Procedure : 2017/2654(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0338/2017

Ingediende teksten :

B8-0338/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/05/2017 - 11.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0227

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 289kWORD 58k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0331/2017
15.5.2017
PE603.763v01-00
 
B8-0338/2017

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de EU-strategie voor Syrië (2017/2654(RSP))


Marietje Schaake, Petras Auštrevičius, Beatriz Becerra Basterrechea, Izaskun Bilbao Barandica, Dita Charanzová, Marielle de Sarnez, Martina Dlabajová, Marian Harkin, Ivan Jakovčić, Petr Ježek, Ilhan Kyuchyuk, Louis Michel, Javier Nart, Urmas Paet, Jozo Radoš, Jasenko Selimovic, Hannu Takkula, Pavel Telička, Ramon Tremosa i Balcells, Johannes Cornelis van Baalen, Hilde Vautmans, Cecilia Wikström, Valentinas Mazuronis namens de ALDE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de EU-strategie voor Syrië (2017/2654(RSP))  
B8‑0338/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Syrië,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de Verdragen van Genève van 1949 en de aanvullende protocollen hierbij,

–  gezien de internationale verdragen en overeenkomsten, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide en het Verdrag van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens,

–  gezien het Statuut van Rome en de oprichtingsdocumenten van het Internationaal Gerechtshof,

–  gezien de gelegenheidstribunalen, waaronder het ICTY, ICTR en STL,

–  gezien de verklaring van Genève van 2012,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over Da'esh en het Al-Nusra Front, en de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad over het conflict in de Arabische Republiek Syrië, met name resoluties 2218 (2013), 2139 (2014), 2165 (2014), 2191 (2014), 2199 (2015), 2254 (2015), 2258 (2015), 2268 (2016), 2328 (2016), 2332 (2016), en 2336 (2016),

–  gezien resolutie A/71/L.48 van de Algemene Vergadering van de VN tot instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 zijn gepleegd in de Arabische Republiek Syrië,

–  gezien de conclusies van de Raad van 17 oktober 2016 en de conclusies van de Europese Raad van 18 en 19 februari 2016, van 20 en 21 oktober 2016, van 27 oktober 2016, van 14 november 2016 en van 15 december 2016 over externe betrekkingen,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 30 december 2016 over de aankondiging van het staken van de vijandelijkheden in Syrië en van 23 maart 2017 over Syrië, en de verklaringen van de VV/HV namens de EU van 9 december 2016 over de situatie in Aleppo, van 6 april 2017 over de vermeende chemische aanval in Idlib, Syrië, en van 7 april 2017 over de Amerikaanse aanval in Syrië,

–  gezien de verklaring van de covoorzitters van de conferentie over steun voor de toekomst van Syrië en de regio van 5 april 2017,

–  gezien de rapporten van de onafhankelijke, door de Mensenrechtenraad van de VN ingestelde internationale onderzoekscommissie van 6 september, 16 juni en 22 februari 2016 over de Arabische Republiek Syrië, het conferentiedocument van de onafhankelijke internationale onderzoekscommissie van 13 maart 2017 over schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht in de Arabische Republiek Syrië in de periode van 21 juli 2016 tot en met 28 februari 2017, en de resoluties van de Mensenrechtenraad van de VN van 27 september en 21 oktober 2016 over de Arabische Republiek Syrië,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de oorlog in Syrië is uitgegroeid tot een van de ergste wereldwijde humanitaire crises sinds de Tweede Wereldoorlog en dat de rampzalige gevolgen ervan voor de Syrische bevolking blijven voortduren;

B.  overwegende dat de crisis in Syrië steeds meer een destabiliserende invloed krijgt op de omliggende regio;

C.  overwegende dat het conflict ondertussen al zeven jaar woedt en dat er eind 2016 reeds 400 000 onnodige slachtoffers waren gevallen; overwegende dat 13,5 miljoen mensen in Syrië, bijna drie kwart van de resterende bevolking, dringend behoefte heeft aan humanitaire hulp; voort overwegende dat het aantal binnenlands ontheemden in Syrië 6,6 miljoen bedraagt; overwegende dat het conflict de economische en menselijke ontwikkeling in Syrië veertig jaar terug in de tijd heeft geworpen en 4,8 miljoen inwoners op de vlucht heeft doen slaan naar het buitenland;

D.  overwegende dat de internationale gemeenschap uit hoofde van het internationaal humanitair recht verplicht is alles in het werk te stellen om de burgerbevolking en goederen van burgerlijke aard van zowel statelijke als niet-statelijke actoren te beschermen;

E.  overwegende dat kinderen het zwaarst door het conflict worden getroffen; overwegende dat momenteel bijna 6 miljoen kinderen op humanitaire hulp zijn aangewezen; overwegende dat bijna de helft van hen van huis en haard verdreven is;

F.  overwegende dat alle partijen bij het conflict, met name het regime van Assad en zijn bondgenoten Rusland en Iran, zich schuldig maken aan ernstige schendingen van de mensenrechten en het humanitair recht, met inbegrip van misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en genocide;

G.  overwegende dat verantwoordingsplicht, rechtvaardigheid, de rechtsstaat en de bestrijding van straffeloosheid essentiële elementen zijn ter ondersteuning van inspanningen met het oog op vrede, conflictoplossing, verzoening en heropbouw;

H.  overwegende dat Syrië in 1955 tot het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide is toegetreden, en in 2004 tot het Verdrag tegen foltering;

I.  overwegende dat de regering en de geallieerde strijdkrachten honderdduizenden burgerslachtoffers hebben gemaakt, in het bijzonder in en rond Aleppo tijdens het meedogenloze beleg van de stad, en grote delen van de stad met de grond gelijk hebben gemaakt tijdens lucht- en artillerieaanvallen waarbij ze het op burgers hadden gemunt; overwegende dat overheidsinstanties en geallieerde strijdkrachten ten tijde van hun opmars in Oost-Aleppo naar verluidt woningen van burgers zijn binnengevallen en standrechtelijke moorden hebben gepleegd; overwegende dat civiele infrastructuur opzettelijk als doelwit van aanvallen wordt gekozen en dat bij dergelijke aanvallen waterdistributiesystemen, medische voorzieningen en scholen worden verwoest; overwegende dat deze aanvallen tot een ernstig gebrek aan essentiële diensten hebben geleid, hetgeen gelijkstaat aan een uithongeringsstrategie;

J.  overwegende dat het regime van Assad de levering en verdeling van voedsel en medische en humanitaire hulpgoederen door de VN, de EU, ngo's en lokale actoren tegenhoudt; overwegende dat dergelijke humanitaire konvooien opzettelijk worden gebombardeerd en als doelwit worden gekozen; overwegende dat de Syrische regering verder weloverwogen ervoor heeft gezorgd dat burgers verstoken zijn van essentiële goederen en diensten, waaronder voedsel, water en medische hulp; overwegende dat de aanvallen, alsook uithongering van burgers door middel van de belegering van bewoonde gebieden als oorlogstactiek, een duidelijke schending vormen van het internationaal humanitair recht;

K.  overwegende dat uit diverse onderzoeken naar voren is gekomen dat de strijdkrachten van Assad chemische agentia gebruiken om burgers om te brengen en letsel toe te brengen; overwegende dat de recentste op burgers gerichte chemische aanval op 4 april 2017 heeft plaatsgevonden in Khan Sheikhoun in de provincie Idlib, waarbij ten minste zeventig burgers om het leven kwamen, onder hen veel kinderen, en waarbij honderden mensen gewond raakten; overwegende dat de VS de EU hebben meegedeeld dat het Syrische regime, op grond van hun beoordeling, chemische wapens heeft gebruikt en dat zij naar aanleiding daarvan op 7 april jl. de luchtmachtbasis Al-Shayrat hebben aangevallen;

L.  overwegende dat de EU in maart 2017 vier hooggeplaatste Syrische militairen aan de sanctielijst heeft toegevoegd vanwege hun rol bij het gebruik van chemische wapens tegen de burgerbevolking, in overeenstemming met het EU-beleid ter bestrijding van de proliferatie en het gebruik van chemische wapens;

M.  overwegende dat Rusland en Bolivia op 12 april 2017 tegen een resolutie van de VN-Veiligheidsraad hebben gestemd, waarmee het vermeende gebruik van chemische wapens in Syrië zou zijn veroordeeld en het regime van Assad zou zijn verzocht medewerking te verlenen aan een onderzoek naar het incident;

N.  overwegende dat op 15 april 2017 in Rashidin, West-Aleppo, Syrië, een aanslag is gepleegd op circa 5 000 evacués die van de belegerde steden Foah en Kefraya op weg waren naar door de regering bestuurde gebieden; overwegende dat tientallen mensen, waaronder kinderen, om het leven kwamen en velen meer gewond raakten;

O.  overwegende dat het regime van Assad naar verluidt chemische wapens blijft vervaardigen onder de dekmantel van het Scientific Studies and Research Centre; overwegende dat Assad deze praktijken krachtens de overeenkomst van 2013 tot uitbanning van chemische wapens onmiddellijk een halt moet toeroepen en alle overgebleven chemische agentia en wapens moet overdragen aan de Organisatie voor het verbod van chemische wapens;

P.  overwegende dat duizenden burgers willekeurig door de autoriteiten zijn gearresteerd en onder inhumane omstandigheden worden vastgehouden, waarbij ze het slachtoffer worden van zeer ernstige mishandelingen die veelal bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat ze in gevangenschap aan hun verwondingen overlijden; overwegende dat dergelijke vormen van mishandeling niet alleen foltering en een stelstelmatig gebrek aan voedsel, water, medicijnen en medische zorg omvatten, maar ook sadistische en mensonterende praktijken; overwegende dat uit rapporten blijkt dat het regime van Assad op grote schaal opdracht geeft tot ophangingen en standrechtelijke terechtstellingen van gevangenen; overwegende dat tal van burgers ten prooi vallen aan gedwongen verdwijningen, langdurig worden vastgehouden of een oneerlijk proces krijgen; overwegende dat de Syrische regering stelselmatig haar toevlucht neemt tot massale ophangingen om iedereen met een enigszins afwijkende mening het zwijgen op te leggen; overwegende dat in de Saydnaya-gevangenis gedurende een periode van vijf jaar 13 000 van deze standrechtelijke terechtstellingen hebben plaatsgevonden;

Q.  overwegende dat het regime van Assad de tactiek van gedwongen verplaatsing aanwendt om het religieuze karakter van steden, gemeenten en regio's te veranderen en een demografische verandering teweeg te brengen; overwegende dat dergelijke tactieken zijn ingezet in steden, onder meer in Darayya en Muadamiyat al-Sham net buiten Damascus, alsook in de wijk al-Waer in de stad Homs;

R.  overwegende dat het de plicht is van de internationale gemeenschap en de afzonderlijke lidstaten om degenen die zich ten tijde van het Syrische conflict schuldig hebben gemaakt aan schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, ter verantwoording te roepen; overwegende dat hiertoe zowel gebruik kan worden gemaakt van bestaande nationale en internationale rechtsmiddelen, waaronder nationale rechtbanken en tribunalen, als van nog op te richten internationale gelegenheidstribunalen; overwegende dat niet alleen personen strafrechtelijk ter verantwoording kunnen worden geroepen, maar dat landen onder bepaalde voorwaarden ook kunnen worden vervolgd wegens niet-nakoming van verplichtingen uit hoofde van internationale verdragen en overeenkomsten waarover het Internationaal Gerechtshof rechtsmacht heeft, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide van 1948;

S.  overwegende dat de internationale gemeenschap de democratische en seculiere oppositie die tegenstand biedt aan het wrede Syrische regime, actiever zou moeten ondersteunen; overwegende dat de seculiere oppositie momenteel zeer zwak is en dat de burgerbevolking, ingesloten door jihadistische terroristen, Islamitische fundamentalisten en Koerdische separatisten of voorstanders van het regime van Assad, geen kant meer op kan, waardoor het uiterst moeilijk wordt om tot nationale verzoening en een consensus te komen op grond waarvan vrede zou kunnen worden bewerkstelligd in Syrië;

T.  overwegende dat op 23 februari 2017 in Genève het intra-Syrische onderhandelingsproces van start is gegaan, en wel aan de hand van resolutie 2254 (2015) van de VN-Veiligheidsraad over regeringszaken, waaronder de herziening van de grondwettelijke orde, het houden van verkiezingen en de in de verklaring van Genève van 2012 vervatte beginselen; overwegende dat een vreedzame oplossing voor de crisis in Syrië in het kader van de in Genève gehouden onderhandelingen nog niet dichterbij is gebracht, aangezien in dit opzicht nog geen concrete vooruitgang is geboekt;

U.  overwegende dat de EU op 5 april 2017 covoorzitter was van een conferentie over steun voor de toekomst van Syrië en de regio, waaraan werd deelgenomen door de vertegenwoordigers van meer dan zeventig landen en internationale organisaties, alsook het internationaal en Syrisch maatschappelijk middenveld; overwegende dat tijdens deze conferentie werd voortgebouwd op eerdere conferenties die in Koeweit en Londen werden gehouden, en dat er een alomvattende aanpak van de Syrische crisis werd overeengekomen, met inbegrip van financiële toezeggingen; overwegende dat de steun en de inzet van de internationale gemeenschap onontbeerlijk zijn om Syrië en het omliggende gebied hoop te kunnen bieden op een vreedzame toekomst;

V.  overwegende dat Rusland, Iran en Turkije op 4 mei 2017 in Kazachstan overeenstemming hebben bereikt over de totstandbrenging van vier de-escalatiezones; overwegende dat het bij deze overeenkomst ontbreekt aan waarborgen en mechanismen voor handhaving en naleving, en dat het regime van Assad niet heeft ingestemd met VN-toezicht; overwegende dat de Syrische oppositie niet achter de overeenkomst kan staan in haar huidige, door Iran gesteunde vorm; overwegende dat de overeenkomst nog moet worden goedgekeurd door de VN-Veiligheidsraad;

W.  overwegende dat de EU-strategie voor Syrië een herziening is van de regionale strategie van de EU voor Syrië en Irak en de dreiging die van Da'esh uitgaat, die op 23 maart 2016 voor het laatst door de Raad werd herzien en geactualiseerd;

X.  overwegende dat de EU lovenswaardige inspanningen levert als het aankomt op het verlenen van humanitaire hulp en het uitstippelen van een toekomst voor Syrië; overwegende dat de EU ervoor moet waken dat zij de wederopbouw van een Syrië dat door Assad en zijn bondgenoten, Rusland en Iran, wordt bestuurd en gecontroleerd, niet onvoorwaardelijk steunt; overwegende dat niet mag worden toegestaan dat Assad, Iran en het Rusland van Poetin hun ogen sluiten voor de economische gevolgen van hun militaire interventies; overwegende dat derhalve een geloofwaardige en inclusieve politieke oplossing voor het gewapende conflict moet worden gevonden, waar alle partijen zich in kunnen vinden, terroristische groeperingen uitgezonderd;

Y.  overwegende dat bij de wederopbouw van Syrië een bottom-upbenadering moet worden gehanteerd en dat de positie van lokale actoren, met uitzondering van bekende terroristische groeperingen, met goed gevolg moet worden versterkt;

1.  verzoekt het Syrische regime en zijn bondgenoten, Rusland en Iran, de tegen de Syrische burgerbevolking gerichte willekeurige bombardementen, moorden en gewelddaden onmiddellijk te staken en humanitaire konvooien en konvooien met hulpgoederen met onmiddellijke ingang ongehinderde toegang te verlenen; herinnert de leden van de Syrische, Russische en Iraanse regimes eraan dat zij uit hoofde van het internationaal strafrecht rekenschap moeten afleggen over de gruwelijke misdrijven waar zij zich in Syrië schuldig aan maken;

2.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de aanhoudende en stelselmatige grootschalige en grove schendingen van de mensenrechten en alle schendingen van het internationaal humanitair recht door de strijdkrachten van Assad, met steun van Rusland en Iran, alsook de schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht door niet-statelijke gewapende terroristische groeperingen, in het bijzonder Da'esh, Jabhat Fatah al-Sham en andere jihadistische groeperingen;

3.  verzoekt Rusland, Iran en de overige externe partijen bij het conflict met klem om hun interventies, die verwoestende gevolgen hebben, te staken en hun invloed op Assad aan te wenden om tot volledige beëindiging van de vijandelijkheden en opheffing van de belegeringen te komen;

4.  wijst alle partijen er nogmaals op dat een inclusieve nationale wapenstilstand en een vreedzame, voor alle partijen aanvaardbare oplossing voor de Syrische crisis kan worden bereikt onder auspiciën van de VN, en met ondersteuning, zoals uiteengezet in de verklaring van Genève van 2012 en in resolutie 2254 (2015) van de VN-Veiligheidsraad, van de speciale gezant van de secretaris-generaal voor Syrië, Staffan de Mistura, en van belangrijke internationale en regionale actoren; neemt kennis van de in Astana gevoerde besprekingen, die erop gericht waren om tot een akkoord te komen;

5.  neemt kennis van het memorandum dat Rusland, Iran en Turkije onlangs hebben ondertekend en waarmee zij zich borg hebben gesteld voor vier "no-flyzones"; roept het Syrische regime en de ondertekende partijen van het memorandum op tot effectieve tenuitvoerlegging van de overeenkomst en tot beëindiging van alle vijandelijkheden die directe gevolgen hebben voor de Syrische bevolking; betreurt dat het Syrische regime niet heeft ingestemd met VN-toezicht op de tenuitvoerlegging van het memorandum;

6.  hekelt het feit dat de G7-top in Italië geen overeenstemming heeft weten te bereiken over de invoering van sancties tegen Rusland, dat een bombardement heeft uitgevoerd op de Syrische burgerbevolking en het regime van Assad blijft steunen;

7.  is ingenomen met de inspanningen van de vertegenwoordigers van meer dan zeventig landen tijdens de conferentie over steun voor de toekomst van Syrië en de regio, die op 4 en 5 april 2017 in Brussel werd gehouden, en is verheugd over de financiële toezeggingen die tijdens deze conferentie zijn gedaan; juicht het toe dat de deelnemers 5,6 miljard EUR hebben toegezegd voor 2017, en 3,47 miljard EUR voor de periode 2018-2020; brengt in herinnering dat de kosten voor de wederopbouw van Syrië naar schatting 200 miljard USD zullen bedragen; roept de internationale gemeenschap op de door haar gedane beloften om humanitaire hulp te verstrekken in Syrië en de omliggende landen, gestand te doen;

8.  wijst erop dat het merendeel van de Syrische vluchtelingen naar naburige landen is gevlucht, waaronder Libanon, Jordanië en Turkije; is in dit verband ingenomen met de nieuwe partnerschapsprioriteiten die de EU met Jordanië en Libanon is overeengekomen, en is verheugd over de versoepeling van de EU-oorsprongsregels voor export uit Jordanië; stelt tot zijn spijt vast dat grote aantallen vluchtelingen in Jordanië en Libanon nog altijd in precaire sociale en economische omstandigheden leven en dikwijls geen (legaal) werk kunnen vinden; vraagt de autoriteiten van Jordanië en Libanon om ernaar toe te werken dat de resterende (informele) belemmeringen worden weggenomen, en om uitgebreidere mogelijkheden voor zelfstandig ondernemerschap te ondersteunen en met toezeggingen te komen voor de bevordering van werkgelegenheid voor vrouwen en jongeren;

9.  is ingenomen met de gastvrijheid van Turkije, dat rond de 3 miljoen vluchtelingen opvangt; moedigt de Turkse regering aan alle Syrische vluchtelingen een werkvergunning te verlenen; neemt kennis van de EU-Turkije verklaring over migratie; vindt het betreurenswaardig dat het aantal Syrische vluchtelingen dat zich uit hoofde van de 1:1-deal met Turkije in Europa heeft gevestigd, eind februari 2017 nog niet meer dan 3 565 bedroeg; roept de EU-lidstaten op meer inspanningen te leveren om hun beloften met betrekking tot de herplaatsing van Syrische vluchtelingen uit Turkije gestand te doen;

10.  roept de VV/HV op alles in het werk te stellen om de vredesbesprekingen, waarbij de VN als bemiddelaar optreedt, nieuw leven in te blazen en een actievere rol in de onderhandelingen af te dwingen, daarbij gebruikmakend van de financiële capaciteit van de EU en haar bereidheid om een aanzienlijke bijdrage te leveren aan de wederopbouw van Syrië; dringt er bij de VV/HV op aan het Syrisch maatschappelijk middenveld actief te steunen, evenals eenieder die voorstander is van een democratisch, pluralistisch en inclusief Syrië, en nauw te betrekken bij haar inspanningen om de Syrische bevolking te verzekeren van een betere toekomst; moedigt de VV/HV aan om samen met de Syrische bevolking lokale wederopbouwstrategieën uit te werken voor de diverse delen van en gebieden in Syrië;

11.  veroordeelt in de krachtigste bewoordingen de afschuwelijke luchtaanval met chemische wapens die op 4 april 2017 werd uitgevoerd op de stad Khan Sheikhoun in de provincie Idlib, waarbij ten minste 70 burgerslachtoffers vielen, onder hen kinderen en hulpverleners, en tal van slachtoffers symptomen van gasvergiftiging vertoonden; merkt op dat de voorlopige beoordeling, die door de onderzoeksmissie van de Organisatie voor het verbod van chemische wapens is uitgevoerd, erop wijst dat het vermeende gebruik van chemische wapens op waarheid berust; benadrukt dat degenen die verantwoordelijk zijn voor dergelijke aanvallen, voor het gerecht ter verantwoording zullen worden geroepen; herhaalt dat het Syrische regime, als partij bij het Verdrag inzake chemische wapens, zich er uitdrukkelijk toe heeft verbonden geen chemische wapens te gebruiken; betreurt het feit dat Rusland zijn veto heeft uitgesproken over de recentste resolutie van de VN-Veiligheidsraad waarin de aanval wordt veroordeeld en wordt opgeroepen tot instelling van een onderzoek;

12.  betreurt de voortdurende desinformatie en leugens die door het Russische regime en het regime van Assad worden verspreid, waaronder de lastercampagne tegen de Witte Helmen en de verspreiding van onjuiste informatie over de daders van de recentste chemische aanval van 4 april 2017;

13.  dringt er nogmaals op aan dat degenen die zich schuldig maken aan oorlogsmisdrijven, genocide en misdrijven tegen de menselijkheid, ter verantwoording worden geroepen en de gevolgen van hun daden ondervinden; beklemtoont dat de daders voor de rechter worden gebracht; is er onverminderd van overtuigd dat er geen sprake zal zijn van effectieve conflictoplossing, noch van duurzame vrede in Syrië indien de plegers van misdrijven niet ter verantwoording worden geroepen; benadrukt dat oorlogsmisdrijven die zowel door het regime als door de oppositie zijn begaan, in laatstgenoemd geval evenwel in mindere mate, in aanmerking komen voor internationale strafvervolging;

14.  roept alle EU-lidstaten op ervoor te zorgen dat misdrijven tegen de menselijkheid, genocide en oorlogsmisdrijven uit hoofde van het nationaal recht als misdrijven worden aangemerkt, en wenst dat alle EU-lidstaten overgaan tot de vervolging van dergelijke misdrijven wanneer deze onder hun nationale jurisdictie in Syrië zijn gepleegd door hun onderdanen of de onderdanen van derde landen; is in dit opzicht ingenomen met het besluit van Spanje om een strafrechtelijke klacht te behandelen die tegen negen Syrische ambtenaren van inlichtingendiensten werd ingediend wegens foltering en schendingen van de mensenrechten;

15.  herinnert aan het beginsel van universele jurisdictie; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de verwijzing van de zaak Syrië naar het Internationaal Strafhof; betreurt dat deze optie in de VN-Veiligheidsraad nog altijd wordt geblokkeerd;

16.  is van mening dat landen, met inbegrip van de EU-lidstaten, bij het Internationaal Gerechtshof afzonderlijk procedures tegen andere landen kunnen instellen wegens niet-nakoming van verplichtingen die voortvloeien uit internationale verdragen en overeenkomsten, waaronder het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing van 1984 en het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide van 1948; dringt er bij alle EU-lidstaten op aan de zaak Syrië voor te leggen aan het Internationaal Strafhof, teneinde het land ter verantwoording te roepen en duidelijk blijk te geven van hun bereidheid om ervoor te zorgen dat rekenschap wordt afgelegd over de verschrikkelijke misdrijven die in Syrië worden begaan;

17.  verzoekt de internationale gemeenschap, de EU en haar lidstaten samen met VN een internationaal strafhof in het leven te roepen, opdat niet-statelijke actoren en individuele personen die verantwoordelijk zijn voor oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en genocide, voor de rechter worden gebracht en ter verantwoording worden geroepen;

18.  is ingenomen met de instelling van een internationaal, onpartijdig en onafhankelijk mechanisme ter ondersteuning van het onderzoek naar en de vervolging van de personen die, uit hoofde van internationale wetgeving, verantwoordelijk zijn voor de ernstigste misdrijven die sinds maart 2011 in de Arabische Republiek Syrië zijn gepleegd; betreurt dat het nog altijd ontbreekt aan volledige financiering voor dit mechanisme; vraagt alle lidstaten om de toezeggingen na te komen waartoe zij zich in dit verband hebben verbonden;

19.  onderstreept het cruciale belang van de werkzaamheden van ngo's en plaatselijke en internationale organisaties uit het maatschappelijk middenveld op het gebied van het documenteren van schendingen van de mensenrechten en het verzamelen van bewijsmateriaal van oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid en andere misdrijven, met inbegrip van de vernietiging van cultureel erfgoed; vraagt de EU en haar lidstaten verdere en volledige steun te verlenen aan deze actoren; roept de EU en haar lidstaten op voldoende financiële middelen toe te kennen aan organisaties die werken aan openbronnenonderzoek en zich bezighouden met de verzameling van digitaal bewijsmateriaal van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid, teneinde de verantwoordingsplicht te waarborgen en de daders voor de rechter te brengen;

20.  looft de inspanningen van de humanitaire hulpverleners die trachten broodnodige verzorging, voedsel, water en medicijnen tot bij de slachtoffers van het conflict te brengen, en roept alle bij het conflict betrokken partijen nogmaals op om de veilige en ongehinderde toegang van humanitaire organisaties tot de burgerslachtoffers van de oorlog te verzekeren; veroordeelt met klem alle opzettelijke buitensporige, onevenredige en lukrake aanvallen op burgers, met inbegrip van kinderen, hulpverleners en medisch personeel, en op civiele infrastructuur zoals scholen en ziekenhuizen;

21.  is ingenomen met de recentste herziening van de beperkende maatregelen van de EU tegen Syrië, alsook met de toevoeging aan de sanctielijst van individuele personen die mede de verantwoordelijkheid dragen voor het gebruik van chemische wapens en voor de onderdrukking van de burgerbevolking; benadrukt dat de EU zich, in samenwerking met haar internationale partners, op alle mogelijkheden moet beraden, en onder meer de afwerping van hulpgoederen en de instelling van no-flyzones moet overwegen;

22.  wenst dat deze resolutie wordt vertaald in het Arabisch;

23.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de EU, de Verenigde Naties, de leden van de Internationale Steungroep voor Syrië en alle partijen die betrokken zijn bij het conflict in Syrië.

Juridische mededeling - Privacybeleid