ONTWERPRESOLUTIE over de sluiting van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds
8.2.2017 - (2017/2525(RSP))
ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement
Tiziana Beghin, William (The Earl of) Dartmouth, David Borrelli, Marco Valli, Ignazio Corrao, Fabio Massimo Castaldo, Laura Agea, Marco Zullo, Dario Tamburrano, Piernicola Pedicini, Rosa D’Amato, Isabella Adinolfi, Eleonora Evi, Daniela Aiuto, Laura Ferrara namens de EFDD-Fractie
B8-0145/2017
Resolutie van het Europees Parlement over de sluiting van de Brede Economische en Handelsovereenkomst (CETA) tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds
Het Europees Parlement,
– gezien zijn resolutie van 10 december 2013 met de aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden betreffende de onderhandelingen voor een strategische partnerschapsovereenkomst tussen de EU en Canada[1],
– gezien zijn resolutie van 8 juni 2011 over de economische en handelsbetrekkingen tussen de EU en Canada[2],
– gezien het verslag van januari 2010 getiteld "A Critical Assessment of the Proposed Comprehensive Economic and Trade Agreement Between the European Union and Canada – A joint position of the European Federation of Public Service Unions (EPSU) and the Canadian Union of Public Employees, the National Union of Public and General Employees and the Public Service Alliance of Canada" (Een kritische beoordeling van het voorstel voor een Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en Canada – Een gezamenlijk standpunt van de Europese Federatie van ambtenarenvakbonden (EPSU) en de Canadian Union of Public Employees, de National Union of Public en de General Employees and the Public Service Alliance of Canada),
– gezien het werkdocument van de EPSU van april 2015 getiteld "CETA and TTIP – Potential impacts on health and social services" (CETA en TTIP – Potentiële gevolgen voor gezondheidszorg en sociale dienstverlening) van de hand van Thomas Fritz,
– gezien de verklaring van februari 2015 van de Europese Vereniging van Rechters over het voorstel van de Europese Commissie met betrekking tot een nieuw stelsel van investeringsgerechten,
– gezien de standpuntnota van oktober 2016 van de Europese Volksgezondheidsalliantie (European Public Health Alliance, EPHA) getiteld "How CETA could Undermine Public Health" (Hoe CETA de volksgezondheid kan ondermijnen),
– gezien het verzoek om instemming ingediend door de Raad betreffende de sluiting van CETA tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds,
– gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,
A. overwegende dat de ratificatieprocedure in het Parlement moet worden opgeschort totdat een aantal belangrijke juridische kwesties in verband met CETA en het hoofdstuk over investeringen is verduidelijkt;
B. overwegende dat de sluiting van CETA onverenigbaar lijkt te zijn met de doelstellingen van de EU op het vlak van milieubescherming, het voorzorgsbeginsel, sociale cohesie, degelijk werk, de verdediging van burgerlijke vrijheden, in het bijzonder met betrekking tot gegevensbescherming, toegang tot gezondheidszorg, cultureel beleid en culturele diversiteit, voedselveiligheid, dierenwelzijn en de bescherming van in familieverband bedreven en kleinschalige landbouw;
C. overwegende dat nog altijd onduidelijkheid bestaat omtrent de verenigbaarheid van de CETA-overeenkomst met de EU-Verdragen;
D. overwegende dat de normen in de agrovoedingssector in de EU en in Canada enorm verschillen en dat een verlaging van de normen indruist tegen het Europees acquis;
E. overwegende dat het beperken van administratieve lasten altijd nauwgezet moet worden afgewogen tegen het recht van de consument op informatie over de producten die hij koopt en het recht van de burger op een juridisch zekere samenleving;
F. overwegende dat zowel in artikel 1 als in artikel 10, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is vastgelegd dat "besluiten in zo groot mogelijke openheid en zo dicht mogelijk bij de burger worden genomen";
G. overwegende dat parlementsleden op verschillende bestuursniveaus aan beide zijden van de Atlantische Oceaan alsook het maatschappelijk middenveld, de pers, onderzoekers en burgers geen volledige toegang hebben tot belangrijke onderhandelingsdocumenten, hetgeen tot tekortkomingen op het vlak van democratische participatie heeft geleid;
H. overwegende dat 87 % van de kmo's in de EU op binnenlandse vraag steunt en niet rechtstreeks betrokken is bij internationale handel en markten; overwegende dat de verdere ontwikkeling van de lokale, regionale en de Europese gemeenschappelijke markt de prioriteit van kmo's in de EU blijft, vóór toegang tot de Canadese markt;
I. overwegende dat de creatie van welvaart ten gevolge van CETA vooral het resultaat is van de verlegging van het handelsverkeer, niet van toegenomen handel;
J. overwegende dat CETA geen hoofdstuk over kmo's bevat;
K. overwegende dat de door de Commissie voorgestelde geïnstitutionaliseerde samenwerking op het gebied van regulering de wetgevende bevoegdheden van het Europees Parlement evenals van nationale parlementen schaadt en dan ook een zorgwekkend effect heeft op de toepassing van de waarden van de Unie zoals vastgelegd in artikel 2 VEU;
L. overwegende dat het moeilijk is de werkelijke impact van CETA op de economie in de EU en in Canada te beoordelen en dat studies tegenstrijdige resultaten tonen; overwegende dat CETA de aanhoudende structurele economische problemen en de hieraan ten grondslag liggende oorzaken in de EU niet zal oplossen;
1. hecht geen goedkeuring aan de sluiting van CETA;
2. wijst erop dat CETA negatieve gevolgen zal hebben voor de toegang tot geneesmiddelen, vooral voor Canadezen, die reeds de tweede hoogste prijzen ter wereld betalen voor geneesmiddelen;
3. vraagt dat de openbare gezondheidszorg van het Verenigd Koninkrijk (National Health Service, NHS) volledig wordt uitgesloten van alle CETA-bepalingen;
4. wijst erop dat CETA mogelijk de kwaliteitsnormen en de betaalbaarheid van diensten van algemeen belang kan ondermijnen;
5. verwerpt elke verdere openstelling voor onderwijsdiensten met gemengde financiering, waaronder kleuter- en hoger onderwijs; verwerpt derhalve negatieve lijsten voor de liberalisering van diensten, waardoor bepalingen over ratchet- en standstillclausules kunnen worden opgenomen in CETA;
6. is van mening dat CETA de bescherming van persoonsgegevens van EU-burgers ondermijnt door toezeggingen die werden gedaan met betrekking tot grensoverschrijdend gegevensverkeer;
7. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat het hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling gericht is op volledige en doeltreffende ratificatie, uitvoering en handhaving van de acht fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en hun inhoud, de IAO-Agenda voor waardig werk en de centrale internationale milieuovereenkomsten; is van mening dat de bepalingen moeten zijn gericht op de verdere verhoging van het beschermingsniveau dat de arbeids- en milieunormen bieden;
8. herinnert eraan dat arbeids- en milieunormen niet beperkt zijn tot het hoofdstuk inzake handel en duurzame ontwikkeling, maar ook in andere onderdelen van de overeenkomst aan bod komen;
9. vraagt dat voor de tenuitvoerlegging van de arbeidsbepalingen van CETA een doeltreffend monitoringsproces wordt ingevoerd, waarbij sociale partners en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld worden betrokken;
10. wijst erop dat grotere investeringsconcurrentie tussen in de EU gevestigde en Canadese banken en andere verleners van financiële diensten de financiële systemen in zowel Canada als de EU meer met elkaar verbindt en kwetsbaarder maakt voor externe schokken en besmetting;
11. vraagt de Commissie de onderhandelingen binnen CETA opnieuw te openen en op basis van de gezamenlijke toezegging van beide onderhandelingspartners een specifiek hoofdstuk over kmo's toe te voegen, dat erop gericht is voor Europese kmo's nieuwe kansen te creëren in Canada, rekening houdend met het feit dat minder dan 1 % van de Europese kmo's naar Canada uitvoert;
12. herinnert eraan dat 97 % van de respondenten tijdens de openbare raadpleging over investeringsbescherming negatieve antwoorden gaf, waardoor een van de belangrijkste problemen met aanbesteding wordt bevestigd, namelijk dat alleen de eisende investeerder en de verwerende nationale regering van het land partij kunnen zijn; verwerpt de invoering van het stelsel van investeringsgerechten, waardoor alleen buitenlandse investeerders eisen kunnen indienen en voorrang gegeven wordt aan particuliere internationale bedrijven boven binnenlands openbaar belang; betreurt het dat de commerciële belangen van door een arbitragemechanisme gesteunde multinationale ondernemingen de overhand zullen krijgen, terwijl het menselijke aspect en patiëntenrechten worden verwaarloosd;
13. bevestigt nogmaals dat Canada en de EU volledig functionerende en toegankelijke gerechtelijke beroepsmogelijkheden hebben, waardoor elke vorm van arbitrage overbodig en hoogst betwistbaar is;
14. wijst erop dat arbiters per uur zullen worden betaald, hetgeen aanzet tot het rekken van het geschil en de kosten voor de belastingbetalers aanzienlijk doet oplopen;
15. erkent bovendien dat 80 % van de Amerikaanse bedrijven een aanzienlijk belang heeft in een Canadees bedrijf en wijst erop dat zij door deze overeenkomst de mogelijkheid zullen krijgen een rechtszaak aan te spannen tegen de regeringen van de lidstaten op kosten van de belastingbetalers;
16. betreurt het dat in CETA de formulering "eerlijke en billijke behandeling" wordt gebruikt, omdat veel investeringsarbitragezaken hierop betrekking hebben;
17. verwerpt de bedreigingen die CETA vormt voor openbare beleidsmaatregelen in de openbare gezondheidszorg en weigert buitenlandse investeerders het recht te geven deze maatregelen te betwisten op basis van de bepalingen over buitenlandse investeringen;
18. wijst erop dat transnationale investeringsbedrijven op basis van CETA EU-lidstaten kunnen aanklagen voor door hen aangenomen wetten die gevolgen hebben voor de winst van de investeerder, ook voor wetten ter bescherming van de volksgezondheid, het milieu of de rechten van werknemers; wijst er bovendien op dat een onafhankelijke deskundige van de VN heeft verklaard dat CETA onverenigbaar is met de rechtsstaat, democratie en mensenrechten en dat handelsovereenkomsten pas mogen worden geratificeerd nadat mensenrechten-, gezondheids- en milieueffectbeoordelingen werden uitgevoerd, wat voor CETA niet het geval is geweest;
19. wijst erop dat in het kader van het investeringsgerecht treaty shopping mogelijk wordt, waarbij investeerders kunnen kiezen onder welke overeenkomst zij een ISDS-eis willen indienen;
20. wijst erop dat het feit dat het Hof van Justitie niet om een juridisch standpunt over de geldigheid van een stelsel van investeringsgerechten in de vorm van een multilateraal investeringsgerecht werd verzocht, in overeenstemming met de EU-verdragen is;
21. herinnert eraan dat het recht om te reguleren van beide partijen afhankelijk wordt gemaakt van de CETA-bepalingen, waardoor de regelgevingsruimte van de nationale autoriteiten wordt verminderd;
22. vraagt garanties dat CETA een ambitieus, evenwichtig en modern hoofdstuk over intellectuele-eigendomsrechten bevat, met inbegrip van erkenning, verbeterde bescherming en wijziging van geografische aanduidingen, zonder een belemmering te vormen voor de behoefte van de EU om het auteursrechtenstelsel te hervormen;
23. bevestigt nogmaals dat CETA door de landbouwmarkten te liberaliseren de normen inzake voedselveiligheid zou kunnen verzwakken; betreurt het eveneens dat CETA geen specifieke bewoordingen over "dierenwelzijn" bevat;
24. verzoekt de Commissie om:
● zich in te zetten voor het strikte behoud van huidige en toekomstige normen op het vlak van voedselveiligheid, de gezondheid van mensen en planten, gewas- en milieubescherming en consumentenbescherming, zoals bepaald in de EU-wetgeving;
● ervoor te zorgen dat het huidige CETA-samenwerkingsmechanisme ter herziening en harmonisering van ggo-regels de bestaande EU-normen niet verlaagt,
● ervoor te zorgen dat fundamentele EU-waarden, zoals het voorzorgsbeginsel en duurzame landbouw, en het recht van burgers om via EU-regels over traceerbaarheid en etikettering geïnformeerd te worden over wat zij op de EU-markten kopen, in de toekomst niet worden ondermijnd;
● te zorgen voor de eerbiediging van Europese normen inzake consumentenbescherming, dierenwelzijn en milieubescherming en minimale sociale normen voor in de EU ingevoerde landbouwproducten en aan te dringen op de opname ervan;
25. verwerpt het feit dat openbare waterbedrijven niet duidelijk zijn uitgesloten van CETA-bepalingen, waardoor overheidsbeleid ter bescherming van de toegang tot proper en veilig drinkwater kan worden aangevochten op basis van het hoofdstuk over investeringen in naam van "handelsbelemmeringen", hetgeen een precedent kan scheppen voor al het beleid in de openbare sector;
26. wijst er voorts op dat CETA geen duidelijke en gedetailleerde definitie van openbare diensten bevat;
27. merkt op dat de partijen bij CETA 38 verklaringen, uitspraken en andere documenten ter verduidelijking en interpretatie hebben uitgevaardigd; merkt voorts op dat de meerderheid van deze verklaringen unilateraal van aard is, waardoor zij weinig juridische waarde hebben en niet als bindend voor de interpretatie van de tekst kunnen worden beschouwd;
28. is van mening dat de Commissie zich veeleer moet concentreren op overeenkomsten en verdragen die de mensenrechten en duurzame ontwikkeling verdedigen, dan op het huidige handelsbeleid dat alleen transnationale ondernemingen ten goede komt;
29. vraagt de Commissie in de context van toenemende energiezekerheid de ontwikkeling van hernieuwbare energiebronnen en energie-efficiëntie als doelstellingen te behouden; benadrukt dat het bewuste hoofdstuk duidelijke garanties moet bevatten dat er niet aan de milieunormen en klimaatactiedoelstellingen van de EU zal worden getornd en dat de EU vrij blijft om ook in de toekomst onafhankelijk normen en doelstellingen vast te leggen;
30. verzoekt de Commissie daarom om de opname van een bilaterale vrijwaringsclausule om energie-intensieve bedrijfstakken en koolstoflekkagesectoren in de EU, waaronder de chemische industrie en de grondstoffen- en staalindustrie, te voorzien van passende maatregelen voor de handhaving van de huidige douanetarieven gedurende een gepaste vastgelegde overgangsperiode na de inwerkingtreding van CETA, met een verplichte herzieningsclausule;
31. wijst erop dat de financiële sector door CETA zal worden aangezet tot meer risico's door speculatieve investeringen te doen om in een competitievere internationale markt te overleven;
32. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regering en het parlement van Canada.