de Congolese rechtspraak wordt gebruikt om diegenen de mond te snoeren die gekant zijn tegen het idee van een derde ambtsperiode voor president Kabila;

L.  overwegende dat tijdens de afgelopen maanden, mensenrechtenorganisaties enkele keren melding hebben gemaakt van de verslechtering van de situatie van de rechten van de mens en van de vrijheid van meningsuiting en van vergadering in het land, en met name van het buitensporige geweld tegen vreedzame demonstranten, politieke activisten en verdedigers van de mensenrechten die zich verzetten tegen de pogingen om president Kabila aan de macht te houden na afloop van de door de grondwet ingestelde maximum termijn van twee ambtsperioden;

M.  overwegende dat naar verluidt meer dan 30 mensen tijdens demonstraties op 19 en 20 september 2016 in Kinshasa zijn gedood en dat vele anderen zijn verdwenen; overwegende dat leden van de LUCHA-beweging nog altijd illegaal in Goma worden vastgehouden; overwegende dat persbureaus zoals dat van RFI gesloten zijn;

N.  overwegende dat de DRC over veel belangrijke natuurlijke hulpbronnen (goud, cassiteriet, coltan, methaangas, enz.) beschikt en dat de voortdurende illegale exploitatie van de hulpbronnen in kwestie, die zich met name in het oosten van de DRC onder controle van gewapende paramilitaire groepen bevinden, bijdraagt aan de financiering en instandhouding van het conflict en een bron van onveiligheid voor de hele regio vormt;

 

O.  overwegende dat multinationals het gewapende conflict financieren om de Congolese bodemschatten te kunnen blijven exploiteren; overwegende dat deze gang van zaken herhaaldelijk aan de kaak is gesteld in de rapporten van de Verenigde Naties; overwegende dat Ibrahim Thiaw, de adjunct-uitvoerend directeur van het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), in april 2015 heeft verklaard dat er jaarlijks voor meer dan 1 miljard dollar aan bodemschatten wordt geëxploiteerd en dat het merendeel van de winst – tot 98 % – wordt opgestreken door internationale conglomeraten, terwijl de resterende 2 % terechtkomt bij de gewapende groeperingen;

P.  overwegende dat de internationale financiële instellingen het land met hun structureleaanpassingsprogramma's nog verder hebben verzwakt doordat ze er, met name in de mijnbouwsector, een juridisch en fiscaal paradijs voor multinationals van hebben gemaakt; overwegende dat de ontmanteling van de pijlers van de Congolese economie en de ontslagen van duizenden werknemers in verband met de internationale instellingen (in de eerste plaats de Wereldbank) de bevolking haar middelen van bestaan hebben ontnomen en tot een verslechtering van de levensomstandigheden hebben geleid, ten faveure van de grote, voornamelijk westerse, industriële conglomeraten, die zich de hulpbronnen hebben weten toe te eigenen en de economie in hun greep hebben;

Q.  overwegende dat de voedselprijzen sinds het begin van het conflict aanzienlijk zijn gestegen, hetgeen de armoede en de voedselonzekerheid van de plaatselijke bevolking en de instabiliteit van de regio nog heeft verergerd; overwegende dat de situatie bovendien wordt verergerd doordat grond met medeweten van de regering wordt ingepikt door de multinationals;

R.  overwegende dat de toename van de werkloosheid, de achteruitgang van de maatschappelijke situatie en de groter wordende armoede onder de bevolking bepalende factoren zijn voor de instabiliteit waar de regio onder lijdt;

1.  veroordeelt elke geweldsdaad, elke mensenrechtenschending en elk seksueel geweld; verklaart zich solidair met alle bevolkingsgroepen die lijden onder jaren van conflict; veroordeelt eens te meer de instrumentalisering van de "etnische kwestie", die miljoenen slachtoffers in de regio heeft gemaakt en uitsluitend tot doel heeft de bevolking onderling te verdelen;

2.  is bijzonder bezorgd over de opleving van het geweld in de aanloop naar de verkiezingen; veroordeelt alle vormen van intimidatie, ook gerechtelijke intimidatie, tegen mensenrechtenverdedigers, journalisten, politieke tegenstanders en andere onafhankelijke of kritische stemmen; benadrukt dat het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering moeten worden geëerbiedigd en beschermd;

3.  verzoekt om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle personen die willekeurig worden vastgehouden;

4.  spreekt zijn afkeuring uit over de repressie door het leger en de veiligheidstroepen; onderstreept dat het gebruik van dodelijke wapens tegen vreedzame demonstranten strikt verboden is op basis van de Grondbeginselen van de Verenigde Naties inzake het gebruik van geweld en dat wetshandhavers geen vuurwapens dienen te gebruiken;

5.  is van oordeel dat het aanpakken van de straffeloosheid, zij het voor schendingen van het humanitair recht, zij het voor economische en financiële misdaden, een conditio sine qua non is voor herstel van de vrede in de DRC;

6.  deelt de mening van de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie volgens welke alleen door middel van een dialoog waaraan alle partijen en vertegenwoordigers van de Congolese maatschappij deelnemen, onder strikte eerbiediging van de grondwet en van de belangen van de bevolking, met als doel het houden van vrije, eerlijke, transparante en geloofwaardige verkiezingen, de huidige politieke spanningen in het land kunnen worden verminderd;

7.  maakt zich in het bijzonder zorgen over de situatie van de vrouwen in het land evenals over de misdaden en de discriminatie waarvan zij het slachtoffer zijn; ziet het als een must dat de autoriteiten en de internationale gemeenschap hun inspanningen opvoeren om een einde te maken aan de massaverkrachtingen als een oorlogstechniek, de toegang te waarborgen tot gratis publieke gezondheidszorg, met name op het gebied van reproductie, contraceptie en abortus, en te werken aan daadwerkelijke gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

8.  is ook van oordeel dat het aanpakken van het verschijnsel van kindsoldaten voor de autoriteiten en de internationale gemeenschap een prioriteit moet zijn;

9.  veroordeelt het dat de basisbehoeften van de Congolese bevolking stelselmatig worden geofferd op het altaar van de economische en geopolitieke belangen van de multinationals en buitenlandse mogendheden;

10.  is dan ook van oordeel dat de dramatische situatie in het oosten van de DRC alleen duurzaam kan worden opgelost indien ervoor wordt gezorgd dat de bevolking eindelijk profijt kan trekken van de natuurlijke hulpbronnen; benadrukt dat hiertoe het land weer zeggenschap moet krijgen over zijn natuurlijke rijkdommen door controle uit te oefenen op de activiteiten van de buitenlandse multinationals en door nationale infrastructuur te ontwikkelen om zijn grondstoffen te exploiteren, te bewerken en te verhandelen, wat inhoudt dat alle mijn- en bosbouwcontracten moeten worden herzien en opgezegd, overeenkomstig artikel 56 van de grondwet van Congo, om ervoor te zorgen dat deze rijkdommen ten goede komen aan zo veel mogelijk mensen en niet slechts aan een minderheid;

11.  herhaalt dat het recht van de DRC op voedselsoevereiniteit moet worden gewaarborgd, wat inhoudt dat de boeren het recht moeten hebben om voedsel te produceren voor hun volk, en dat er een einde wordt gemaakt aan het landjepik en dat de boeren en boerinnen toegang krijgen tot de grond, het zaai- en pootgoed en het water;

12.  vraagt de internationale gemeenschap en in het bijzonder de landen die de DRC kredieten hebben verstrekt (met name België) de obstakels voor de ontwikkeling van de DRC, en dus voor vrede, op te heffen door de hoofdsom van de schuld en de desbetreffende rentebetalingen kwijt te schelden en een daadwerkelijke internationale samenwerking te organiseren, die de fundamentele mensenrechten en de soevereiniteit van de Congolese staat eerbiedigt, ter vervanging van de vrijhandelsakkoorden en de structureleaanpassingsplannen; vraagt de autoriteiten van de DRC erop aan te dringen dat hun schulden aan audits worden onderworpen en dat alle illegale schulden die zij bij buitenlandse crediteuren hebben, worden geschrapt, teneinde van de hele schuld af te raken en tegemoet te kunnen komen aan de basisbehoeften van de bevolking van het land;

13.  vraagt de EU en haar lidstaten de financiële en humanitaire hulp op te voeren, teneinde tegemoet te komen aan de urgente behoeften van de bevolkingsgroepen in kwestie; verzoekt de EU en de lidstaten hun hulp in de vorm van giften te verstrekken en niet in de vorm van leningen, teneinde de schuldenlast niet te verzwaren; betreurt het dat talrijke lidstaten van de Unie de doelstelling om 0,7 % van hun BNI aan ontwikkelingshulp te besteden, niet hebben verwezenlijkt en dat sommige het voor ontwikkelingshulp bestemde percentage hebben verlaagd; betreurt het dat lidstaten hun deelname aan voedselhulpprogramma's hebben beperkt; verzoekt met klem dat ontwikkelingshulp niet wordt geïnstrumentaliseerd voor het beperken van het aantal migranten, voor het bewaken van de grenzen of voor het waarborgen van de terugname van migranten; vraagt dat de hulp van de EU en haar lidstaten voor de DRC prioritair wordt ingezet voor het oplossen van de problemen in verband met de enorme ongelijkheid, de armoede, de chronische ondervoeding, de toegang tot gezondheidszorg en overheidsdiensten, met name op het gebied van de reproductie, alsook met de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen; vindt ook dat meer voedselhulp moet worden toegekend en dat deze hulp in de eerste plaats moet worden gebruikt voor inkoop bij plaatselijke boeren;

14.  verklaart nogmaals dat de activiteiten van Europese bedrijven die in derde landen werkzaam zijn volledig in overeenstemming moeten zijn met de internationale mensenrechtennormen; roept de lidstaten er daarom toe op te controleren of bedrijven die onder hun nationale wetgeving vallen de mensenrechten en de sociale, gezondheids- en milieunormen waaraan zij zijn onderworpen niet veronachtzamen wanneer zij zich in een derde land vestigen of daar hun activiteiten ontplooien; verzoekt de Commissie en de lidstaten de nodige maatregelen te nemen tegen Europese ondernemingen die deze normen niet naleven of die de slachtoffers van de mensenrechtenschendingen waarvoor zij direct of indirect verantwoordelijk zijn geen behoorlijke schadevergoeding bieden;

15.  dringt er, met name ten aanzien van de DRC, op aan dat er een onafhankelijk onderzoek wordt ingesteld naar de eerbiediging van de sociale en milieunormen door Europese ondernemingen, in het bijzonder in de sector van de natuurlijke hulpbronnen, en naar de rol die deze ondernemingen kunnen spelen in de financiering van de gewapende groeperingen; dringt eveneens aan op een internationaal onderzoek naar het eventuele verband tussen structureleaanpassingsplannen, de financiële steun van de internationale financiële instellingen en de misdaden die in het land worden gepleegd;

16.  is tegen elke poging tot externalisering van het migratiebeleid van de EU naar derde landen; veroordeelt het dat het proces van Rabat, waar de DRC partij bij is, geen luik bevat voor het aanpakken van de achterliggende oorzaken van migratie, maar zich uitsluitend richt op het terugzenden en wederopnemen van migranten; is van oordeel dat dit haaks staat op het recht van vrij verkeer en het recht op asiel; dringt er in dit verband op aan onmiddellijk te stoppen met de onderhandelingen met de DRC in het kader van het proces van Rabat;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Afrikaanse Unie, de regeringen van de landen uit het gebied van de Grote Meren, de president, de premier en het parlement van de Democratische Republiek Congo, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de VN-Mensenrechtenraad en de paritaire parlementaire vergadering ACS-EU.

Juridische mededeling - Privacybeleid